7 oktober 2008
Opinie
door: Peter Hopstaken
De huidige crisis bij NOC*NSF is geen incident. De sportkoepel heeft in de geschiedenis veel vaker problemen gehad, zowel intern als extern. Maar ook veel sportbonden lijken stuurloos. In het afgelopen jaar tijd zijn minstens tien bondsdirecteuren vrijwillig of onvrijwillig vertrokken.
‘Is er sprake van een crisis?’, vroeg een journalist aan NOC*NSF-voorzitter Erica Terpstra naar aanleiding van het plotseling wegsturen van ‘directeur sport’ Marcel Sturkenboom. De voorzitter van NOC*NSF wilde daar niet op reageren, omdat er eerst arbeidsrechtelijk het een en ander afgewikkeld moest worden. Vermoedelijk wist de vragensteller het antwoord zelf wel. Het personeel van NOC*NSF bleek interne memo’s aan het bestuur te hebben gestuurd waarin het klaagde over de slechte persoonlijke verstandhouding tussen algemeen directeur Theo Fledderus en directeur sport Marcel Sturkenboom en de gevolgen die dat voor het functioneren van de organisatie in het algemeen en de medewerkers in het bijzonder heeft.
De noodkreet van het personeel sorteerde kennelijk geen effect. Want vervolgens stuurde het personeel een brief naar nota bene staatssecretaris Jet Bussemaker met het verzoek om bij NOC*NSF eens ‘polshoogte’ te komen nemen. ‘Zeker negen stafmedewerkers zijn vertrokken vanwege door mismanagement veroorzaakte spanningen in het bedrijf, voorzitter Terpstra weigert in te grijpen en ook de ondernemingsraad durft niets te ondernemen’, zo citeerde De Volkskrant uit de brief van het personeel. Sportredacteur Poul Annema heeft betreffende brief al enkele weken geleden anoniem toegezonden gekregen, zo vertelde hij mij. Een dergelijke brief zou volgens een ingewijde echter reeds in april of mei twee of drie keer aan het ministerie te zijn verzonden. Omdat deze actie kennelijk geen effect had, werd besloten de pers te benaderen.
Kan het nog erger, vraag je je als buitenstaander vertwijfeld af. Ja, dat kan. Want NOC*NSF moest al op zoek naar een nieuwe chef de mission als opvolger van de vertrokken Charles van Commenée. Bovendien heeft NOC*NSF nog steeds geen nieuw ‘hoofd breedtesport’, nadat in maart (!) 2008 al bekend was dat Theo Joosten per 1 juni jl. zou vertrekken. Sindsdien zijn respectievelijk Ineke Donkervoort en onlangs André van Schaveren als interim-hoofd aangesteld om de breedtesport bij wijze van tijdelijke oplossing in goede banen te leiden. De functie is historisch gezien lastig te vervullen. Vόόr de komst van Theo Joosten in 2005 maakte de baas van de breedtesport deel uit van het directieteam. Zowel Hans Gootjes als daarna Ronald Kramer zijn als ‘directeur breedtesport’ in respectievelijk 2001 en 2004 op minder prettige wijze vertrokken.
Feitelijk heeft NOC*NSF als geheel van oudsher te maken heeft met interne strubbelingen. Als hoofdredacteur van het vakblad SPORT Bestuur & Management had ik tussen 1999 en 2001 interviews met voormalige beleidsbepalende personen binnen NOC*NSF. Zo ook met Wouter Huibregtsen, voorzitter van het NOC vanaf 1990. Na de fusie met de NSF werd hij in 1993 voorzitter van de sportkoepel NOC*NSF en dat bleef hij totdat in 1998 de ‘kroonprinsaffaire’ - ofwel zijn aspiraties om net als Willem-Alexander lid van het IOC te worden - hem ten val brachten. In 2001 vertelde hij mij over zijn aantreden in 1990: “In de periode dat ik de leiding bij het NOC kreeg, was het heel gewoon dat iedereen met elkaar over de grond lag te rollebollen, en dat bonden regelmatig in een bestuurscrisis verkeerden."
Huibregtsen werd begin 1998 opgevolgd door interim-voorzitter Joop van der Reijden (overleden in 2006) die als voornaamste taak had om een nieuwe voorzitter van NOC*NSF te vinden. Hij had daar zes maanden voor uitgetrokken. Hij had echter liefst anderhalf jaar nodig op zijn taak te volbrengen, omdat hij intern eerst orde op zaken wilde stellen. Hij zei daarover in een interview met mij: “Om de nieuwe voorzitter goed te laten functioneren, moest er eerst een gloednieuw bestuur komen. Anders zou mijn opvolger meteen met de brandblusser hebben moeten rondlopen, net als ik in het begin.”
Niet alleen verving Van der Reijden kort na zijn komst bijna het voltallige bestuur. Ook aan de organisatiestructuur moest volgens hem het nodige worden veranderd. Iets ogenschijnlijks eenvoudigs als het vernieuwen van het personeelshandboek (‘met daarin alle richtlijnen, verplichtingen en regelingen voor het personeel helder verwoord’) bleek een enorme opgave. Het boek moest op 1 november 1998 klaar zijn, maar het was een jaar later nog ‘modulair in opbouw’. Van der Reijden wond er geen doekjes om, hij zei destijds: “Het leiden van NOC*NSF is een zeer complexe en hectische aangelegenheid.”
Uiteindelijk vond Van der Reijden eind 1999 Hans Blankert - de toenmalige voorzitter van werkgeversorganisatie VNO-NCW - bereid om voorzitter van NOC*NSF te worden. Blankert was zich zeer wel bewust van het afbreukrisico dat hij liep in zijn nieuwe functie. In een interview met mij zei hij daarover: “Ik zal alert blijven, ik ben goed beducht op conflicten. Ze blijven op de loer liggen…”. En over de indruk die de koepelorganisatie op de buitenwereld maakte zei Blankert: “Men ziet NOC*NSF nog te vaak als een slangenkuil. Dat moet veranderen.”
Daarin is Blankert slechts gedeeltelijk geslaagd. Want tijdens zijn bewind vertrokken de twee eerder genoemde directeuren breedtesport. Bovendien kon hij een slepend conflict met bestuurslid Anton Geesink - dat eindigde in de rechtszaal - niet in goede banen leiden. Uiteindelijk zal Blankert ook aan zijn laatste vergadering als voorzitter van NOC*NSF een minder prettig gevoel hebben overgehouden. Tot zijn grote spijt kon hij de voorzittershamer niet overdragen aan zijn gedroomde kandidaat Ruud Vreeman, tevens de uitgesproken favoriet van de meeste andere bestuursleden in diens verkiezingsstrijd met Erica Terpstra. Ook toenmalig directeur sport Marcel Sturkenboom prefereerde Ruud Vreeman als nieuwe voorzitter boven Erica Terpstra. Deze bleek door een uitgekiende verkiezingscampagne vooral veel kleine bonden aan zich gebonden te hebben; Terpstra won met 126 tegen 109 stemmen.
Buiten alle interne strubbelingen heeft NOC*NSF het doorgaans ook niet makkelijk in de externe contacten. Sinds jaar en dag voert de sportkoepel een strijd met onder meer het ministerie van VWS. Aan de ene kant hoort dat nu eenmaal een beetje bij het spel om de macht. Maar kennelijk kan dat spel ook te ver gaan met als gevolg dat de prestaties van de deelnemers contraproductief worden. Dat was de conclusie van een onlangs verschenen rapport over ‘Topsport in Nederland’ geschreven door de gezaghebbende Algemene Rekenkamer. Dit rapport noemt nota bene als allereerste aanbeveling: ‘De samenwerking tussen het Ministerie van VWS en NOC*NSF laat zich op dit moment kenmerken als ‘subtiel’. (… )beide partners staan ons inziens voor de uitdaging hun samenwerking uit te laten groeien tot een ‘robuust samenspel’. Wij bevelen beide partijen aan te blijven investeren in een goede dialoog, waarbij het van belang is dat de intenties over en weer zo transparant mogelijk zijn.’
De aanbeveling van de Rekenkamer is illustratief voor het speelveld waarin NOC*NSF en andere partijen zoals de levensbeschouwelijke koepels, het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB), de Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) en de sportbonden zich sinds jaar en dag bevinden. Conflicten – zoals de rechtszaak die de levensbeschouwelijke koepels in 2006 aanspanden tegen NOC*NSF - draaien in de kern meestal om de verdediging (vaak met hand en tand) van het eigen bestaansrecht dat onlosmakelijk verbonden is met de lastig grijpbare factoren macht en geld.
Je kunt je echter afvragen of het hier gaat over macht of over onmacht. Veel branche- en ledenorganisaties staan onder druk, niet alleen in de sport. In toenemende mate moeten deze instellingen proberen mee te komen in een ‘moderne’ stroom van complexe en steeds veranderende maatschappelijke, politieke, juridische en sociale ontwikkelingen waarbij het toverwoord vaak ‘professionalisering’ lijkt te zijn. Dat terwijl hun leden misschien wel tien jaar achter lopen op dergelijke ontwikkelingen. Dat geldt ook voor veel (kleinere) sportbonden. Daarom opteert NOC*NSF voor een tweedeling: bonden met meer dan 40.000 leden zouden een professioneel opererend bondsbureau moet hebben. Dat geldt dus maar voor zo’n twintig van de 72 bonden. De overige vijftig bonden zouden volgens de sportkoepel beter kunnen fuseren. Maar dat stuit op veel verzet bij de bonden. NOC*NSF zou haar eigen visie wel willen doordrukken, maar is daar feitelijk niet toe in staat. Want beslissingen met verstrekkende gevolgen worden in de democratisch geleide algemene ledenvergadering genomen. Een meerderheid is daar ver te zoeken. Een interessante basale vraag in dit kader is overigens: is NOC*NSF er voor de bonden (wat van oudsher de bedoeling is) of zijn de sportbonden er om het bestaansrecht van NOC*NSF te rechtvaardigen (welke schijn het tegenwoordig meer heeft)?
De belangen van NOC*NSF en de sportbonden zijn ook in financieel opzicht met elkaar vervlochten. Zij hebben samen de beschikking over een budget dat besteed kan worden aan topsport. Een deel van de bonden – de groep zogenaamde topsportbonden - kan daar gebruik van maken. NOC*NSF heeft grote zeggenschap over de verdeling ervan. Het budget voor de breedtesport wordt door middel van een verdeelsleutel grotendeels versnipperd onder de bonden op basis van ledenaantal en samenwerkingsplannen. NOC*NSF kan dus zelf nauwelijks richting geven aan breedtesportbeleid, althans met financiële prikkels. Hierdoor is NOC*NSF in een spagaat terechtgekomen. Daarbij komt dat de koepel in de toekomst financieel meer onder druk zal komen te staan. De hoeveelheid beschikbare Lotto-gelden neemt waarschijnlijk af en het ministerie van VWS beschouwt NOC*NSF in mindere mate als ‘prefered supplier’ als het gaat om de toewijzing van subsidiemiddelen. De nationale sportkoepel is op dat gebied geduchte concurrentie gaan ondervinden van NISB en de gemeenten.
Voor de sportbonden valt het niet mee om overeind te blijven in een beleidsveld waar macht en geld een allesbepalende rol spelen, terwijl bonden beide vaak ontberen. Bonden hebben daarbij de bijkomende handicap dat het beleid wordt bepaald door (soms al te) ambitieuze vrijwilligers, en dat de uitvoering van dat beleid in handen is van betaalde krachten. Bondsvoorzitters neigen op de stoel van de directeur te gaan zitten, soms daartoe aangespoord door de vrijwilligers van de vele districten die verspreid over het land liggen.
De arme sportbonden kraken af en toe in hun voegen en er rollen met de nodige regelmaat koppen. In de afgelopen twaalf maanden is bij minstens tien sportbonden de directeur vertrokken, in verreweg de meeste gevallen na een conflict met het bestuur; de ijshockeybond, de biljartbond, de wielrenunie, de skivereniging, de tafeltennisbond, het korfbalverbond, de basketbalbond, de hippische bond, de rugbybond, de schaatsbond, de cricketbond en de roeibond konden afgelopen jaar allemaal op zoek gaan naar een nieuwe directeur.
Hoe de bestuurlijke problemen in de sportwereld op te lossen? Je zou bijna gaan pleiten voor een onafhankelijke puinruimer met verregaande bevoegdheden. Dat is in een vrije markteconomie echter niet zomaar mogelijk zonder dat iedereen daarmee zou instemmen. Uit welke elementen zou het plan van aanpak van de ‘fictieve puinruimer’ moeten bestaan? Ik heb een paar suggesties. 1. Keer eerst eens helemaal terug naar de basis, begin bij het begin. Verdeel het beleidsveld in partijen en geef deze partijen een duidelijk omschreven primaire taak. Probeer daarbij overlap zoveel mogelijk te voorkomen. 2. Waar overlap van beleidsterreinen over meerdere partijen niet te voorkomen is, moeten deze partijen onder leiding van een onafhankelijke voorzitter om de tafel gaan zitten. Fusie en/of samenwerking zou onderzocht moeten worden of op zijn minst bespreekbaar moeten zijn. 3. De beschikbare subsidie- en Lotto-gelden moeten worden verdeeld door een strikt onafhankelijke organisatie, bijvoorbeeld door een daartoe op te richten Raad voor de Sport.
Sowieso zouden bij de betrokken partijen ook de interne problemen opgelost moeten worden. Als helder is welke primaire taken de partijen hebben, moeten deze immers ook nog goed uitgevoerd worden. Vooral bij de grotere bonden zou volgens mij de directeur meer bevoegdheden moeten hebben en zou het bestuur meer als toezichthoudend orgaan aan de zijlijn moeten functioneren. Niet alleen voor de voorzitter doch ook voor de directeur zou volgens mij moeten gelden: ijdelheid en ongebreidelde zucht naar macht zijn strikt verboden. Niemand is belangrijker dan de organisatie waar hij/zij voor werkt. Er is in elke organisatie die opereert in een beleidsveld waar meerdere partijen nauw bij betrokken zijn meer behoefte aan leiding met verbindende kwaliteiten (zodat zaken op een effectieve manier samen worden opgepakt en partijen samen sterker komen te staan) dan aan een ‘territoriumtijger’ die verhoudingen polariseert.
Tot slot zou overwogen kunnen worden om het management van organisaties een beperkte aanstellingstermijn te geven, bijvoorbeeld maximaal twee Olympische perioden. Als managers te lang in een organisatie blijven zitten, krijgen ze last van ‘witte vlekken’. De laatste twee suggesties zijn speciaal bedoeld voor NOC*NSF: de sportkoepel zou misschien kunnen overwegen zich te buigen over een andere organisatiestructuur. Moet het 'NOC*NSF van de toekomst' bijvoorbeeld wel voortbestaan als democratisch geleide ledenorganisatie? Hoe het ook zij: personen aan de top van de organisatie die nauw moeten samenwerken, moeten karakterologisch bij elkaar passen.
Naschrift: reacties op dit betoog zijn van harte welkom (info@skxl.nl of 06-5579 3708).
Peter Hopstaken is in september 2007 gestart met Sport Knowhow XL, digitaal informatieplatform voor de zakelijke sportmarkt. Eerder was hij hoofdredacteur van het vakblad SPORT Bestuur & Management, senior consultant bij KPMG en senioronderzoeker/adviseur bij de Stichting voor Economisch Onderzoek. Voor meer informatie: info@skxl.nl of 06-5579 3708.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.