1 september 2009
Opinie
door: Agnes Elling
De Olympische ambities van NOC*NSF krijgen langzamerhand meer body en de karavaan van ‘hooggeplaatste’ personen binnen en buiten de sport groeit gestaag. Steeds meer mensen raken geïnspireerd en de komende jaren zal alles in het teken worden gesteld om de gestelde doelstellingen in het Olympisch Plan 2028 voor 2016 te halen. Daarbij zal ongetwijfeld ook ruimte zijn voor onderzoek, bijvoorbeeld om bevolkingspeilingen te houden over sportbetrokkenheid en meningen over de Olympische ambities van Nederland. Vanuit het Mulier Instituut proberen we door middel van onderzoek bij te dragen aan relevante informatie voor het (top)sportbeleid in Nederland. Soms direct ondersteunend door middel van diverse monitoringinstrumenten, maar tevens door meer (kritisch) reflectieve studies.
Dat er voor het ‘op Olympisch niveau’ brengen van Nederland grote investeringen nodig zijn, daarover is iedereen het eens. Over de daarmee gepaard gaande noodzakelijke offers wordt nog nauwelijks gerept. Terwijl er ook morele en financiële keuzes gemaakt zullen moeten worden. Die discussie zal de komende jaren eveneens op gang komen.
Eén van die discutabele onderwerpen is de verbetering van talentontwikkeling. De professionalisering van het topsportsysteem en de ambitieuze prestatiedoelstellingen (top 10) leggen een grote claim op de inzet en betrokkenheid van jeugdige topsporters. Mogelijkheden om op jonge leeftijd serieus met sport bezig te zijn, naast schoolverplichtingen en verdere opleidingsmogelijkheden, zijn in de afgelopen jaren reeds gegroeid, waardoor steeds meer talenten de kans krijgen om hun geluk te beproeven als topsporter. De meerderheid van de talenten zal de absolute top echter niet halen en afhaken. De fase van talentontwikkeling blijft namelijk vooral ook een selectieperiode, waarbij de meeste talenten moeten afvallen. In het recent verschenen onderzoeksrapport ‘Alles voor de sport!?’ staan de resultaten van een verdiepend onderzoek naar de ervaringen van (gestopte) talenten en hun ouders met investeringen en ‘offers’ voor topsport en de opbrengsten ervan.
De resultaten laten zien dat een te eenzijdige focus op topsport weliswaar tot gewenste prestaties kan leiden, maar ook ‘gevaren’ kent. Zeker wanneer het gaat om het welzijn van jonge mensen. Vanuit de psychologie en pedagogiek is al langer bekend dat een eenzijdige identiteitsontwikkeling (als ‘topsporter’) niet bevorderlijk is voor een gezonde persoonlijkheidsontwikkeling. Voor sommige talenten staat een eenzijdige topsportidentiteit uiteindelijk ook juist het behalen van topprestaties in de weg. Omdat ze niet voldoende afstand kunnen nemen en hun zelfvertrouwen en welbevinden volledig afhangt van hun sportprestaties, ervaren ze te veel (wedstrijd)stress en te weinig ontspanning en spelplezier om goed te presteren.
Toch eist het topsportsysteem of ‘regime’ bij monde van trainers en soms ook sterk betrokken ouders dat talenten al op jonge leeftijd een keuze maken voor topsport en daar alles voor over hebben. Maatschappelijke carrière, sociale contacten, woonomgeving en andere interesses worden daarbij soms volledig ondergeschikt gemaakt aan de topsportbeoefening.
De huidige ontwikkeling in het talentontwikkelingsbeleid heeft twee gezichten. Enerzijds zijn de kansen om topsport te beoefenen en een opleiding te volgen de laatste jaren geoptimaliseerd. Daarnaast is er in toenemende mate aandacht voor de combinatie tussen topsportbeoefening en het ontwikkelen van een breder maatschappelijk perspectief via betaalde arbeid. Anderzijds worden de eisen vanuit de topsport steeds groter, zeker in het licht van de gestelde ‘top tien ambities’. Talenten zouden op jongere leeftijd meer moeten trainen en ook de aandacht voor gerichte sportspecifieke talentidentificatie groeit.
De inrichting van LOOT-scholen, CTO’s en andere topsporterscentra en de aanstelling van mental coaches zijn er ten behoeve van optimalisering van talentontwikkeling in het licht van topsportprestaties. Daardoor wordt de bijzondere status van talenten – en daarmee de topsportidentiteit – niet gerelativeerd, maar juist benadrukt. Er is dus eigenlijk sprake van een paradoxale ontwikkeling. Regelingen die ertoe bij moeten dragen dat topsporters zich minder eenzijdig ontwikkelen (combinatie sport en opleiding) dragen juist bij tot het versterken van een topsportidentiteit.
Het beeld dat sommige topsportouders een te grote druk leggen op jonge talenten is via de media bekend, maar veel ouders voelen zich ook deels machteloos staan tegenover de zuigende werking en allesbepalende karakter van het topsportsysteem. Zij zijn vaak actief betrokken bij de topsportcarrière van hun kind, maar weten niet altijd hoe te handelen wanneer ze problemen signaleren bij hun kind zoals blessures of mentale problemen. Niet alle ouders trekken (tijdig) aan de bel, omdat ze twijfelen aan hun eigen kennis, vertrouwen op de kennis van de trainer en/of niet als ‘zeurende ouder’ willen overkomen. Bij de huidige stroomversnelling op het gebied van talentontwikkeling in Nederland lijkt meer beleidsaandacht voor de rol van ouders gewenst. Zowel waar het gaat om ‘overbetrokken’ ouders als het beter profiteren van de signaalfunctie van ouders.
Uitval is niet te voorkomen, maar in een klein land als Nederland kan nog zuiniger worden omgesprongen met de aanwezige talenten. Preventieve mentale en maatschappelijke begeleiding kan de kans op problemen bij talenten verkleinen en daarmee ook een deel van onnodige vroegtijdige carrièrebeëindiging voorkomen. Een pedagogisch verantwoord talentontwikkelingsbeleid verdient bovendien meer ondersteuning bij de transitie van topsporttalenten naar een andere levensinvulling.
De optimalisering van het talentontwikkelingsproces heeft geleid tot een grotere talentenpool, waarvan uiteindelijk de meesten moeten afhaken. Deze jongeren met topsportambities en hun ouders hebben vaak jarenlang geïnvesteerd en zijn vaak niet goed voorbereid op een leven waarin de prioriteit niet meer bij topsport ligt. Behalve aan de entreezijde van een topsportloopbaan is dan ook meer beleidsaandacht wenselijk voor een verantwoord, mensgericht, exit-proces van talentvolle sporters.
Behalve onderzoek naar de manier hoe de gestelde olympische doelstellingen gerealiseerd kunnen worden, pleit ik tevens voor meer flankerend, reflectief onderzoek, waarbij niet de vraag hoe ‘wij’ kunnen winnen centraal staat, maar de voorwaarden waaronder wij willen meedoen om te winnen.
Relevante literatuur
Luijt, R., Reijgersberg, N. & Elling, A. (2009). Alles voor de sport!? (Gestopte) Topsporttalenten en hun ouders over investeringen, opbrengsten en offers, Nieuwegein/ ’s-Hertogenbosch: Arko Sports Media/ W.J.H. Mulier Instituut.
Agnes Elling is als senior onderzoeker verbonden aan het Mulier Instituut - centrum voor sociaal wetenschappelijk sportonderzoek - te Den Bosch en verricht momenteel onder meer onderzoek naar de ‘achterkant’ van topsport binnen de transitieprocessen talentontwikkeling en stoppen met topsport.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.