14 december 2010
Opinie
Op 1 januari is het weer zo ver: een nieuw jaar breekt aan en een nieuwe Dopinglijst wordt van kracht. Voor anti-dopingorganisaties is de jaarwisseling altijd weer belangrijk, maar zeker niet revolutionair: de Dopinglijst 2011 is namelijk voor 99% gelijk aan de Dopinglijst 2010. De lijst wordt weliswaar jaarlijks herzien, maar tot radicale veranderingen leidt dat in de praktijk nauwelijks. Er is veeleer sprake van een heel geleidelijke ontwikkeling, waarbij de actuele Dopinglijst gezien kan worden als een product waarin meer dan veertig jaar antidopingbeleid is neergeslagen. De omvang van de lijst is overigens al zo’n tien jaar vrijwel gelijk gebleven, omdat er de laatste jaren nog maar weinig stoffen en methoden aan werden toegevoegd, en er ook nog wel eens iets vanaf gaat.
In de jaren zestig van de vorige eeuw kwamen de eerste dopinglijsten tot stand. In eerste instantie onder verantwoordelijkheid van een aantal Internationale federaties, die elk hun eigen lijst samenstelden. Die vroege lijsten waren een stuk korter dan de huidige. Enerzijds omdat er nog maar weinig kennis beschikbaar was over stoffen die een de prestatiebevorderende werking (kunnen) hebben. En anderzijds omdat er ook veel minder middelen beschikbaar (en dus verboden) waren dan tegenwoordig het geval is.
In de loop der jaren werden de lijsten dus langer. Bovendien werd gepoogd om meer eenheid te brengen in de veelheid aan lijsten. Het IOC speelde hierin een belangrijke rol door het opstellen van ‘de’ IOC-dopinglijst, die in de praktijk door een groot deel van de federaties werd overgenomen. Maar omdat dit op vrijwillige basis gebeurde, bleven er verschillen bestaan tussen sporten en tussen landen. Pas sinds de inwerkingtreding van de World Anti-Doping Code in 2004 is sprake van daadwerkelijke mondiale eenheid, al kent ook de huidige lijst nog een aparte categorie ‘Stoffen die verboden zijn in bepaalde sporten’. Daar is te vinden in welke sporten bepaalde stoffen die in het algemeen zijn toegestaan, toch verboden zijn.
Het feit dat de Dopinglijst - zoals gezegd - eigenlijk heel stabiel is, wil niet zeggen dat er niet uitgebreid over de samenstelling van de lijst gediscussieerd wordt. Er is sprake van een publiek debat - meestal naar aanleiding van een bepaalde dopingzaak - maar vooral ook van een debat tussen sport- en antidopingorganisaties onderling. Jaarlijks worden alle (momenteel zo’n 650) Stakeholders van de World Anti-Doping Code in staat gesteld om commentaar te leveren op de conceptlijst voor het volgende jaar, en een deel van die Stakeholders besteedt daar veel tijd en energie aan. Ook Nederland levert jaarlijks commentaar op het concept, de laatste jaren in de vorm van een gezamenlijke bijdrage van het ministerie van VWS, NOC*NSF, de Atletencommissie en de Dopingautoriteit. Het Nederlandse commentaar wordt jaarlijks ook openbaar gemaakt, dus voor wie zich erin wil verdiepen: een samenvatting van ons laatste commentaar is hier te vinden. Vanaf die plaats kan de lezer die alle details wil weten doorklikken naar het volledige commentaar zoals dat aan WADA gezonden is.
Globaal laten zich in alle commentaren en discussies drie rode lijnen onderscheiden, en wel:
1. Wat moet er op de lijst?
2. Wat zijn de consequenties van het op de lijst plaatsen?
3. Hoe kunnen we het systeem waarbinnen de lijst tot stand komt verbeteren?
1. Wat moet er op de lijst?
Er zijn drie criteria om een stof of methode op de Dopinglijst te plaatsen, namelijk:
I. Kan de stof of methode prestatiebevorderend werken?
II. Kan de stof of methode gezondheidsschade opleveren?
III. Is gebruik van de stof of methode in strijd met ‘de geest van de sport’?
Aan twee van deze drie criteria moet voldaan zijn om een stof of methode op de Dopinglijst te plaatsen. Uiteraard staan deze criteria - en de wijze waarop ze worden gehanteerd - ook volop ter discussie (zeker het laatste criterium!), maar niets wijst erop dat deze tamelijk fundamentele criteria snel aangepast zullen worden. We zullen dus ook met het derde criterium nog wel een tijd moeten leven.
In de praktijk blijkt de toepassing van deze criteria bepaald niet eenvoudig te zijn. Dat is om te beginnen al zo omdat er in veel gevallen weinig wetenschappelijk onderzoek is gedaan naar de (mogelijke) prestatiebevordering of gezondheidsschade van bepaalde stoffen of methoden. De lijst is nogal lang, en het is ten ene male onmogelijk (en onbetaalbaar) om voor elke stof of methode specifiek en grootschalig wetenschappelijk onderzoek te doen om deze effecten eenduidig te bewijzen of uit te sluiten.
Dit geldt haast nog sterker voor het meten van gezondheidsschade, want die kan tientallen jaren na het gebruik pas aan het licht komen. Daar komt nog eens bij dat als de beschikbaarheid van wetenschappelijk bewijs een voorwaarde zou zijn om iets op de lijst te plaatsen, dit automatisch zou betekenen dat nieuwe stoffen of methoden jarenlang ongestraft gebruikt zouden kunnen worden voordat er sprake zou kunnen zijn van een verbod. Wetenschappelijk onderzoek kost immers tijd.
In de praktijk wordt dan ook veel gewerkt met aannames over de werking en schadelijkheid van stoffen en methoden. En die aannames zijn dan weer gebaseerd op wat we meer in het algemeen weten over de menselijke fysiologie en endocrinologie. Simpel gezegd: als we bijvoorbeeld van stimulantia weten dat ze vermoeidheid verdrijven (en dus prestatiebevorderend kunnen worden toegepast) hoeft dat niet voor elke aparte stof in deze categorie te worden onderzocht en bewezen.
Bij dit alles moet bedacht worden dat de lijst voor alle sporten geldt, zodat de kernvraag is of die werking en schadelijkheid ergens binnen de totale sport mogelijk zijn. Als een sporter positief bevonden is, wordt door pers en publiek vaak de vraag gesteld of die bepaalde stof bij de specifieke sporter wel ‘werkt’. Maar de harmonisatie van het antidopingbeleid maakt dat die vraag niet meer relevant is om te bepalen of er een dopingovertreding begaan is (al kan de vraag wel een rol spelen bij het bepalen van de sanctie, maar dat is een andere kwestie). Het lijdt geen twijfel dat sporters dopinggeduide middelen gebruiken die in hun eigen praktijk geen voordeel opleveren. Sterker nog: van een aantal middelen is bekend dat ze juist een negatief effect hebben op bepaalde sportprestaties. Zo kunnen anabolen bijvoorbeeld helpen bij spieropbouw of bij het herstellen van trainingsinspanningen en blessures, maar bij duursporters werken ze in het algemeen contraproductief. Dat groepen duursporters toch stellig menen dat ze er baat bij hebben, kan alleen door het placebo-effect verklaard worden, een onderwerp waar jammer genoeg maar weinig over bekend is. Het feit dat een stof op de lijst staat kan dit effect nog versterken, want sommige sporters menen ‘dat het dus wel zal werken’, zonder dat daar in hun specifieke tak van sport sprake van hoeft te zijn.
2. Wat zijn de consequenties van het op de lijst plaatsen?
Plaatsing van een stof of methode op de lijst heeft uiteraard consequenties, maar hoe ingrijpend die zijn verschilt van geval tot geval. En dan gaat het ons vooral om de consequenties voor de goedbedoelende ‘schone’ sporter. Zo staat gendoping sinds 2004 op de lijst, maar dat verbod heeft voor het overgrote deel van de sporters geen enkele consequentie: het is niet waarschijnlijk dat een sporter ‘per ongeluk’ lichaamsvreemd genetisch materiaal in zijn lichaam krijgt en in de praktijk van alledag hoeft geen enkele sporter hier wakker van te liggen (al verdienen vooral jeugdige sporters in dit opzicht uiteraard bescherming). En de nieuwe categorie ‘Non approved substances’ die vanaf 1 januari 2011 aan de lijst is toegevoegd zal naar verwachting evenmin voor veel praktische problemen zorgen. Dit betreft namelijk een verbod op het gebruik van (nieuwe) medicijnen die (nog) niet tot de markt zijn toegelaten, en dat zijn ook geen middelen waar je als gewoon mens dagelijks over struikelt.
Heel anders ligt het bijvoorbeeld met een stofje als Metylhexanamine. Dit is een stimulantium dat op basis van de lijstcriteria op de Dopinglijst thuishoort, maar waarbij een groot risico bestaat dat de stof onbedoeld in het lichaam van een sporter terechtkomt. In tegenstelling tot vrijwel alle andere dopinggeduide stoffen is deze stof namelijk in veel landen - waaronder Nederland - legaal en wordt het mede daarom volop verwerkt in voedingssupplementen, veelal onder de alternatieve naam geranamine. Een ander aansprekend voorbeeld is cocaïne, waarvan de plaatsing op de lijst prima te verklaren is aan de hand van de lijstcriteria, maar dat in de praktijk toch vooral de aandacht trekt omdat sporters aangeven de stof gebruikt te hebben als ‘partydrug’ en niet in directe relatie tot hun sport. Deze twee voorbeelden kunnen met vele andere worden aangevuld.
Het ‘omgaan met’ de consequenties die de aanwezigheid van bepaalde stoffen op de Dopinglijst voor sporters kunnen hebben, vormt min of meer een dagelijks dilemma voor antidopingorganisaties. Hoe voorkom je misbruik van middelen en voorkom je tegelijkertijd zoveel mogelijk dat goedbedoelende sporters door het verbod onevenredig hard geraakt worden (met daarbij de zekerheid dat bewuste gebruikers zich vrijwel per definitie beroepen op vervuilingen en andere ‘ongelukken’)? En hoe handhaaf je een verbod zonder daarmee onnodig in het privéleven van sporters te treden (met daarbij de zekerheid dat sport en privé meestal volledig door elkaar lopen)? En hoe ga je met dit alles om als een sporter eenmaal positief bevonden is, en er dus onvermijdelijk een tuchtprocedure volgt waarin de dopingregels (moeten) worden toegepast? De huidige situatie is zeker niet ideaal, maar de materie is extreem complex en binnen het mondiale kader is het nog niet gelukt om alternatieve oplossingen te vinden die ook op voldoende steun bij de Stakeholders kunnen rekenen.
3. Hoe kunnen we het systeem waarbinnen de lijst tot stand komt verbeteren?
De dilemma’s zijn groot en de belangen van de sporters zijn dat des te meer. Het fundamentele belang van mondiaal geharmoniseerde regels is dat alle sporters (moeten) weten waar ze aan toe zijn. In een wereld waarin alle sporten en alle landen hun eigen regels stellen is dat gewoon onmogelijk. Wat elk land en elke sport in het belang van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid van sporters uiteraard wel opgeeft, is het recht om naar eigen inzicht te handelen.
Om die consequentie te kunnen dragen is het wenselijk dat in ieder geval duidelijk is hoe de mondiale regels exact tot stand komen, en de Dopinglijst speelt daarbij natuurlijke een sleutelrol. Nederland pleit daarom voor een zo volledig mogelijke transparantie van het hele consultatie- en besluitvormingsproces rondom de Dopinglijst (wat overigens ook een van de redenen is om ons eigen commentaar openbaar te maken).
De herzieningsprocedure rondom de World Anti-Doping Code zelf is momenteel transparanter dan die rondom de lijst: alle commentaren van alle Stakeholders op het concept van een nieuwe Code worden door WADA gepubliceerd, zodat iedereen kan lezen welke standpunten er zijn ingebracht en wat daarvan is terecht gekomen. Met betrekking tot de lijst is het nog niet zo ver. Er zijn overigens zeker valide argumenten die tegen volledige transparantie pleiten, waarvan de belangrijkste wel is dat alle informatie over de werking van stoffen die openbaar wordt gemaakt, kan en zal worden misbruikt. Het is nu eenmaal zo dat - naast de overgrote meerderheid van sporters die hun sport eerlijk willen bedrijven - er een kleine minderheid is die er anders mee omgaat.
Herman Ram is vanaf 1 mei 2006 directeur van de Stichting Anti-Doping Autoriteit Nederland. Daarvoor was hij ruim zes jaar directeur van de Nederlandse Ski Vereniging. Eerder was hij directeur van de badmintonbond (van 1994 tot 2000) en de schaakbond (van 1992 tot 1994).Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.