1 april 2008
Opinie
“Voetbal moet geen wiskunde zijn. Er wordt vaak zo ingewikkeld over voetbal gedaan. Het draait gewoon om winnen en daarvoor zijn veel methoden. Voetbal moet met verstand worden gespeeld, maar niet zo verstandelijk dat je passie, betrokkenheid of eigen inbreng verliest. Simpelweg is voetbal technisch goed zijn, tactisch onderlegd zijn, verstandig met elkaar samenspelen, fysiek bewapend en voorbereid zijn, en qua instelling willen winnen.”
Met deze eenvoudige en kernachtige opsomming is geen sprake van een echte analyse van de cruciale facetten van voetbal. Volgens mij begint de laatste zin dan ook ten onrechte met het woord ‘simpelweg’. Een goede analyse is echter wél van belang is om de voor topprestaties cruciale facetten van een tak van sport te kunnen duiden. En om problemen van sporters te helpen oplossen. De oplossing zou pas na de probleemanalyse moeten komen. Het eerste voorbeeld dat ik hieronder geef is de aanpak op de goede weg. Dit is niet het geval bij de twee voorbeelden die daarna volgen.
Voorbeeld 1: Inge Dekker
In een interview met Inge Dekker
(de Volkskrant 15 maart) ‘Altijd die angst voor een finale’ vertelt Inge over
haar contact met de sportpsycholoog:
“Wim Keizer zei tegen mij: wat is dat nou Inge? In trainen heb je plezier, in andere wedstrijden heb je het fijn. En dan ineens heb je een hekel aan je sport, omdat er een finale nadert, dat is toch niet goed?”
Uiteindelijk blijkt dat de opdracht ‘het winnen van de finale’ voor Inge storend werkt bij het zwemmen van een finale: finale stress heet dat. De belasting die Inge zich daarbij oplegt is voor haar te zwaar. De druk van het moeten winnen, verstoort het zwemmen dat nodig is voor een perfecte race. De analyse van niet-slagen is psychologisch van aard en wordt met de hulp van de sportpsycholoog gedefinieerd. De goede oplossing komt (moet komen) met de hulp van haar coach Verhaeren. De coach leert haar dat de aandacht moet liggen op de wijze van zwemmen. Hij vraagt aandacht voor de indeling van de race: start, slagen onder water, aantal slagen boven water, keerpunt en aantal slagen terug en met aanwijzingen. De opdracht moet zijn ‘concentreer je op het zwemmen’. Het woord ‘winnen’ komt daarbij niet voor.
Voorbeeld 2: Rutger Smith
In de Volkskrant van 8 maart
jl. vertelt de trainer Damkat over een nieuwe aanpak in de training van de
kogelstoter Rutger Smith.
“In de training is het accent meer gelegd op het vergroten van de explosiviteit van Smith. Zijn atletisch vermogen moet worden versterkt, in plaats van alleen zijn kracht. Hij moet nog sneller door de ring draaien en heeft daartoe sprinttrainingen voorgeschreven gekregen”.
Hier is waarschijnlijk de analyse juist maar de uitwerking naar de oplossing
van het ‘probleem’ fout! Ik neem aan dat de trainer met de hulp van een
hogesnelheidscamera en de computer de efficiëntie en de effectiviteit van de
draaibeweging in de ring heeft geanalyseerd. De conclusie is plausibel. Als
de draai in de ring nog explosiever kan dan zal Smith verder kunnen stoten.
Waarschijnlijk weet de trainer beter dan wie ook dat het overbrengen van de
snelheid die in de draai wordt ontwikkeld naar de stootarm eigenlijk de kern van
het probleem is. Het maximale vermogen dat opgebracht kan worden is de
coördinatie tussen snelheid en kracht die als vermogen tot uiting moet komen bij
het stoten van de kogel.
Het gaat dus om verhogen van de snelheid bij het
draaien in de ringen, en op het goede moment (timing) het overbrengen van het
ontwikkelde vermogen naar de stootarm. Als deze bijzondere explosiviteit (als
dit gelijk is aan atletische vermogen) getraind wordt door sprinttraining dan is
dat niet specifiek genoeg. Deze aanpak zal dan weinig effect hebben op het
draaien in de ring. Als deze sprinttraining ook nog oorzaak is van blessures
(“Smith liep wedstrijden mis vanwege typische sprintblessures”, de Volkskrant 8
maart) dan moet er snel geconcludeerd worden dat de verkeerde methode gevolgd
wordt. Deze aanpak doet te kort aan de kennis dat bewegen, sporten, een complexe
samenhang is tussen specifieke waarnemings- , beslissings- en motorische
processen. In het belang van Smith moet worden ingegrepen.
Voorbeeld 3: Technologie
Het derde voorbeeld is naar
aanleiding van een interview (NRC Handelsblad van 11 maart jl.) met de directeur
Jan-Willem van der Wal van InnoSportNL. Van der Wal gaf een interview na een
reis naar China samen met andere wetenschappers die het analyseren van sporten
denken te kunnen helpen. Van der Wal vertelt in dit interview over het gebruik
van wetenschappelijke technieken daarvoor. TNO Sport, NOC*NSF, de VU en de Rijks
Universiteit Groningen zijn partners in de ontwikkeling van deze technieken.
Al voordat het interview met Van der Wal verscheen, maakte ik op een studiedag kennis met de wetenschappelijke inbreng van TNO bij het verbeteren van het positiespel in voetbal. Echte voetballers worden met de hulp van technische hulpmiddelen (chips en bakens) gedigitaliseerde figuurtjes op een laptop. De opbrengst wat betreft het verbeteren van het inzicht in positie kiezen is echter nog nihil omdat de bal niet in beeld komt op de laptop. De bal kan nog niet van een chip worden voorzien. De waarde van de informatie over een positie van een speler is in de eerste plaats verbonden aan de voetbalbedoelingen, zoals scoren opbouwen en verdedigen. In de tweede plaats spelen daarbij de posities van medespelers en tegenspelers maar vooral ook de positie van de bal. Deze techniek werd gedemonstreerd in een niet-specifieke setting. Er was geen sprake van een voetbalwedstrijd met de basisgegevens: een echt voetbalveld met doelen, een wedstrijd met elf tegen elf.
Ook antwoorden op andere vragen, zoals ‘Hoeveel kilometer legt een voetballer af tijdens een wedstrijd? Hoe lang duurt het voordat hij verzuurt? Wat kun je doen om overbelasting en blessures te voorkomen?’ moeten met argwaan worden bekeken, zo lang deze metingen niet worden gedaan in echte wedstrijden.
Professor Lemmink van Rijks Universiteit Groningen was ook in China samen met
van der Wal. Hij is een onderzoek gestart om spelinzicht te meten/analyseren.
Hij doet dit onderzoek bij onder andere Vitesse. Deze Arnhemse voetbalclub
hanteert al sinds bijna een jaar een systeem van Team Support Systems (TSS) en
een systeem van de Rijksuniversiteit Groningen, Effectivity Live geheten. Drie
studenten zitten ergens hoog in de nok van het stadion - met beelden voor hun
neus - de passes van de Vitesse-spelers te coderen, op een schaal van één tot
tien met rood (slecht), geel (matig) en groen (goed). Assistent-trainer Pieter
Huistra van Vitesse ziet de beelden tijdens het duel eveneens op een tablet, een
soort laptop.
De wijze van lezen van de wedstrijd en coderen van acties
is volgens mij erg afhankelijk van scholing en uitgangspunten van het individu
dat codeert. Een objectieve codering is bijna onmogelijk. Vooral omdat voetbal
een spel is van opties waarbij het nemen van risico en het houden van controle
de belangrijkste polen zijn in de uitvoering van het spel. Een coach doorziet
onmiddellijk de zwakte van deze methode van meten van het spelinzicht. Het
definiëren van wat goed of slecht is in het kader van gezamenlijk functioneren
naar het doel heeft veel te maken met onderlinge spelafspraken,
spelerskwaliteiten, stand en tijd in de wedstrijd.
Deze analyse lijkt me onbetrouwbaar.
Tot slot: wie de analyse ook doet, de oplossing ligt bijna altijd in een specifieke toepassing met behulp van de sporttak eigen gegevens. Bij gebruik van wetenschappelijk technieken of meetmethoden moeten de onderzoeksresultaten heel nauwkeurig door de coach worden geïnterpreteerd. Echter, niet alle wetenschappelijk verantwoorde onderzoeksresultaten zijn zo maar geschikt voor praktische toepassing.
Ben Crum (1941) is opgeleid als leraar in het bewegingsonderwijs. Daarna haalde hij het kandidaatsexamen van de studie Onderwijskunde. Crum werkte als docent bij de KNVB van 1981 tot 1997. Deels tegelijkertijd – namelijk van 1988 tot 1993 - was hij actief als bondscoach in dienst van het korfbalverbond. Daarna werd hij daar topsportcoördinator. Vanaf 2006 is Crum bij het korfbalverbond ‘Manager Nationale Teams’, en dat is hij tot op heden. Ook is hij momenteel docent voor de opleiding ‘Master Coach in Sports’ van NOC*NSF, waarmee hij in 2002 begon.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.