27 april 2010
Opinie
De vraag van… Arie Koops, directeur topsport van de KNSB
Aan… Bertram Bouthoorn, beleidsadviseur sport en projectleider ‘JUMP-in’ bij DMO Amsterdam
De vraag
Als we over tien jaar nog Nederlandse wereld- of Olympische (schaats)kampioenen willen toejuichen, zullen we nu moeten investeren in sportdeelname. Wat kunnen andere gemeenten leren van het ‘JUMP-in’ project in Amsterdam? Levert het JUMP-in project ook meer leden op bij de lokale sportverenigingen?
Het antwoord
Eerst het antwoord op de laatste vraag: neemt door JUMP-in de sportparticipatie toe? Het antwoord daarop is eenvoudig: ‘ja’, mits het goed wordt georganiseerd.
Kinderen op JUMP-in scholen participeren significant meer bij georganiseerde sport dan kinderen op de controle scholen. Op de deelnemende scholen steeg het percentage sportende jongens van 38% naar 70%. De sportdeelname onder meisjes – vooral door de toename ervan onder meisjes van Turkse en Marokkaanse afkomst - ging van 19% naar 60%. Bovendien vertonen de leerlingen in groep 8 meer ‘gedragbehoud’: ze blijven sporten waar leeftijdsgenoten afhaken. Deze gegevens zijn afkomstig van het onderzoek van de VU onder 2800 kinderen en hun ouders naar het effect van JUMP-in. Omdat niet rond alle scholen voldoende verenigingsaanbod is, wordt hier een zogenaamde schoolsportclub ook gezien als georganiseerd sportaanbod.
Op de tweede vraag ‘kunnen andere gemeenten (en de sport) wat leren van JUMP-in’ is het antwoord minder eenduidig. Hier geen volmondig ‘ja’ maar eerder het bekende ‘ja maar…’. De methodiek achter JUMP-in is interessant voor andere gemeenten, ook als die zich niet richten op overgewicht en inactiviteit maar op talentherkenning en - ontwikkeling.
JUMP-in zelf is echter geen ‘kant en klaar pakket’. Het is daarvoor te nauw verweven met de organisatie van afdeling Sport en de GGD in Amsterdam. Daardoor is het programma moeilijk overdraagbaar naar andere gemeenten. Bovendien richt JUMP-in zich primair op inactieve en/of zwaarlijvige kinderen. En van die groep moeten we in de toekomst - ondanks projecten als JUMP-in - niet al te veel Olympische medailles verwachten. Van een aantal programmaonderdelen van JUMP-in kan de sport echter wel wat leren en er zijn voordeel mee doen. Zeker in combinatie met andere ontwikkelingen in Nederland
Methodiek; hoe werkt het?
JUMP-in benadert kinderen en hun ouders gericht met aanbod. Dat kan van alles zijn op gebied van een gezonde leefstijl: meedoen bij een sportvereniging of schoolsportclub, een bezoek aan de schoolverpleegkundige of diëtiste, een traject Motorisch Remedial Teaching, een cursus ‘gezond boodschappen doen’ en ‘koken met weinig geld’, afhankelijk van de situatie van het kind. Kinderen met obesitas worden via het landelijk overbruggingsplan overgewicht doorgeleid naar een kinderarts en kinderen die niet sporten naar sportaanbod. Dat doorleiden gebeurt gericht. Er wordt niet meer – zoals vroeger - op een ouderavond bekend gemaakt dat sport leuk en gezond is voor kinderen, maar ouders van niet sportende kinderen worden gericht benaderd. Daarbij wordt rekening gehouden met de specifieke belemmeringen tot deelname. Dat zijn vaak belemmeringen als: afstand tot het sport-beweegaanbod, onbekendheid met sport, een financiële drempel, onbekendheid met sport vanuit de eigen cultuur, enz. Het wegnemen van die belemmeringen – en dat gebeurt binnen JUMP-in - is belangrijk. Want op zo’n ouderavond kun je ouders er best van overtuigen dat een turnclub leuk en gezond is voor hun dochter, maar als die club te ver weg is en niet betaalbaar schiet je weinig op met dat nieuw verworven inzicht.
Ken de doelgroep
Kinderen en ouders zo gericht benaderen betekent dat je moet weten aan wie je welk aanbod moet doen; je moet je doelgroepen ‘kennen’. Om dat mogelijk te maken hebben DMO sport en de GGD Amsterdam een monitorsysteem ontwikkeld. In dat systeem worden alle kinderen die meedoen - dat zijn er op dit moment in Amsterdam ca 19.000, maar het draait ook in een aantal andere gemeenten - jaarlijks geïnterviewd, bekeken op BMI, motorische ontwikkeling, sportparticipatie en zwemvaardigheid (vanaf groep 4) en nog een aantal zaken. Vanuit die kennis wordt gericht aanbod opgezet voor de juiste groep. Het is geen schot hagel meer maar een doelbewuste actie op een benoemde groep.
Om in het juiste aanbod te kunnen voorzien maakt JUMP-in in de omgeving van kinderen een omgevingsscan; wat is er in de buurt te vinden aan bruikbaar aanbod; is er voldoende sport- en bewegingaanbod, Motorische Remedial Teaching (MRT), een schoolverpleegkundige en een diëtiste om kinderen met succes op de goede plek te krijgen? JUMP-in maakt hiervoor gebruik van de ‘aloude’ NISB-omgeving en schoolscan. Op die manier ontstaat – naast de monitor – een menukaart, of sociale kaart.
De zorgroutes die dit oplevert en het (positieve) resultaat ervan laat ik in deze beantwoording buiten beschouwing. Voor sport levert deze aanpak van monitoren – signaleren – doorleiden naar… interessante inzichten op. In de eerste plaats komen de kinderen duidelijk in beeld die niet participeren bij sport. Daar is gericht aanbod voor te bedenken. Ook is zichtbaar of deze groep wel reageert op het sport- en beweegaanbod. Op die manier voorkom je ook dat het naschoolse sportaanbod (over)bevolkt wordt door kinderen die allang sportactief zijn. Ook vanuit oogpunt van rendement van je investering in sport is dat handig. Daarnaast kan bijvoorbeeld een combinatiefunctie aanknopingspunten bieden bij de werving van kinderen. ‘Werf kinderen die nog niet sporten’ is een duidelijke opdracht als je er een lijstje met namen bij krijgt.
In Amsterdam bleek op de deelnemende (lage SES (=sociaal economische status)) scholen 70% van de kinderen niet te participeren bij georganiseerde sport (uitgangspunt: wekelijks actief). Het naschools aanbod en de sportbuurtwerkactiviteiten werden echter vooral door de 30% die wel sportactief was gevuld. Die 70% niet-participerende kinderen zijn echt niet allemaal zwaarlijvig of hebben een achterstand op gebied van bewegingsvaardigheden. Daar loopt zelfs ‘topsportpotentieel’ bij dat met een klein duwtje in de goede richting enorm veel plezier aan sport kan beleven, en omgekeerd ook. Die situatie zal in kleinere gemeenten waar de sportparticipatie aanmerkelijk beter is overigens wel anders zijn.
De monitor op zijn kop
Deze monitor die JUMP-in heeft opgezet gericht op ‘zorgkinderen’ kun je ook andersom hanteren. JUMP-in kijkt naar bewegingsvaardigheden, fysieke constitutie van kinderen en de omgeving. Met dezelfde informatie kun je kun je ook ‘potentiële toppers’ opsporen en een stimulans in de goede richting geven. Als je ouders en kinderen – met de boodschap dat het kind niet goed meekomt – bij de hand kunt nemen om naar de doktor en fysiotherapeut te brengen dan is het ook mogelijk om kinderen met aanleg voor sport bij een goede vereniging/coach onder te brengen en de ouders te overtuigen van het belang van ondersteuning. We hebben dat in Amsterdam op kleine schaal geprobeerd, vanuit de overtuiging dat je kinderen in een achterstandsituatie niet alleen moet benaderen met zorg maar ook perspectief moet bieden. En het blijkt te kunnen. Dit projectje, in de kantlijn van JUMP-in, werd een succes, met in korte tijd een aantal jeugdkampioenen.
Een dergelijke aanpak - een gerichte doelgroepbenadering op grond van monitoring, analyse daarvan en een per benoemde doelgroep vastgesteld doel – is volgens mij een voorwaarde voor effectief sportbeleid. In Nederland zijn intussen voldoende instrumenten ontwikkeld om dat ook werkelijk praktisch zo uit te voeren, of het nu gaat om beleid op zorgniveau of om toeleiding naar topsportbeoefening. Voor de eerste groep bestaat als uiterste vorm bijvoorbeeld ‘Alle leerlingen Actief’ (van NISB) waar leerlingen die als inactief zijn gesignaleerd via motiverende gespreksvoering worden aangezet tot bewegen. Voor de andere – en meer glimmende kant – van de medaille; een topgerichte aanpak vind je bijvoorbeeld KOSAC (ontwikkeld vanuit de VU) waarbij gesignaleerde leerlingen in een topsportcarrière worden gestimuleerd en begeleid, inclusief een test of de sporter wel in de juiste sport terecht is gekomen. Ook al een detail waar we wel eens vaker naar mogen kijken. Tussen die uitersten is van alles te vinden.
Een lang verhaal, maar met een positieve conclusie. Binnen programma’s als JUMP-in zijn veel aanknopingspunten te vinden voor breedtesport en toeleiding naar topsport.
Door het segmenteren van de doelgroep kun je kinderen gericht van juist advies en stimulans voorzien. Het is echter niet één op één kopieerbaar. De aanpak zal – lokaal - op maat moeten worden gemaakt en gecombineerd met andere bestaande instrumenten en ontwikkelingen. Dat vraagt om visie, creativiteit en kennis van zaken. Maar dat maakt de uitdaging er natuurlijk alleen maar leuker op.
Voor meer informatie over het algemene sportbeleid in Amsterdam klik hier en kijk op www.jumpin.nl
Volgende keer de vraag van Bertram Bouthoorn aan Erik Spiegelenberg, marketeer bij Nijha:In onze maatschappij is een tendens te zien waarin we veel (alles?) willen regelen en ieder risico proberen uit te sluiten. En lukt dat niet dan zullen we ons ertegen verzekeren. Een moderne beweegomgeving voor kinderen is allang geen park, strand of bos meer, maar een court of playground. Daar mag je op het rode veld basketballen, kun je in de blauwe zone skaten en op de groene ondergrond een balletje trappen (of net andersom). En in de zandbak kunnen links van de afscheiding taartjes worden gebakken en rechts mag worden geschept. Onder ieder muurtje liggen rubber tegels, want lang niet alle kinderen kunnen door hun knieën veren na een sprong en gehaaide juristen met claims over aansprakelijkheid liggen altijd op de loer (want ja, die verzekering stelt ook eisen). Toegegeven, het is wat gechargeerd. Natuurlijk voorkom je onrust op het schoolplein door de voetballers en de basketballers, de zandopscheppers en de taartenbakkers te scheiden. Het zijn toch Ajax- en Feyenoord-supporters in de dop? Of niet? En creëren we ze juist op deze manier? Want hoe leer je ooit overleggen als het voor je wordt geregeld. En waarom moeten je knieën veren als de vloer dat voor je doet? Heeft onze overgereguleerde omgeving het gewenste effect? Als we kinderen willen laten opgroeien tot onderhandelingsvaardige, zelfredzame personen, die het vermogen hebben risico’s te schatten en hun eigen grenzen kennen en ook durven trekken, is een omgeving waarin zoveel mogelijk wordt geregeld wel de juiste leeromgeving? Is het promoten van het goede gedrag door het slechte gedrag ‘weg te organiseren’ de juiste aanpak of slaan we de plank hiermee mis?
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.