7 december 2010
Opinie
Het mogelijk maken van de Olympische spelen in Nederland in 2028 is een ambitieus programma. Een programma kent anders dan een project, geen voorspelbaar resultaat, wel nadrukkelijk een ambitie. Wel wordt een programma - waar mogelijk - vertaald in concrete doelstellingen.
De breedtesportambitie in het Olympisch plan, en de concrete vertaling hiervan, luidt als volgt:
Nederland is in 2016 een samenleving waarbij het beoefenen en beleven van sport voor jong en oud een belangrijke kwaliteit is in hun leven. Minimaal 75% van de Nederlanders, uit alle lagen van de (multiculturele)samenleving, doet in 2016 regelmatig aan sport.
Hiertoe moeten er meer accommodaties komen, moet bedrijfssport gewoon worden, senioren meer kansen krijgen voor sport en gaan verenigingen en hun kader verder professionaliseren.
Die aanpak kan ik onderschrijven. Tegelijkertijd wil ik aantonen dat de huidige realiteit het onmogelijk maakt om in 2016 75% van de inwoners te laten sporten.
In 2006 was het sportdeelnamepercentage 65%. Circa de helft van alle sporters maakt daarbij (ook) gebruik van gemeentelijke sportvoorzieningen. Verder wordt er in commerciële accommodaties (bv. fitnesscentra) of de openbare ruimte gesport. In 2006 gaven gemeenten samen € 770 miljoen uit aan het realiseren, beheren en onderhouden van sportaccommodaties. Dat is ongeveer 85% van het gehele gemeentelijke sportbudget. De gezamenlijke gemeenten zijn - naast de sporters zelf - de belangrijkste financiers van de breedtesport.
Op basis van die getallen kan men redeneren dat elk percentage sportdeelname €12 miljoen kost (aan accommodaties). Het laten stijgen van het sportdeelnamepercentage van 65 naar 75% kost volgens die redenering € 120 miljoen extra. Een stijging van het gemeentelijke budget met ruim 15%! Dat kan minder zijn als de sportdeelname in commerciële sportcentra of de openbare ruimte sterker stijgt dan het zwemmen in de gemeentelijke zwembaden of het sporten bij een vereniging. Maar wat is de politieke realiteit? Hoewel veel gemeenten aangeven sport relatief te willen ontzien, is er sprake van bezuinigingen en niet van het verhogen van budgetten.
Twee gemeenten als voorbeeld. De gemeente Amersfoort heeft 145.000 inwoners, een sportbudget van € 8 miljoen en wil € 1 miljoen bezuinigen. Waarop? Op het niet realiseren van een ijsbaan, de zwembadsubsidies, het uitstellen van de aanleg van kunstgrasvelden, het afschaffen van schoolzwemmen, sportstimulering. Ook de combinatiefuncties worden genoemd als mogelijke bezuiniging.
De gemeente Bunschoten heeft een sportbudget van € 1,4 miljoen en wil € 100.000 bezuinigen op accommodatiesubsidie, het uitstellen van de vervanging van velden, de subsidie aan het zwembad en de combinatiefuncties.
In plaats van de nodige investeringen wordt er ongeveer tien procent op het gemeentelijk sportbudget bezuinigd! Dat zal elders in het land niet veel anders zijn. De grote gemeenten bezuinigen tussen de 1 en 7% op hun totale budget, in euro’s vertaald tussen de €6 en €255 miljoen.
Een aantal besparingen kan plaatsvinden zonder dat dit negatief van invloed hoeft te zijn op de sportdeelname. Ook een alternatieve aanpak biedt mogelijkheden te besparen. Zo heeft Amersfoort voorgesteld om vooral de ongeorganiseerde sport te gaan stimuleren, dat scheelt de gemeente immers geld. Creatief, maar ook de ongeorganiseerde sport profiteert van de aandacht voor en investeringen in (verenigings)accommodaties. Een betere en meer integrale aanpak is om in elke gemeente een ‘beweegbeleid’ te maken, waarin alle mogelijke middelen in samenhang worden ingezet om inwoners aan het sporten & bewegen te krijgen. Dan wordt bekeken op welke wijze de openbare ruimte, sportaccommodaties, sport- en speelplekken en gemeentelijke onderwijs- en welzijnsaccommodaties, effectief ingezet kunnen worden om inwoners (meer) te laten sporten.
Zowel de groei van de verenigingssport als ongeorganiseerde sport zijn nodig om het Olympisch niveau te halen. Het is dus niet alleen sneller, sterker & hoger, maar ook meer! Bij minder is het zaak dat alle partijen die zich achter het Olympisch plan hebben geschaard - waaronder de vier grote steden en de VNG - hun doelen in overeenstemming brengen met de werkelijkheid. Het jaartal 2016 kan worden veranderd in 2025 of het streefpercentage voor 2016 naar beneden bijgesteld. De ambitie kan tegelijkertijd ongewijzigd blijven!!
John Machiels is senior-consultant bij NV SRO.Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.