Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
De coach gildemeester wetenschapper of visionair

De coach: gildemeester, wetenschapper of visionair?

5 november 2013

Opinie

Gildemeester, wetenschapper of visionair?
Nederland heeft een zeer rijke historie aan succesvolle en innovatieve trainers en coaches. En nog steeds zijn onze atleten bij vele sporten, zowel op prof- als amateurniveau, mede door deze experts in staat uitstekende prestaties neer te zetten. Maar blijft dat ook zo? Of moeten we in Nederland nog meer gaan investeren in de kwaliteit van het coachen en begeleiden van (top)sporters? In het boek 'SportCoachNL – Gildemeester, Wetenschapper of Visionair?' geven vanuit de nieuwsgierige vraagstelling van een outsider 22 mensen, die op wat voor manier ook met sport en coaching te maken hebben, een visie op coachen in de (top)sport. Ieder met zijn of haar eigen carrière als uitgangspunt.


door: Nick van Sinderen en Cees Vervoorn

Ons boek 'SportCoachNL – Gildemeester, Wetenschapper of Visionair?' bevat de weergave van een aantal gesprekken die door een ‘buitenstaander’ zijn gevoerd met kopstukken uit de topsport. Een schat aan inzichten, uitspraken en ervaringen zijn aan het papier toevertrouwd en vormen volgens ons een fascinerende inkijk in wat de topsporter en zijn begeleiders beweegt. Het is geschreven vanuit passie voor sport en daardoor ongepolijst. Zonder deze passie zou de topsport niet zijn wat het is! In deze column volgen een paar facetten die het boek interessant maken maar ook bijdragen aan en een licht werpen op bredere discussies die al langer worden gevoerd.

Gymnastiek?
‘Verbeter de lichamelijke opvoeding, kijk naar de topsport’ begint Max Koops zijn interview. Koops is de opleider van een groot aantal topcoaches en trainers in Nederland en hij refereert aan een congres in 1980 dat in zijn ogen het beginpunt vormde van de relatie tussen onderwijs en sport. Dit thema 'school en bewegen' komt in menig interview in het boek terug en dan meestal vanuit de constatering dat het 'niet handig en niet slim' is om sport en onderwijs te scheiden. Het lijkt zelfs noodzakelijk om talentvolle sporters de mogelijkheid te bieden om school en passie te combineren (zoals in de muziek en dans al langer het geval is).

Gymleraren kunnen hier een belangrijke rol in spelen is de overtuiging. Een rol in talentherkenning/-ontwikkeling dus. Echter, ook de andere kant van bewegen in het onderwijs wordt veelvuldig genoemd. Om jonge mensen harmonieus te ontwikkelen is een eenzijdige focus op de zogenaamde 'leervakken' niet verstandig. De experts zijn er van overtuigd dat meer bewegingsonderwijs op jonge leeftijd en op school bijdraagt aan betere schoolprestaties. Niet meer over praten, doen!

Is die rol van de gymleraar daarbij een vanzelfsprekende? Het lijkt voor de hand te liggen, maar Jaap Stalenburg wijst er op dat Nederland het gymnastiekonderwijs (door de vakleerkracht) lang geleden heeft afgeschaft. 'Daar plukken we nu nog de wrange vruchten van' en het 'verklaart voor een deel de afnemende belangstelling van de jeugd voor de sportvereniging'. Martijn van Dooremalen merkt op: 'Wanneer iemand in staat is om gedisciplineerd zichzelf te verbeteren, dan heeft dat effect op zijn of haar latere maatschappelijke ontwikkeling. Deskundige docenten helpen daarbij, dit geldt voor ieder vakgebied’. Inzichten waar de politieke beleidsmakers hun voordeel mee kunnen doen.

Goede begeleiding op jonge leeftijd?
Bettine Vriesekoop: 'De beste trainers moeten worden ingezet aan de basis en bij de jongste kinderen. Talenten worden dan eerder gezien en krijgen de kans zich beter te ontwikkelen'. Maar ook vanuit pedagogisch oogpunt lijkt dit van belang. Brenda Beenhakker mepte binnen een jaar nadat ze met badminton begon, de gevestigde orde van haar club van de baan. Dit leverde veel negatieve reacties op bij medespelers. Door verantwoord ingrijpen van de trainer bleef zij behouden voor haar sport. Vakinhoudelijk en pedagogisch goed onderlegd kader lijkt, bij jonge kinderen, dan ook een belangrijke voorwaarde voor succes Hierover zijn de deskundigen het eens.

Cor van der Geest: 'een coach moet een vakman zijn. In combinatie met het vermogen om te inspireren, mensen aan te spreken, te corrigeren, doelen te stellen/halen, krijg je een pakket aan kwaliteiten waar een coach gebruik van maakt'. Volgens alle geïnterviewden is goede, pedagogisch verantwoorde begeleiding op jeugdige leeftijd een voorwaarde voor succes. We kunnen dus niet zomaar trainers voor de klas zetten, dit dienen goed opgeleide deskundigen te zijn. Op het speelveld van de vereniging kunnen toptrainers het best bij de jonge, zich ontwikkelende, sporters worden ingezet. Beleidskeuzes die het overdenken waard zijn.

Motivatie?
Plezier is de basis van een natuurlijke, niet opgelegde motivatie. Essentieel volgens de deskundigen. Ingrid Paul: 'Vroeg of laat haak je af als plezier ontbreekt' en Huub Thijssen: 'Je moet spelers leren creatief te zijn, zodat ze zelf hun keuzes kunnen maken'. Deze zelfstandige en onafhankelijke opstelling leidt tot een doorslaggevende motivatie. Cor van der Geest: 'De sporter moet op een punt komen dat de coach alleen nog maar nodig is als expert'.

Onafhankelijkheid komt als voorwaarde binnen de topsport in elk gesprek weer terug. Echter, binnen het kader van de individuele mogelijkheden. ‘Eerst leren zwemmen en dan pas in het diepe', aldus Koops. Leiden wij met onze cultuur van vrijwillig kader sporters wel voldoende op tot onafhankelijke, intrinsiek gemotiveerde sporters of is dit nog een brug te ver? Immers, dergelijke sporters maken uiteindelijk hun eigen keuzes en dat is niet altijd gunstig voor datzelfde kader.

De basis versus vernieuwing?
Joop Alberda: 'De kern blijft het aloude adagium; eerst een fors aantal uren trainen (10.000 uren wordt daarbij vaak als norm genoemd) in een gestandaardiseerde omgeving met veel herhalingen'. Hoe verhoudt zich dat dan tot noodzakelijke vernieuwingen? Onderzoek wijst uit dat vernieuwing slechts een klein percentage van de prestatie bepaalt. Moeten we vernieuwing dan alleen toepassen in de topsport? Waarbij dit het verschil tussen goud of achtste plek betekent? Of is vernieuwing gewoon het evalueren van wat je hebt gedaan om het de volgende keer beter te doen? Dit zijn interessante overwegingen. Immers, de realiteit leert dat in veel van onze nationale topsportprogramma’s we wel op zoek zijn naar vernieuwingen terwijl we nog niet in staat zijn een fatsoenlijke evaluatiecyclus te hanteren.

Omgeving?
Bij de geïnterviewden bestaat veel eensgezindheid over de rol van ouders. Hoe belangrijk is hun inbreng? 'Ouders moeten volledig achter hun kind staan, maar soms staan ze er vóór en vormen ze een belemmering ', aldus Foppe de Haan. Cor van der Geest: 'Zonder is het onmogelijk, maar mét een ramp’. Maar ook: 'Ik realiseer me goed dat mijn vader veel extra uren heeft moeten werken om mijn materiaal te kunnen bekostigen', zegt Brenda Beenhakker.

Conclusie: een prettige, veilige en stimulerende omgeving is van wezenlijk belang voor de ontwikkeling van het talent. Hierbij lijkt het van belang dat ons topkader zich meer bewust is van de rol en importantie van de ouders in het ontwikkel proces. Hoe kunnen we hun betrokkenheid en invloed, in vaak een cruciale fase van de ontwikkeling, aanwenden in het voordeel van de sporter en de begeleiders. Wellicht een onderwerp voor bijscholing dan wel verdere expertiseontwikkeling.

Media
Er bestaat tussen de geïnterviewden verschil in opvatting over de rol van de media in de sport. Hierbij komen vragen en opmerkingen aan de orde als: 'Hoe communicatief moet de coach zijn?', 'Bestaan er grote verschillen tussen de rol van de media vroeger en nu?', 'Hoe ervaart de speler zijn/haar voorbeeldfunctie?'. Sibon en Bovelander bijvoorbeeld realiseerden zich pas later in hun loopbaan dat er anders naar hen gekeken werd. De coaches vinden het eensgezind moeilijk om hun sporters in deze te begeleiden. Echter, dat de media een rol heeft in de beeldvorming rond sport (en sporters) is voor allen duidelijk.

Als belangrijk punt wordt kennis van de sport (waarover wordt geschreven) genoemd en een kritische basishouding ten opzichte van de sport en zijn sporters. Immers, hierdoor ontstaat respect voor elkaars werk, en prestaties, en kunnen de media ook daadwerkelijk bijdragen aan de kwaliteit en de emancipatie van de topsport. Waarbij gezegd moet worden dat dit op een groot aantal plaatsen nog steeds nodig is.

In het boek komen verder tal van onderwerpen die soms verhelderend zijn, herkenning oproepen of waar meningsverschillen over bestaan, aan bod. Wat het boek tevens krachtig maakt is de hoeveelheid aan visies zonder waardeoordeel. Voor meer informatie over het boek ' SportCoachNL – Gildemeester, Wetenschapper of Visionair?': www.sportcoachnl.nl

Nick van Sinderen gaf enkele jaren geleden zijn eerste boek uit, 'De Carrousel - in en uit het lokaal bestuur'. Daarin de weerslag van interviews die hij had met lokale bestuurders vanuit zijn nieuwsgierigheid en interesse in de lokale politiek, als raadslid van de gemeente Venray. Hieraan gaf hij met het boek 'SportCoachNL – Gildemeester, Wetenschapper of Visionair?' een vervolg, dit keer ingegeven doordat hij ruim tien jaar tafeltenniscoach was bij de jeugd. Van Sinderen is verbonden aan het Radboudumc als kwaliteitsfunctionaris van de onderzoeksdivisie van de afdeling Genetica.

Cees Vervoorn is sinds begin 2010 lector Topsport en Onderwijs aan de Hogeschool van Amsterdam/Universiteit van Amsterdam. Eerder was hij o.m. van 2006 tot 2010 voorzitter van het domein Bewegen, Sport en Voeding aan de Hogeschool van Amsterdam waaronder de ALO en de studierichtingen ‘Sport, Management & Ondernemen’ en ‘Voeding’ vallen. Vervoorn is voormalig topzwemmer, afgestudeerd bewegingswetenschapper en in 1992 gepromoveerd op hormonale reacties tijdens zware training en inspanning (‘Neuro-endocrine responses to Exercise and Training’).

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.