30 mei 2023
Opinie
door: Maurice Leeser
In mijn vorige column hield ik een pleidooi voor het wettelijke verankeren van de streefwaarde dat 75 procent van de Nederlandse bevolking in 2040 voldoet aan de beweegrichtlijn. Achterliggende gedachte van mijn pleidooi was ‘wie wettelijke kwantitatieve beweegdoelen vastlegt, moet maatregelen treffen’ zodat er meer urgentie komt om ingrijpende maatregelen te treffen om de bewegingsarmoede in Nederland aan te pakken. Er is volgens mij behoefte aan een ‘gamechanger’.
Mijn pleidooi riep wat discussie op. Volgens sommigen is het wettelijk verankeren van een beweegstreefwaarde niet zinnig. Zo geeft een aantal mensen aan dat de grondwet al een artikel heeft dat voldoende houvast biedt, namelijk artikel 22 lid 1: ‘De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid’. Toch heeft artikel 22 lid 1 van de grondwet zeker niet voorkomen dat de zorgkosten stijgen en de zorg vastloopt, dat 700.000 mensen na corona niet meer wekelijks sporten, dat de gezondheidsverschillen en de verschillen tussen wekelijks sporten en bewegen tussen mensen met meer en minder geld toenemen of dat steeds meer jongeren kampen met mentale problemen.
Uitvoerbaarheid verankeren beweegstreefwaarde
Anderen zetten bij mijn pleidooi vraagtekens bij de uitvoerbaarheid van het wettelijk verankeren van een beweegstreefwaarde. Hoe werkt het principe van ‘afrekenbaarheid’ als er grote regionale verschillen of zelfs verschillen per wijk zijn (en die zijn er) op het gebied van sportparticipatie en bewegingsarmoede? En zijn we dan wel in staat om dat deel van de Nederlandse bevolking die niet voldoet aan de beweegrichtlijnen te bereiken, te overtuigen en vervolgens in beweging te laten komen?
Terechte vragen en bedenkingen. Hoe dan ook, het is voor mij als ‘beweegactivist’ van belang dat de discussie over het beleidsinstrumentarium gevoerd blijft worden én onderwijl de aanpak wordt geïntensiveerd om de bewegingsarmoede in Nederland te doen dalen. Dat discussiëren lukt wat beter dan intensiveren. En daarbij komt dat een intensievere aanpak alleen effect sorteert (de wettelijke verankering van de beweegstreefwaarde buiten beschouwing latend) als elk beleidsterrein zich focust op bewegingsstimulering enerzijds en dat de maatregelen die de verschillende beleidsterreinen treffen ook onderling positief samenhangen anderzijds. ‘Excercise in all and for all policies’ noemen we dat in Nederland, hetgeen betekent dat er veel aandacht is voor kruisbestuiving tussen verschillende terreinen, thema’s en beleidskaders met als doel om ‘het bewegen’ in de samenleving te verankeren.
Samenwerking essentieel
Om ervoor te zorgen dat bij iedere beleidskeuze het bevorderen van bewegen leidend is, dient een overkoepelende en integrale aanpak voor overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties te worden ontwikkeld. Samenwerking tussen de verschillende ministeries en de verschillende sectoren is hierbij essentieel, met name tussen de zorg, het onderwijs en het sociaal domein. En laat nou net deze domeinoverstijgende samenwerking, zowel op lokaal als nationaal niveau, allesbehalve vanzelfsprekend en intensief zijn.
Een integrale benadering, interdepartementale en intersectorale samenwerking en een stevige brede financiering zijn dus onmisbaar om echt slagen te maken in de aanpak tegen bewegingsarmoede. Maar hoe gaan we dit dan realiseren? De eerste stap om dit te realiseren is de oprichting van de Beweegalliantie. Deze in 2022 opgerichte alliantie dient, als onderdeel van het Nationale Preventieakkoord, te zorgen voor meer maatschappelijke aandacht en actie rond het thema sport en bewegen. Het ministerie van VWS voert regie op de doelen en middelen van de Beweegalliantie, waarbij het uitgangspunt is de inzet daar te doen waar de meeste impact te halen valt. De focus ligt daarbij op betere samenwerking tussen departementen, alliantiepartners en lokale initiatieven.
Het oprichten van de Beweegalliantie is een stap in de goede richting, maar zal in mijn ogen echter geenszins leiden tot een wezenlijke transitie of systeemverandering die vereist is om de knelpunten aangaande de bewegingsarmoede aan te pakken. Begrijp me niet verkeerd, het delen van good practices, innovaties of kennis is natuurlijk uitermate waardevol. Maar zolang het ministerie van VWS de regie voert over de doelen van de Beweegalliantie en er slechts een paar € miljoen per jaar beschikbaar wordt gesteld, dan is het een misvatting om te denken dat de Beweegalliantie in staat is om verschillende beleidsdomeinen in beweging te krijgen. Laat staan een wezenlijke bijdrage te leveren aan het doen stijgen van het percentage Nederlanders dat voldoet aan de beweegrichtlijnen.
Gamechanger
Wat we nodig hebben is een volgende stap, een ‘gamechanger’. Daarom pleit ik, naast het wettelijke verankeren van de beweegstreefwaarde voor het aanstellen van een Nationaal Coördinator tegen Bewegingsarmoede. Het is tenslotte niet ongewoon om langdurige complexe maatschappelijke opgaven die leiden tot een gevaar (in dit geval voor de Volksgezondheid) over te dragen aan een Nationaal Coördinator (een door de regering benoemde functionaris met een speciale taak). Denk aan de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, de Nationaal Coördinator Groningen, de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme of de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding. De Nationaal Coördinator tegen Bewegingsarmoede dient een persoon te zijn met gezag en aanzien en is onafhankelijk van de overheid en politiek.
Maar gaat de aanstelling van een Nationaal Coördinator tegen Bewegingsarmoede dan echt het verschil maken in de strijd tegen bewegingsarmoede? Natuurlijk zal daar discussie over zijn, maar in mijn ogen is de aanstelling van een Nationaal Coördinator tegen Bewegingsarmoede een waardevolle aanvulling op het huidige palet van beleidsinstrumenten om de bewegingsarmoede aan te pakken. Dan dient echter wel geborgd te worden dat de Nationaal Coördinator tegen Bewegingsarmoede buiten de politieke arena integrale voorstellen kan formuleren (waar natuurlijk wel politieke besluitvorming over moet plaatsvinden), een en ander in afstemming met de Nederlandse Sportraad.
Ik stel dan ook voor dat de Nationaal Coördinator tegen Bewegingsarmoede niet ressorteert onder de minister voor Langdurige Zorg en Sport of de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, maar direct ressorteert onder het kabinet en parlement. Verder stel ik voor dat de Nationaal Coördinator tegen Bewegingsarmoede de opdracht krijgt om met alle betrokkenen op lokaal, regionaal en nationaal niveau een ‘Integraal Beweegplan’ op te stellen, de voortgang te volgen en daarover periodiek te rapporteren aan de regering en het parlement. Tevens verkrijgt deze Nationaal Coördinator verregaande bevoegdheden en kan hij of zij beschikken over een stevig kabinetsbreed budget. Dit zodat relevante aspecten kunnen worden geagendeerd, besluitvorming kan worden afgedwongen of ingrijpende structurele voorstellen kunnen worden voorbereid. Dit om te voorkomen dat onze samenleving de focus blijft houden op ziekte in plaats van de focus te hebben op het bevorderen van bewegen en gezondheid. En om te voorkomen dat de Nationaal Coördinator tegen Bewegingsarmoede door het veld wordt gezien als een ‘tandeloze leeuw’, doordat hij of zij geen macht of invloed kan uitoefenen bij bijvoorbeeld vertraging van besluitvorming.
Geen blijk van wantrouwen
Wat we nodig hebben is een uitbreiding van het beleidsinstrumentarium, een factor die wezenlijk bijdrage kan leveren aan het ingrijpend veranderen van de huidige situatie van grote bewegingsarmoede in Nederland. De meest directe opbrengst van het aanstellen van een Nationaal Coördinator tegen Bewegingsarmoede is dat hij of zij kabinetsbrede doelstellingen concreet kan maken en kan operationaliseren. En nee, de aanstelling van een Nationaal Coördinator tegen Bewegingsarmoede is geen blijk van wantrouwen jegens de huidige Minister voor Langdurige Zorg en Sport of de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. En ja, in mijn ogen dient de Nationaal Coördinator tegen Bewegingsarmoede de Beweegalliantie aan te sturen, dit zodat er daadwerkelijk sprake kan zijn van een buitenboordmotor. En dat de Beweegalliantie een programmabureau wordt dat in elk ministerie een vast aanspreekpunt heeft die verantwoordelijk is voor het intern opstellen van een Integraal Beweegplan.
Het zal u niet verbazen dat ik van mening ben dat daarbij de ambitie dat 75 procent van de Nederlandse bevolking in 2040 dient te voldoen aan de beweegrichtlijn als uitgangspunt genomen moet worden. Het zal u waarschijnlijk nog minder verwonderen dat ik, als beweegactivist, me sterk zal maken dat het wettelijk verankeren van deze beweegstreefwaarde een belangrijk onderdeel is van de opdracht die wordt verstrekt aan de Nationaal Coördinator tegen Bewegingsarmoede. Let’s change het game!
Maurice Leeser (1969) is directeur van de Koninklijke Nederlandsche Wielren Unie (KNWU) en sinds 2019 adviseur van de Nederlandse Sportraad. In 2022 was hij programmamanager bij VeiligheidNL (het kenniscentrum voor letselpreventie). Daarvoor werkt hij bijna drieënhalf jaar als directeur-bestuurder van Sportbedrijf Lelystad, zeven jaar als directeur van het Watersportverbond en drie jaar als directeur van de Roeibond. Weer eerder werkte hij vanaf 2006 bij de directie Sport van het ministerie van VWS en vanaf 2003 bij Gehandicaptensport Nederland. Van 1999 tot 2003 was Leeser in dienst bij de Dopingautoriteit.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.