Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
De vraag van antoinette laan aan maarten van bottenburg

De vraag van Antoinette Laan aan Maarten van Bottenburg

5 februari 2013

Opinie

De vraag van… Antoinette Laan, wethouder sport in Rotterdam
Aan… Maarten van Bottenburg, hoogleraar Sportontwikkeling aan de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap (USBO) van de Universiteit Utrecht

De vraag
Hoe zorgen we er in Nederland voor dat sportvoorzieningen interessant blijven voor jongeren die steeds meer in een 24-uurs economie leven en steeds meer online doen?

Het antwoord
In de tweede helft van de 20e eeuw zijn gunstige voorwaarden geschapen voor sportbeoefening door jongeren. Er is een uitgebreid netwerk van meer dan 25.000 sportverenigingen ontstaan. Anno 2013 telt een gemeente in Nederland gemiddeld meer dan zestig verenigingen. Vrijwel al deze verenigingen kunnen beschikken over een accommodatie om hun sport te organiseren, al dan niet in wedstrijd- en/of competitieverband. Tel daar de vele commerciële organisaties en de talloze publieke sportvoorzieningen van gemeenten bij op, en het wordt begrijpelijk dat Nederland in Europa – en ik vermoed de hele wereld – het land is met de hoogste tevredenheid over de mogelijkheden om in de omgeving te sporten of bewegen.

In de Rapportage Sport 2010 concluderen Remco Hoekman, Frans Knol en Hugo van der Poel dat afstand voor vrijwel niemand in Nederland een serieuze belemmering is om te sporten. Tachtig procent van de sporters heeft minder dan een kwartier nodig om bij de accommodatie te komen van de sport die zij het meest beoefenen. Onder 12 tot 17-jarigen gaat 77 procent van de sporters lopend of met de fiets naar deze accommodatie toe.

Deze gunstige voorwaarden liggen mede ten grondslag aan de hoge sportparticipatie onder jongeren. De cijfers zijn bekend maar worden in de verontrusting over het toenemend overgewicht wel eens vergeten: vrijwel alle jongeren doen wel eens aan sport. Rond de leeftijd van tien jaar doen kinderen het meest aan sport: meer dan 75 procent sport op die leeftijd vrijwel wekelijks. Daarna zakt de frequente sportbeoefening terug. Op 18-jarige leeftijd sport ongeveer de helft vrijwel wekelijks. Deze frequentie stabiliseert zich min of meer tijdens de verdere levensloop tot mensen de leeftijd van 65 bereiken.

Sinds de sportbeoefening onder de Nederlandse bevolking in 1975 periodiek wordt gemeten, is deze toegenomen. De hoge participatiegraad onder jongeren heeft zich de laatste tijd gestabiliseerd. Toch neemt de sportbeoefening verder toe, aangezien steeds meer volwassenen die sportbeoefeningscultuur met het ouder worden in stand houden. Wel is het verenigingslidmaatschap en de wedstrijd/competitiesport sinds de jaren negentig afgenomen; vooral onder jongeren van 12 jaar en ouder. Bovendien blijft er een gat zichtbaar tussen bevolkingsgroepen: hoe lager de opleiding, het inkomen en de sociale status van de wijk, hoe lager de sportdeelname; verschillen die in de loop van de tijd maar weinig zijn afgenomen. Ook onder immigrantengroepen is de sportbeoefening lager, vooral onder meisjes en vrouwen.

De sportbeoefening vertoont dus een opgaande lijn; ondanks de individualisering, commercialisering, informatisering en flexibilisering. Heeft de 24-uurseconomie en digitalisering dan helemaal geen invloed op het sportgedrag van jongeren? De impact van de 24-uurs economie is inderdaad beperkt. Er hebben zich slechts geringe wijzigingen voorgedaan in de feitelijke veranderingen in de dagindeling; zeker onder scholieren en studenten. In de afgelopen decennia zijn de schooltijden nauwelijks veranderd en is de omvang van de vrijetijd onder jongeren tot 16 jaar nagenoeg constant gebleven. Sporten vindt plaats op de woensdagmiddag, tijdens de avonden en in de weekenden. Boven de zestien jaar hebben mensen wel meerdere uren per week aan vrijetijd ingeleverd; onder jongeren vooral ook doordat zij steeds vaker een bijbaantje hebben ter financiering van hun veranderde levensstijl.

Maar die teruggang heeft geen effect gehad op de sportbeoefening: sterker nog, het gemiddeld aantal uren sportbeoefening per week nam in dezelfde periode juist toe. De invloed van de digitalisering grijpt dieper in. De mogelijkheden om informatie te verkrijgen, de vrijetijd online te besteden, en met elkaar te communiceren en af te spreken, zijn enorm toegenomen en vergemakkelijkt. De leefwereld van jongeren is hierdoor drukker en voller geworden. Het arsenaal aan vrijetijdsbestedingen is groter dan ooit, met sportbeoefening als één van de opties. Tegelijkertijd biedt die digitalisering nieuwe kansen om sportbeoefening mogelijk te maken. Onderlinge afspraken om te sporten komen gemakkelijker en sneller tot stand. Sportaanbieders kunnen hun informatie gemakkelijker en directer kwijt en kunnen daardoor in beginsel beter inspelen op een flexibilisering aan de vraagzijde.

Is het dan allemaal hosanna? Kunnen beleidsmakers rustig achterover leunen omdat de sportbeoefening onbedreigd verder groeit? Helaas, zo is het niet. Er doen zich verschillende ontwikkelingen voor die de hoge graad van sportbeoefening in Nederland onder jongeren bedreigen. Op gemeentelijk niveau betreft dat onder meer de demografische krimp in plattelandsgebieden en de bevolkingsverdichting in stedelijke regio’s. Waar sprake is van krimp dreigt het voorzieningenniveau achteruit te gaan, waardoor ook de bereikbaarheid van sportaccommodaties onder druk komt te staan. In stedelijke gebieden kan de bereikbaarheid en beschikbaarheid van sportvoorzieningen eveneens afnemen; hier juist doordat de ruimte schaarser wordt.

Dit wordt versterkt wanneer het gemeentelijk beleid erop is gericht om de diversiteit aan kleinere sportaccommodaties in de buurt of wijk in te ruilen voor grotere sportcomplexen op een beperkt aantal strategische locaties. Het intensieve gebruik van Krajicek Playgrounds en Cruyff Courts geeft de grote behoefte aan voor jongeren om in hun directe leefomgeving te kunnen sporten. Hiervan getuigt ook de opkomst van nieuwe street sports die gebruik maken van de beschikbare stedelijke omstandigheden.

Daarnaast zijn veel sportorganisaties die over sportvoorzieningen beschikken nog onvoldoende aangepast aan de toenemende veelzijdigheid en flexibiliteit in het vrijetijdsgedrag. De beschikbare vrijetijd neemt weinig af, maar de mogelijkheden die jongeren hebben om deze in te vullen groeit enorm, waarbij sportbeoefening slechts één van de vele opties is. Wel kunnen zij sneller kiezen, contact leggen en vriendengroepen mobiliseren om de vrijetijd zo flexibel mogelijk naar de hand te zetten en zodoende optimaal te benutten.

Daarmee is de instandhouding van de sportbeoefening vooral een organisatievraagstuk geworden. Het netwerk van sportvoorzieningen in Nederland is internationaal toonaangevend. Een eerste opdracht is om de waarde van die voorzieningen in te zien en te beschermen. Een tweede opdracht is om die voorzieningen op een zodanige manier te moderniseren dat de beschikbaarheid wordt aangepast aan de veranderende leefwereld van jongeren. Dat vraagt om een grotere openheid en flexibiliteit van bestaande voorzieningen; en meer interactie met die jongeren om op hun wensen en behoefte in te spelen. Het leven in een gedigitaliseerde 24-uurs economie is daarbij net zo goed een kans als een bedreiging.

Volgende keer de vraag van Johan Wakkie aan Jet Bussemaker, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap:
Vindt u het wenselijk om de terreinen sport en cultuur (nog) meer in samenhang met elkaar te gaan verbinden en zo ja op welke manier(en) bent u dat van plan?

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.