27 juni 2023
Opinie
door: Margo Vliegenthart
Conny Helder, minister voor Langdurige Zorg en Sport, werkt momenteel aan een wetsvoorstel waarmee sport in Nederland toekomstbestendig georganiseerd gaat worden. Dat zal uitmonden in een zogenoemde sportwet waarin de verantwoordelijkheid voor overheden vastgelegd. Aan het proces om te komen tot een sportwet ging een lang traject vooraf, de roep om een specifieke sportwet was er al eind vorige eeuw. Voor een stevige verankering van het sportbeleid en de sportsector zelf en voor een duidelijke regeling van bestuurlijke verantwoordelijkheden, doelen, financiering en instrumenten is een wettelijke regeling onontbeerlijk.
In de jaren zeventig en begin tachtig van de vorige eeuw waren er rijksbijdrageregelingen op basis waarvan gemeenten en provincies voor bepaalde taken gesubsidieerd werden door het rijk (via specifieke uitkeringen) en er waren gedetailleerde begrotingsartikelen sport in de Rijksbegroting. In 1984-86 zijn die rijksbijdrageregelingen samengevoegd in de Welzijnswet met één brede doeluitkering aan gemeenten en provincies (met 20% korting). In die Welzijnswet waren taken en verantwoordelijkheden van de drie bestuurslagen op het brede welzijnsterrein vastgelegd. Van onder meer algemeen maatschappelijk werk, gezinsverzorging, sociaal cultureel werk, bibliotheken, kunstzinnige vorming, club en buurthuizen, jeugdbeleid en ook sport.
Daarbij had het rijk de landelijke taken (onder meer financiering sportbonden, bijdragen aan sporttechnisch kader, onderzoek etc.), gemeenten uitvoerende taken (o.m. accommodatiebeleid etc.) en provincie ondersteunende en bovenlokale taken (via provinciale sportraden). De wet schreef voor dat de overheid elke vier jaar een beleidsnota met haar visie en voornemens formuleerde. Na de decentralisatie werd de beleidsvrijheid voor gemeenten groter en konden zij gaan schuiven met geld tussen de verschillende welzijnssectoren.
Verantwoordelijkheid verdwenen
Een paar jaar later, zijn de doeluitkeringen geïntegreerd in het gemeentefonds en provinciefonds en is er volledige beleidsvrijheid voor de overheden ontstaan. Ook toen weer met een 20% korting. Er is dus een ontwikkeling geweest in minder dan tien jaar (onder invloed van een overheid die sterk moest bezuinigen) waarin zeer specifiek geregelde (semi-wettelijke) verantwoordelijkheden en geldstromen gedecentraliseerd en 'ontregeld' zijn. Daarmee was ook de expliciete verantwoordelijkheid(-sverdeling) van en tussen overheden op het gebied van sport weg.
Omdat die brede decentralisatie geleidelijk tot ontevredenheid leidde over intergemeentelijke verschillen en rechtsongelijkheid voor burgers is er specifieke wetgeving tot stand gekomen, bijvoorbeeld zorgwetgeving/WMO, cultuurwetgeving, wet op de kinderopvang, jeugdgezondheidszorg etc. De sport was toen een van de weinige sectoren die geen eigen wettelijk kader kreeg. De sector mist daardoor een expliciete bestuurlijke verantwoordelijkheid, gestructureerd beleid, geen vaste financieringsgrondslag etc. Het publieke belang van de sector vroeg daar wel om.
Sportwet wenselijk
Als je die historische ontwikkeling dus breder bekijkt is het heel erg logisch (zeker in het licht van de Europese discussie) om ook voor de sportsector specifieke wetgeving te ontwikkelen waarin verantwoordelijkheden van overheden gedefinieerd zijn en waarin vanuit het publieke belang van de sport de wettelijke grondslag gedefinieerd wordt voor subsidiering van bepaalde doelen/taken en voorzieningen. Dit betekent niet dat de overheid de verantwoordelijkheid van maatschappelijke organisaties overneemt maar dat ze deze faciliteert. De wet regelt de doelstelling, de financiële relatie tussen rijk en provincies/gemeenten op het gebied van sport en de mate van beleidsvrijheid.
Het laat onverlet dat maatschappelijke organisaties als verenigingen en sportbonden hun belangrijke functie behouden en dat burgers een bijdrage blijven betalen. Maar een wettelijke verantwoordelijkheid en een publieke opdracht zal zonder meer bijdragen aan een actiever en integraler sportbeleid. En met als niet onbelangrijk effect dat de verantwoordelijke minister of wethouder verantwoording moet afleggen over de wijze waarop hij/zij uitvoering geeft aan de wettelijke taak.
Doel van de wet moet zijn het borgen van het publieke belang van de sport (dus de maatschappelijke voordelen op het gebied van ontwikkeling, gezondheid, sociale vorming, integratie en emancipatie etc.). In algemene zin zou dus het bevorderen van sportdeelname en het bewaken van toegankelijkheid, beschikbaarheid en kwaliteit het beleidsdoel moeten zijn, want dat is dienstbaar voor al die verschillende aspecten van het publieke belang. Voor een effectief en krachtig gecoördineerd beleid is één geldstroom met een goed geformuleerde wettelijke opdracht aan te bevelen. Met één uitzondering en dat is gymnastiek op school, dat hoort in het pakket en de kerntaken van het onderwijs tot 18 jaar. Juist die brede definitie van het publieke belang van sport maakt dat de overheid er meer voor over zou moeten hebben.
Een integrale verantwoordelijkheid leidt tot een samenhangend sportbeleid in plaats van het huidige projectenbeleid met verschillende (vaak tijdelijke) projecten vanuit diverse invalshoeken. Voor andere departementen en actoren is sport een bijzaak die nooit prioritair is en daarmee ontbreekt bovendien de samenhang tussen verschillende invalshoeken. En niet onderschat moet worden hoeveel uitvoeringslast een dergelijk gefragmenteerde situatie geeft voor sportaanbieders, die op allerlei plekken subsidie moeten aanvragen.
Preventie en leefstijl en de rol van verzekeraars
Vaak wordt aangegeven dat verzekeraars meer zouden moeten bijdragen vanuit het belang dat zij hebben bij preventie en een gezonde leefstijl. Die redenering lijkt logisch, maar het verzekeringsstelsel is zo geordend dat er geen prikkel in zit om te investeren in preventie. Allereerst is de publieke gezondheid en preventie een taak van de overheid en is niet verankerd in het zorgverzekeringsstelsel. Daarnaast betekent het onderscheid tussen basisverzekering en aanvullende verzekering dat eventuele baten en kosten in een verschillend domein vallen en niet tegen elkaar mogen worden weggestreept. Het loont dus simpelweg niet voor verzekeraars.
Het is een illusie om te denken dat een grootschaliger en meer algemene investering in sport en bewegen met de huidige zorgwetgeving tot stand gaat komen. Daarentegen heeft de overheid wel belang bij kostenbeheersing in de zorg, dus gezonde leefstijl staat inmiddels iets hoger op de agenda. Er is ook steeds meer bewijs voor de positieve cognitieve effecten van sport en bewegen. Het is echt onbegrijpelijk én kortzichtig dat de overheid niet veel forser investeert in bevordering van sportparticipatie, de buurtsportcoaches een stevige plek geeft en in een versterking van de sportinfrastructuur en niet in de laatste plaats door meer sport op school.
Sport = basisvoorziening
In mijn opvatting is sport dus een basisvoorziening omdát het vele maatschappelijke doelen dient. Omdat dat niet alomvattend zal kunnen zijn, maar wel aanzienlijk ruimer dan het beleid op dit moment, zal er ook altijd ruimte zijn voor marktinitiatieven. De discussie moet dus niet zijn markt óf overheid, maar overheid én markt en de verhouding daartussen. Bovendien zal de uitvoering altijd plaatsvinden door private (deels gesubsidieerde) organisaties niet anders dan nu het geval is.
De overheid zou mijns inziens verantwoordelijk moeten zijn voor de voorwaarden waaronder iedereen kan sporten, zoals de infrastructuur/accommodaties, toegankelijkheid in de zin van beschikbaar en betaalbaar, kwaliteit en veiligheid. De rijksoverheid voor specifieke (internationale) topsportaccommodaties (o.a. Thialf, Zwembad Eindhoven, topsporthal Apeldoorn, Rotterdam).
De gemeenten zullen een lokaal accommodatiebeleid moeten hebben voor de verenigingssport en algemeen toegankelijke sportvoorzieningen (zwembaden, ijsbanen, urban sports etc.). Het waarborgen van beschikbaarheid, kwaliteit en toegankelijkheid hoort daarbij, waarbij de prijs voor jeugdsport en specifieke doelgroepen aanzienlijk lager ligt zodat voor hen geen drempel bestaat. Verenigingen worden daartoe gesubsidieerd en andere sportaanbieders die voor de omschreven specifieke doelgroepen een aanbod hebben kunnen daarvoor eveneens gesubsidieerd worden. Publieke kaders dus met private uitvoering door zowel verenigingen als andere sportaanbieders.
De tijd is rijp, op naar een sportwet.
Margo Vliegenthart schreef deze column op persoonlijke titel. Zij is momenteel voorzitter van de Raad van Toezicht van de WOS (Werkgevers in de Sport). Van 1998 tot 2002 was zij staatssecretaris Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daarnaast was zij onder meer vicevoorzitter van de KNLTB, voorzitter van de Raad van Commissarissen van Rabo Wielerploegen, voorzitter van het Auditteam Voetbalvandalisme, lid van de Raad van Advies van Universitair Centrum Sportgeneeskunde, voorzitter van de Stuurgroep Sectorplan Sportonderzoek en lid van de ‘klankbordgroep topcoaches’ van NOC*NSF.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.