4 juni 2013
Opinie
Niet zelden stellen provincies zichzelf de vraag of een interventie in de sportsector tot een van de taken van de regionale overheid behoort. Diverse provincies kiezen ervoor geen sportbeleid te ontwikkelen, maar zich te richten op het faciliteren van de implementatie van het landelijk sportbeleid en het steunen van het lokale sportbeleid. De provincie Utrecht - die ruim een jaar geleden besloot het sportbeleid niet te continueren - is daarvan een voorbeeld. Brabant is een voorbeeld van een provincie die ervoor heeft gekozen de sport als middel te gebruiken om ruimtelijk-economische doelen - het kerndomein van provincies - te realiseren.
De sportieve ambities van Brabant zijn verwoord in het Sportplan Brabant 2016. Het doel van het plan is een verbetering van het leef- en vestigingsklimaat in Brabant door middel van het investeren in sport. Hierbij ligt het accent op topsport, maar de investeringen moeten ook de breedtesport ten goede komen. In de visie van de provincie zijn top- en breedtesport onlosmakelijk met elkaar verbonden.
De ‘actielijnen’ vormen de ruggengraat van het Sportplan Brabant 2016. Dit betreft:
• Accommodaties;
• Evenementen;
• Talentontwikkeling;
• Bijzondere breedte- en gehandicaptensport;
• Sportnetwerken;
• Interactie andere domeinen.
Het Sportplan Brabant 2016 streeft onder meer naar uitnodigende en regionaal gespreide sportaccommodaties en een aansprekend aanbod van topsportevenementen met een positieve maatschappelijke en economische spin-off. Ook wordt beoogd sporttalenten ruimte te bieden voor groei en meer Brabanders in staat te stellen om te sporten. Daarnaast komt in het plan de gehandicaptensport aan de orde: er wordt gewerkt aan een verbetering van de bekendheid van het aangepaste sportaanbod en aan een betere aansluiting van het aanbod op de vraag van mensen met een beperking. De actielijn sportnetwerken verwijst naar verbetering van de onderlinge kennisuitwisseling tussen organisaties met lijnen naar de Brabantse sportsector. Tot slot wil de provincie met het plan sportinclusief beleid bevorderen. Daarvan is sprake wanneer organisaties búiten de sportsector sportieve interventies inzetten. Sport kan bijvoorbeeld sociaal isolement tegengaan en de vitaliteit van de bevolking verbeteren.
Met het sportplan is een investering van 40 miljoen euro gemoeid, verkregen uit de verkoop van de Essent-aandelen door de provincie. Het gros van deze investering wordt middels een subsidieregeling besteed. De provincie wil haar ambities niet eigenstandig realiseren, maar zoekt de samenwerking met het bedrijfsleven en onderwijs- en kennisinstellingen. De investeringen van het sportplan zijn overwegend gericht op de Brabantse kernsporten. Dit zijn hockey, hippische sport, zwemmen, turnen, atletiek, wielrennen en (dames)voetbal.
Voorbeelden van investeringen in topsportaccommodaties zijn die in de gemeente Den Bosch (3,6 miljoen euro voor hockeystadion Den Bosch), in de gemeente Reusel-De Mierden (1 miljoen euro voor talentencentrum Academy Bartels) en in de gemeente Tilburg (1,5 miljoen euro voor hockeycomplex Tilburg). Naast investeringen in accommodaties zijn in 2012 twintig topsportevenementen financieel ondersteund (0,8 miljoen euro) en hebben het CTO, het Olympisch Netwerk Brabant en een aantal talentencentra subsidie ontvangen ten behoeve van talentontwikkeling (1 miljoen euro). Verder zijn circa tien projecten op het gebied van gehandicaptensport (0,5 miljoen euro) en ongeveer vijftien projecten voor bijzondere breedtesport (0,4 miljoen euro) ondersteund.
Nulmeting: vaststellen van uitgangssituatie
Zoals een regio met een sterke internationale positie als kennisregio betaamt is in de beginfase van het sportplan onderzoek gedaan naar de status van de sport in Brabant. Het Mulier Instituut heeft deze opdracht in samenwerking met Vrijetijdshuis Brabant, het PON, Sportservice Noord-Brabant/Olympisch Netwerk Brabant en de Universiteit Utrecht voor de provincie mogen uitvoeren. Het onderzoek heeft inzichtelijk gemaakt wat goed gaat en waar meer inzet vereist is. Op basis van de uitgangssituatie is Brabant ook in de gelegenheid om doelen voor 2016 te stellen. Deze 0-situatie kan dienen als referentiepunt voor toekomstige metingen en toont daarmee of indicatoren zich positief of negatief ontwikkeld hebben.
De status van de sport in Brabant wordt in het onderzoeksrapport op diverse aspecten vergeleken met andere provincies en het nationale beeld. Door het presenteren van deze referentiecijfers krijgen de Brabantse resultaten meer betekenis. Een greep uit de resultaten:
• 50 procent van de Nederlandse InnoSportLabs is gevestigd in Brabant.
• In 2011 werden ruim 1,5 miljoen toeristische vakanties in Brabant doorgebracht. Tijdens 2,2 procent van alle vakanties werd een sportevenement bezocht (Nederland: 2,7%).
• Van de 575 sportevenementen in Nederland vonden er 78 plaats in Brabant. Alleen de provincies Zuid-Holland (108) en Noord-Holland (107) hadden meer sportevenementen.
• Het aantal talenten per 100.000 inwoners was in 2012 in Brabant hoger (46) dan in Nederland als geheel (39).
• Landelijk zijn er 39 topsportvriendelijke scholen in het voortgezet onderwijs, waarvan 11 in Brabant.
• Brabant telt 25 topsporters in een gehandicaptendiscipline. Dat is 19 procent van het totaal aantal topsporters in Brabant. Dit aandeel is identiek aan het landelijke.
• Bij bijna de helft van de Brabantse verenigingen (44%) vormt ongewenst gedrag van leden en/of kader geen probleem. Bij ongeveer evenveel verenigingen (49%) speelt het nauwelijks een rol. Voor 6 procent is ongewenst gedrag een behoorlijk probleem.
Het is belangrijk om de invloed van provinciaal sportbeleid niet te overschatten. Deze beperkte stuurbaarheid is enerzijds het gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen die effect hebben op de actielijnen van het sportplan. Een laagconjunctuur draagt bijvoorbeeld niet bij aan een toename van de sportdeelname en is ook geen positieve aanjager van private sponsoring. Anderzijds werken lokale, regionale en nationale overheidsinstrumenten op het terrein van sport - maar ook op andere beleidsterreinen - stimulerend en remmend op de sportieve indicatoren in Brabant (zoals investeringen in preventieve gezondheidszorg).
Vervolg
De provincie is voornemens om na de nulmeting twee vervolgmetingen uit te voeren, in 2014 en in 2016/2017. De meting in 2014 is bedoeld om het sportbeleid tussentijds te evalueren en te onderzoeken of aanpassingen in het beleid wenselijk zijn. De meting in 2016/2017 dient om de effecten van het beleid in beeld te brengen en proces en inhoud achteraf te evalueren.
Meer lezen?
• Klik hier om de onderzoeksrapporten te downloaden.
• Klik hier voor meer informatie over het sportplan.
Reageren?
• N.a.v. het onderzoek: Paul Hover, p.hover@mulierinstituut.nl, @Paul_Hover
• N.a.v. het sportplan: Michel Reinders, MReinders@brabant.nl, @michel_reinders
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.