18 november 2008
Opinie
door: Frank Louter
De Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie stapt met ingang van 1 januari aanstaande af van het systeem met zes decentrale steunpunten. Daarvoor in de plaats komen twee trainingscentra in Den Bosch en Heerenveen. Ik ben een tegenstander van deze verandering. Want zo kweken we geen deelnemers maar hoogstens toeschouwers voor de Olympische Spelen.
Het plan van de KNGU om de huidige zes decentrale steunpunten te vervangen door twee centrale trainingscentra is deels ingegeven door NOC*NSF, die een meer centrale aanpak wil. Ook de turnbond zelf heeft zo haar argumenten. Zo zou de huidige structuur versnippering van gelden in de hand werken en zou er onvoldoende centrale regie zijn.
Opnieuw het vierkante wiel uitvinden
Het centraliseren dat de KNGU nu voorstelt, betekent een terugkeer naar het oude Papendal-systeem, het vroegere centrale internaat van het Nederlandse turnen. Daar was ooit een goede reden voor. Want alleen daar had de Nederlandse turnwereld de beschikking over een volledig en permanent ingerichte trainingszaal. Het was dus logisch dat talentvolle turners en turnsters daar samen trainden. Papendal kon het toenemende internationale niveau echter niet meer bijbenen en uiteindelijk werd in 1993 het niet functionerende systeem ‘afgeserveerd’. Er bleek geen link te zijn tussen breedtesport en topsport. Bovendien leidde het systeem van talent afromen tot verschraling en daardoor weer tot een laag niveau van de op Papendal instromende turnsters (vooropleiding op de clubs was van een te laag niveau, er was geen basis).
Het trainen van de besten bij elkaar – zoals het centralistische systeem voorstaat - kan stimulerend werken maar ook juist andersom. Turnsters rekenen uit wat hun kansen zijn om het nationale team te halen of aan leuke internationale wedstrijden mee te kunnen doen. Een team bestaat uit zes turnsters, dus vanaf nummer zeven wordt de motivatie al een stuk minder, met het risico dat ze er mee stoppen.
We lopen zelfs het risico dat op langere termijn zich helemaal geen talenten meer aandienen. Waarom? Omdat we door een gecentraliseerd systeem de zo belangrijke basis vergeten te ontwikkelen. Die basis hebben we juist de afgelopen jaren wél ontwikkeld. Sinds de accommodatiecommissie van Wim Zegers en Tjalling van den Berg de Nederlandse verenigingen heeft uitgelegd hoe zij een eigen turnhal kunnen exploiteren, heeft Nederland volop goede turncentra en bloeiende verenigingen waar op een hoger niveau aan de basis wordt gewerkt. Een volgende stap in de ontwikkeling van het Nederlandse turnen moet mijns inziens het ontwikkelen van kader zijn en het bieden van meer beroepsperspectief voor trainers. Daarnaast is het vinden en binden van talent belangrijk, maar dat doe je juist door kinderen in hun eigen omgeving de ruimte te geven om liefde voor het turnen te ontwikkelen.
Long-term Gymnastic Development (LTGD)
Een mooi model voor die ontwikkeling biedt de Long-term Athelete Development (LTAD) van de Canadees Istvan Bayli. In mei 2007 heeft NOC*NSF dat in Nederland geïntroduceerd. Arie de Korte en ik hebben het vervolgens vertaald in het Nederlands naar de situatie van de Nederlandse damesturnsters onder de noemer LTGD. In het systeem staat de turnster en haar ontwikkelingsfase centraal en niet het gecentraliseerde, controleerbare systeem dat de KNGU en NOC*NSF nu voorstellen. De KNGU- en NOC*NSF-plannen richten zich vooral op de laatste fase van ontwikkeling van de topturnsters. LTGD houdt echter ook rekening met de verschillende fasen op jongere leeftijd. Een kind van 0 tot 6 jaar moet vooral ‘badderen’ en ‘gymmen’, liefst in een speciaal hiervoor ingerichte speelruimte. Gymnastiekverenigingen zouden hierin een unieke bijdrage kunnen leveren. De bond zou hier volgens mij een voortrekkers rol in moeten nemen.
In de volgende fase van 6 tot 8 jaar biedt de club een uitdagende bewegingsomgeving waarin al dan niet gestructureerd gespeeld kan worden om de grondvormen van bewegen te ontwikkelen en daarmee de motorische basiseigenschappen. Vooral het evenwicht als onderdeel van de coördinatie is in deze fase belangrijk. Dit is ook de fase waarin kinderen liefde voor bewegen en de sport ontwikkelen en dus binding ontstaat. Ook voor deze fase hebben de gymnastiekverenigingen alles in huis. De gymnastiekvereniging is met andere woorden de aangewezen partij om in deze fase het bewegingsaanbod te verzorgen en daarmee een goede basis voor verdere fysieke en technische ontwikkeling te leggen voor (breedte)sport in het algemeen en topturnen in het bijzonder. Bedenk daarbij ook dat er in veel buurten te weinig (veilige) speelruimte is en dat het basisonderwijs veelal geen vakleerkracht voor lichamelijke opvoeding meer heeft. Ook hier zou de bond de verenigingen meer kunnen ondersteunen, vind ik.
In de periode van 8 tot 11 jaar leert het kind dat het moet oefenen als ze iets wil leren. Als de liefde voor de sport er is, vinden kinderen het niet erg om te oefenen. Bovendien genieten ze ook, want bijvoorbeeld de beleving van het over de kop gaan is heerlijk. De neurale- en cognitieve ontwikkeling van kinderen van deze leeftijd maken het ook mogelijk om regelmatig expliciet technisch te scholen. Dit is een zeer belangrijke fase voor de technisch complexe sport die turnen is. De bond zou voor deze fase een heel pakket aan trainingsoefenstof, test programma’s en een uitdagend wedstrijdsysteem moeten ontwikkelen.
In de fase van 11 tot 13 en 13 tot 15 jaar (Trainen om te trainen en trainen voor wedstrijden) wordt de motor van het lichaam sterk gemaakt en wordt het technische programma verder uitgebouwd. Dit is ook de fase waarin de turnsters naar hun top toegroeien. Daarvoor is vooral een op maat gemaakt programma nodig. Trainers moeten in staat zijn om zo'n persoonlijk programma op te stellen. Juist op dat gebied moet er in de opleidingen van trainers nog een slag worden gemaakt.
Rust
Gedurende die laatste twee fasen wordt normaal gesproken ook het aantal trainingsuren opgevoerd tot een maximum. Dat vraagt het nodige van de turners en turnsters. In deze ‘snelkookpan-fase’ vindt ook nog eens de groeispurt plaats en allerlei hormonale veranderingen. Juist dan heeft de potentiële topturner baat bij de veilige basis van de eigen vereniging, de eigen school en vooral ook het eigen gezin.
In het voorstel van de KNGU zou dat echter de fase zijn waarin talenten zich voor trainingen in Den Bosch of Heerenveen zouden moeten melden. Die twee steunpunten bieden geen landelijke dekking. Voor wie wat verder van die centra afwoont, is elf keer per week heen en weer reizen geen optie. Talenten zouden dus hun gezin moeten verlaten en in hun intrek moeten nemen bij een pleeggezin. Mijn ervaringen met die optie zijn over het algemeen negatief. Ook talenten moeten worden opgevoed en moeten normen en waarden krijgen aangereikt. De eigen ouders spelen daarin de meest belangrijke rol.
Efficiënt
De centralisatietrend die vanuit NOC*NSF is ingezet en door de KNGU is overgenomen, is vooral bedoeld om voorzieningen, expertise en kennis te bundelen en efficiënt in te zetten. De bond zou er echter beter aan doen om die expertise en kennis te verspreiden en bij te dragen aan het vergroten daarvan. Wij doen dat op kleine schaal bij onze vereniging Pro Patria in Zoetermeer.
Onze talenten bieden we een persoonlijk trainingsprogramma geheel in lijn van de LTGD-principes. Daarnaast blijven zij zoveel mogelijk hun eigen leven leiden. Tweemaal per week komen leraren naar ons trainingscentrum om de turnsters in een klaslokaal naast de trainingszaal les te geven. Daarnaast gaan ook de grootste talenten drie dagen in de week naar het Segbroekcollege (een LOOT-school), zodat zij zich in de normale sociale omgeving van de school kunnen ontwikkelen. Daar hebben zij meer aan dan aan elf keer per week heen en weer rijden naar Heerenveen of Den Bosch of – erger – een verhuizing naar een gastgezin in de buurt van die centra.
Bij Pro Patria hebben we inmiddels een hele lijn turners en turnsters van zes tot achttien jaar. Wij zijn ervan overtuigd dat uit die breedte pieken zullen ontstaan.
We richten ons echter niet alleen op onze eigen leden. Als een van de huidige zes Nationale Trainingsorganisaties (NTO) hebben we een goed functionerende districtstraining opgezet. Drie groepen train(st)ers komen eens in de drie weken met hun jonge turnsters bij ons langs om samen met onze topturnsters te trainen.
Daarbij besteden we bewust ook aandacht aan de train(st)ers door hen te coachen zodat zij hun pupillen weer beter kunnen coachen. Dat is vooral belangrijk voor de 8- tot 11-jarigen, de ‘leren te trainen fase’ van het LTGD , als turnsters een technisch-methodisch programma nodig hebben.
De tripjes naar Zoetermeer zijn dus zowel voor de turners als voor de coaches leerzaam en nuttig. Echt een win/win-situatie die we landelijk zouden moeten implementeren en op basis van de LTGD-principes verder zouden moeten uitbouwen naar fasen van hogere leeftijd. Want dan slaan we twee vliegen in een klap. We bieden de atleten de uitdaging van ‘trainen van de besten met elkaar’ en we bieden hun trainers de nodige kennis en ondersteuning. Door niet alleen de turners te helpen om zich te verbeteren, maar ook hun trainers, versterken we de verenigingen en dus de basis van de turnpiramide. En hoe steviger de basis, hoe hoger de pieken kunnen reiken.
Sponsor
Sinds de KNGU het onzalige reorganisatieplan heeft aangekondigd, hebben velen mijn mening gevraagd. Bovendien heb ik ook zelf de publiciteit gezocht. Dat doe ik eerlijk gezegd niet graag, want ik hoef niet zo nodig op de voorgrond. Toch ben ik blij dat ik het gedaan heb. Want de reacties zijn heel positief. Blijkbaar wordt het gewaardeerd dat als je duidelijk aangeeft waar je voor staat en wat je ideeën, opvattingen en ambities zijn. De meest opvallend reactie kreeg ik tijdens een turnshow in Zoetermeer, toen ik benaderd werd door iemand die mijn strijdvaardigheid wilde belonen door onze club te ondersteunen. Het zegt natuurlijk niet alles, maar sinds de KNGU haar plannen bekend maakte, heb ik niets gehoord over een nieuwe mogelijke sponsor voor de bond.
Frank Louter (44) staat al vanaf zijn vierde jaar in de gymzaal; al op zijn vijftiende jaar gaf hij gymles of assisteerde hij daarbij. Louter heeft na zijn middelbare school (atheneum) de ALO doorlopen in Amsterdam. Tussen 1987 en 1995 gaf hij gymnastiekles bij verschillende scholen. Vanaf 1991 geeft Louter turntraining bij Pro Patria in Zoetermeer, de grootste club in Nederland. Daarnaast was Louter in 1995/1996, 1996/1997 en 2003 hoofdtrainer van het regionaal trainingscentrum in Zoetermeer. Van 2001 tot en met 2003 was hij bondscoach. In 2002 haalde Frank Louter met zeven andere topcoaches uit verschillende takken van sport het certificaat ‘MasterCoach in sports’ van NOC*NSF. In 2007 en 2008 mocht Louter gebruik maken van ‘Coach aan de top’, een regeling van NOC*NSF en het ministerie van VWS voor coaches die werkzaam zijn in takken van sport die mondiaal bij de beste acht behoren. Dankzij deze regeling kunnen de deelnemende coaches fulltime werkzaam zijn in de top. Bovendien kunnen ze werken aan scholing, kennisuitwisseling en loopbaanontwikkeling zodat ze kunnen groeien in hun vak.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.