Ik sta in de gymzaal van een basisschool in Assen. De tl-balken brommen zacht, een bal stuitert na op de pulastic-vloer. Kinderen staan in een kring. Een juf, vakleerkracht, moet ik zeggen, legt met speelse ernst een nieuwe tikvorm uit. Een jongen met een motorische achterstand krijgt een subtiele aanpassing, zodat hij volwaardig mee kan doen. Hij lacht.
Het is dinsdagochtend, twintig over tien en ik denk: hier gebeurt het dus. Hier zie je de contouren van wat er sinds 2015 is opgebouwd. En ook wat we dreigen te verliezen, als we nu niet durven kiezen.
20 januari 2026
Opinie
In 2015 schreef ik over de noodzaak van een vakleerkracht nieuwe stijl. Niet als gymmeester-met-fluit, maar als leider, verbinder en aanjager van kwaliteit. Wat zagen we toen? Kinderen met motorische achterstanden. Bewegingsonderwijs dat werd gegeven door wie toevallig beschikbaar was, geen samenhang, geen eigenaarschap. Sport- en onderwijsbeleid ontmoetten elkaar hooguit bij de koffieautomaat. Wat we toen zagen, was het gevolg van een systeem zonder fundament. Destijds was mijn boodschap simpel: niet nog meer praten over Lichamelijke Opvoeding en sport, maar doen.
"De gymzaal is een mini-maatschappij, theorie in praktijk, een plek waar kinderen leren vallen, opstaan en opnieuw beginnen"
Peter van Tarel
Tien jaar later is er reden tot optimisme. Het Nationale Sportakkoord van 2018 markeerde een kentering, van beleidskaders naar dagelijkse praktijk, van losse projecten naar samenhangende processen. Gemeenten, sportbonden, zorginstellingen en scholen tekenden gezamenlijk voor beweging, letterlijk en figuurlijk.
Het resultaat is zichtbaar. Sport staat niet langer aan de zijkant van beleid. Het komt terug in coalitieprogramma’s, beleidsnota’s en – belangrijker nog – in de praktijk, in buurten, op schoolpleinen en in sporthallen. Er werd geïnvesteerd via landelijke middelen, duidelijke ambities en professionele ondersteuning, zoals verwoord in de Sportagenda 2032.
De kern van die ontwikkeling ligt in de lichamelijke opvoeding, het scharnierpunt waar preventie, persoonlijke ontwikkeling en sportdeelname samenkomen. Het is de enige plek waar alle kinderen structureel in beweging komen, ongeacht achtergrond, inkomen of thuissituatie. Niet omdat ze ervoor kiezen, maar omdat we dat als samenleving belangrijk vinden. Juist daarin schuilt de kracht.
In de gymzaal gebeurt meer dan bewegen. Kinderen leren omgaan met spanning en ontspanning, met winnen en verliezen, met hun eigen lijf, hun grenzen en die van anderen. Ze bouwen zelfvertrouwen op door iets te kunnen wat gisteren nog niet lukte. Ze leren dat falen slechts een tussenstap is en ze mogen meebeslissen over regels, omgangsvormen en spellen.
Laat dat nu net ook de praktische kant van burgerschap zijn, tegenwoordig een verplicht vak. Nergens komt het zo tastbaar tot leven als in de gymzaal: samenwerken; regels respecteren; omgaan met verschillen; je uitspreken naar de ander. De gymzaal is een mini-maatschappij, theorie in praktijk, een plek waar kinderen leren vallen, opstaan en opnieuw beginnen, begeleid door iemand die weet wat hij doet. Dat ís maatschappelijke vorming.
Dit alles maakt lichamelijke opvoeding bij uitstek preventief, een dagelijks oefenterrein voor zelfregulatie, weerbaarheid en sociale vaardigheden. In een tijd waarin landelijke en internationale monitoren laten zien dat mentale druk en stress onder kinderen en jongeren toenemen, is die preventieve werking geen bijzaak, maar noodzaak. Vanuit die basis ontstaat ook een gezondere leefstijl, door kinderen te laten ervaren dat bewegen normaal is, dat inspanning erbij hoort, dat plezier en moeite samen kunnen gaan.
Assen: geen blauwdruk, wel bewijs
De situatie in Assen is geen uitzondering en geen blauwdruk. Het laat wel zien wat er mogelijk is wanneer visie, vertrouwen en uitvoering structureel samenkomen.
Tien jaar geleden was Assen een voorbeeld van versnippering en bewegingsarmoede. En nu:
Die uitvoeringskracht zie je ook terug in de gymzaal zelf. In Assen zijn veel vakleerkrachten bewegingsonderwijs opgeleid om te werken met het Nijntje Beweegdiploma, dat zij integreren in hun reguliere lessen. Het is daarmee geen los project, maar een onderdeel van het dagelijkse bewegingsonderwijs. Motorische ontwikkeling wordt zo vroeg en structureel gevolgd en gestimuleerd, zonder kinderen te labelen of apart te zetten. Preventie krijgt vorm binnen het gewone onderwijs, gedragen door professionals die weten wat ze doen. Dit laat zien: visie werkt als zij landt in de praktijk.
"Sportbeleid wordt pas maatschappelijk waardevol wanneer de enorme kracht van vrijwilligers wordt gedragen door structurele professionele ondersteuning"
Peter van Tarel
Vanuit die stevige basis ontstaat ook de verbinding met sportverenigingen, als verlengstuk van de gymles voor kinderen die meer willen, meer kunnen of meer nodig hebben. Sportverenigingen draaien op vrijwilligers, mensen die in hun vrije tijd trainingen geven, teams begeleiden, bardiensten draaien en kinderen opvangen. Dat is geen vanzelfsprekendheid. Dat is betrokkenheid, verantwoordelijkheid en gemeenschapszin. Juist omdat de inzet vrijwillig is, moet die niet de ruggengraat van het systeem dragen. Vrijwilligers kunnen sport laten leven. Ze kunnen geen structuur garanderen in een omgeving die steeds complexer wordt, met meer maatschappelijke verwachtingen, zorgvragen en regelgeving. Daarom is professionele ondersteuning een randvoorwaarde.
Precies op het moment dat deze structuur staat, ontstaat onzekerheid. Het Sportakkoord loopt af. Er is nog geen duidelijkheid over een vervolg. Daarmee komt ook de clubondersteuning onder druk te staan en dat is juist de ondersteuning die de verbinding legt tussen school, sportvereniging, zorg en beleid. Tegelijkertijd kijken gemeenten aan tegen een financieel ravijnjaar. Extra investeren in sport, bewegen en lichamelijke opvoeding ligt dan niet voor de hand. Dat is begrijpelijk, maar ook riskant want hier ligt de kern: Sportbeleid wordt pas maatschappelijk waardevol wanneer de enorme kracht van vrijwilligers wordt gedragen door structurele professionele ondersteuning.
Zonder borging verschuift sport van fundament naar bijzaak, van structuur naar project, van samenhang naar losse eindjes. Dan komt de druk weer terecht bij mensen die het al doen naast hun werk, hun gezin en hun eigen leven. Dan wordt sport opnieuw selectief, preventie versnipperd en persoonlijke ontwikkeling afhankelijk van toeval.
Professionals en vrijwilligers staan hier niet tegenover elkaar. Ze hebben elkaar nodig. De één zorgt voor continuïteit, afstemming en verbinding, de ander voor aanbod, betrokkenheid en aandacht. Alleen samen wordt sport de maatschappelijke kracht die we ervan vragen.
Verbinding lijkt inmiddels een toverwoord dat in ieder beleidsstuk meermaals voorkomt, maar het is niet ingewikkeld. Het gaat om elkaar kennen, ambities delen en aangeven wat jij kan inbrengen om die te realiseren. Dat moet concreet en duidelijk, want zonder uitvoeringskracht blijft het bij intenties.
Vergelijk het met volleybal: hoe meer spelers in het veld, hoe groter de kans op misverstanden. Bij beachvolleybal zijn er slechts twee spelers met één conflictgebied. Bij zaalvolleybal zijn er zes spelers met veel conflictgebieden. Zonder heldere afstemming valt de bal tussen mensen in of lopen ze tegen elkaar op. Ook in sportbeleid zijn rolduidelijkheid, continuïteit en professionele aanwezigheid cruciaal om versnippering te voorkomen.
"De vraag is: Durven we sport en bewegen ook in financieel moeilijke tijden te blijven behandelen als een essentiële publieke voorziening?"
Peter van Tarel
De vraag richting de periode na 2026 is uiteraard niet of sport belangrijk is. Die discussie hebben we gehad. De vraag is: Durven we sport en bewegen ook in financieel moeilijke tijden te blijven behandelen als een essentiële publieke voorziening?
Wat moeten we vasthouden?
Wat moet anders?
Sport moet niet alleen zichtbaar zijn, sport moet onmisbaar worden. Ik vraag wederom niet om méér plannen. Wel om vast te houden aan wat werkt.
Het meisje struikelt. De vakleerkracht stapt op haar af: één zin, een lach, een nieuwe poging. Geen beleidskader, geen subsidieformulier. Gewoon iemand die er is en weet wat hij doet, op dat moment. Dat is waar het begint en precies dat mogen we nu niet loslaten.
Peter van Tarel is Manager Sportontwikkeling bij de Nederlandse Volleybalbond (Nevobo). Sinds 1999 werkt hij op het snijvlak van sportbeleid en praktijk en is hij verantwoordelijk voor de ontwikkeling van jeugd- en breedtesport, opleidingen en programma’s die sport verbinden met onderwijs en maatschappelijke opgaven. Daarnaast is hij lid van de Empowerment Commission van de wereldvolleybalbond (FIVB), die zich richt op het versterken van nationale volleybalbonden wereldwijd.
Deel dit bericht:
Door: Peter van Tarel
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.