5 maart 2013
Opinie
In zijn recente column op Sport Knowhow XL - net als natuurlijk in zijn doorwrochte dissertatie - legt Jo Lucassen de vinger op een zere plek: 'Van oudsher worden trainer/coaches en sportleiders vooral opgeleid om sporters tot excellente sportprestaties te brengen. Maar lang niet alle sportbeoefenaren worden gedreven door drang naar excellente prestaties', zo stelt Lucassen, waarna hij de retorische vraag opwerpt of de begeleiding van die categorie sporters 'wel in voldoende mate voorhanden' is en of 'de goede mensen wel op de goede plek ingezet' worden.
Hoewel we er, getuige de schokkende onthullingen van voormalige topturnsters Simone Heitinga en Stasja Köhler, ook niet voetstoots vanuit mogen gaan dat de meest getalenteerde sporters goed getraind en begeleid worden en er terecht veel aandacht is voor misstanden in de topsport, is juist ook in de breedtesport sprake van een zorgelijke situatie. De begeleiding van het gros van de sporters laat ernstig te wensen over. Eigenlijk is het hemelschreiend dat we dat met zijn allen laten gebeuren. We vinden sport heel belangrijk en zouden deze liefst 'op Olympisch niveau' brengen, maar laten de organisatie en begeleiding bijna volledig over aan vrijwilligers die welwillend en enthousiast zijn maar niet per se ter zake kundig. Beschikbaarheid is belangrijker dan kwaliteit.
Als ik terugkijk op mijn eigen 'carrière' als trainer-coach in het jeugdvoetbal kan ik mijzelf oprecht verwonderen over het feit dat ik pak 'm beet twintig jaar voor groepen heb gestaan maar daarvoor nooit enige opleiding of begeleiding heb gehad. Ik was actief bij twee clubs die heel goed aangeschreven stonden. Ik was enthousiast en welwillend, heb zelf lang gevoetbald en dus veel trainers en trainingen meegemaakt, maar was ik ook capabel? Ik hoop het, maar ik weet het niet zeker. Ik heb nooit aanwijzingen gekregen en er is nooit iemand wezen kijken of ik het wel goed deed. Ik heb nooit maar dan ook nooit enige feedback gekregen. En ik heb geen enkele reden om te veronderstellen dat het bij andere trainers en coaches bij andere clubs anders ging.
Was de IKTrainer scan beschikbaar geweest en had ik ervan geweten dan had ik mijn kwaliteiten wellicht een keer 'gecheckt' en mogelijk had ik mijn aanpak vervolgens ook wel wat aangepast. Maar misschien had ik het ook wel ontzien om een batterij vragen te beantwoorden. Hoe goed het instrument ook mag zijn, zolang de toepassing ervan vrijblijvend is, zal het gebruik ervan beperkt blijven tot een selecte groep trainers met meer dan gemiddelde ambitie en waarschijnlijk een dito opleidingsachtergrond in de sport. De implementatie is per definitie problematisch in de setting van vrijwilligersorganisaties.
Verenigingen rekruteren honderdduizenden vrijwilligers louter op grond van hun beschikbaarheid en enthousiasme, zetten ze zonder noemenswaardige instructie of begeleiding aan het werk en kijken er vervolgens niet of nauwelijks meer naar om. Ouders vertrouwen hun kinderen toe aan diezelfde vrijwilligers. Noch de verenigingsbestuurders, noch de vrijwilligers, noch de ouders lijken zich erg te bekommeren om de kwaliteit van de begeleiding, tenzij het om de meer getalenteerde sporters gaat. Daarvoor is geld en aandacht. Daarvoor worden wel bewust gekwalificeerde betaalde krachten aangesteld. Hoewel ook dat - zoals met terugwerkende kracht blijkt uit de praktijken van trainers als Gerard Bakker (tafeltennis), Peter Ooms ( judo) en Gerrit Beltman (turnen) - nog geen verantwoorde aanpak garandeert, zal dat wellicht geen medailles kosten. Maar de sportparticipatie lijdt er beslist wel onder.
In de basisschoolleeftijd weten bijna alle kinderen de weg naar een sportvereniging te vinden. Op die leeftijd is sportstimulering bijna niet nodig. Maar we doen het wel, want er zijn bevolkingscategorieën voor wie sportdeelname geen vanzelfsprekendheid is, en het scoort hoe dan ook lekker. Immers jong geleerd is oud gedaan. Dat de betrekkelijkheid van het laatste adagium dag in dag uit wordt onderstreept door de uitstroom van jongeren uit de sport, willen we liever niet weten.
Natuurlijk, kinderen worden groot. Jongeren gaan andere vormen van vrijetijdsbesteding ontdekken, krijgen oog voor de andere sekse, hoeven ook niet per se allemaal te blijven sporten. Maar laten we niet doen of dit een natuurverschijnsel is waartegen niets te doen valt. Door meer kwaliteit te bieden in training, begeleiding en organisatie kan de uitstroom van sporters worden beperkt en het sportklimaat worden verbeterd. Om dat te bereiken - ik heb er vaker voor gepleit (zie o.m. mijn lectorale rede) - zal een zekere mate van professionalisering, gefaciliteerd door hogere contributies, onontkoombaar zijn. Het is waarschijnlijk de meest effectieve en meest efficiënte manier om de kwaliteit en kwantiteit van de sportdeelname op te krikken.
Bronnen:
• Jan Janssens, ‘De prijs van vrijwilligerswerk. Professionalisering, innovatie en veranderingsresistentie in de sport’. Amsterdam, 2011.
• Simone Heitinga & Stasja Köhler, ‘Een Onvrije Oefening’. Breda, 2013.
• Jo Lucassen, ‘Excellente trainers/coaches voor excellente sport. Ontwikkeling en invoering van een kwaliteitsassessment voor sportleiders’. Utrecht, 2013.
Jan Janssens is lector Sportbusiness Development bij de opleiding Sport, Management en Ondernemen aan de Hogeschool van Amsterdam en vrijwilliger in de sport. Tot voor kort was hij o.m. actief als trainer, coach, scheidsrechter en grensrechter in het jeugdvoetbal.Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.