Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Alarmerende berichten over dopinggebruik in amateursport behoeven nuance

Alarmerende berichten over dopinggebruik in amateursport behoeven nuance

5 maart 2013

Opinie

door: Mark van den Heuvel

'Veel dopinggebruik in de amateursport', zo stelde een rapport van medisch dienstverlener VvAA dat vorige week verscheen; 'er zijn 160.000 dopinggebruikers in Nederland en waarschijnlijk meer', liet de Nederlandse Dopingautoriteit in reactie daarop meteen weten. Schijnbaar alarmerende berichten die nuance behoeven voordat we gaan denken dat de gehele sport onder de dope is.

Reden genoeg om mijn onderzoek naar dopinggebruik in de amateursport uit 2002 – dat ik vanuit het Mulier Instituut verrichtte in opdracht van het Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken - er nog eens op na te slaan in combinatie met raadpleging van recente cijfers van het Nationaal Prevalentie Onderzoek dat zich onder meer richt op het gebruik van prestatieverhogende middelen.

Het onderzoek uit 2002 was erop gericht inzicht te krijgen in het gebruik van dopinggeduide middelen in de georganiseerde breedtesport in Nederland. We gingen niet over een nacht ijs. Naast cijfers uit het Nationaal Prevalentie Onderzoek (NPO) - een landelijk representatieve studie naar druggebruik in Nederland - hielden we enquêtes onder sportartsen en trainers en 723 enquêtes onder wedstrijdsporters (op hoog niveau) in zes takken van sport (krachtsport, wielrennen, atletiek, vecht- en verdedigingssporten, voetbal en hockey).

Omdat het om de top van de amateurs ging bij sporten waarvan kon worden aangenomen dat daar wellicht doping zou kunnen worden gebruikt (met name krachtsport en wielrennen), gingen we ervan uit dat de gevonden percentages een bovengrens zijn van het dopinggebruik in de georganiseerde amateursport.

Uitgaande van een uitgebreide dopinglijst (dus inclusief middelen als cafeïne, alcohol, marihuana, hasj) vonden we dat 14% van de wedstrijdsporters wel eens doping had gebruikt (life time gebruikers) en 9% in de laatste 12 maanden (huidige gebruikers). Het meest kwam dit voor bij krachtsporters, gevolgd door wielrenners. De andere sporten bleven ver achter. Zonder de genoemde middelen (die niet echt prestatiebevorderend werken) in de analyse te betrekken, kwamen we uit op percentages van respectievelijk 6% en 3%, waarbij alleen de krachtsporters ver in de meerderheid waren en wielrenners vergelijkbaar waren met andere sporters.

De conclusie was dat binnen de georganiseerde amateursport in Nederland het gebruik van doping weinig voorkomt en als het voorkomt bijna alleen binnen de wereld van de krachtsporten.

De cijfers van het Nationaal Prevalentie Onderzoek betreffen onder meer het gebruik van doping onder de gehele bevolking, dus ook onder de niet-georganiseerde sporters c.q. bezoekers van fitnesscentra en sportscholen. In het onderzoek van destijds gebruikten we cijfers uit 2001, zie daarvoor tabel 2. In tabel 1 zijn de meest recente NPO-cijfers uit 2009 opgenomen. Om onderzoekstechnische redenen mag uit de cijfers geen lange termijn trend worden gedestilleerd; de onderzoeken staan dus op zich.

Tabel 1 Gebruik prestatie verhogende middelen Nederlandse bevolking (15-64 jaar) 2009, inclusief 95%-betrouwbaarheidsinterval

 Prevalenties 2009 (%)Populatieschattingen (x 1000)
 Life time gebruikLaatste 12 mnd gebruikAbsoluut aantal (laatste 12 mnd gebruik)OndergrensBovengrens
Prestatieverhogende middelen1,60,3332154
Bron: Rooij et.al. (2011)


Tabel 2 Gebruik prestatieverhogende middelen Nederlandse bevolking (15-64 jaar) 2001, inclusief 95%-betrouwbaarheidsinterval

 Prevalenties 2001 (%)Populatieschattingen (x 1000)
 Life time gebruikLaatste 12 mnd gebruikAbsoluut aantalOndergrensBovengrens
Prestatieverhogende middelen0,70,39378111
Bron: Abraham et.al. (2002)

Uit tabel 1 blijkt dat het aandeel van de Nederlandse bevolking dat ooit prestatieverhogende middelen heeft gebruikt (life time gebruik) rond 1,6% bedraagt en het aandeel dat de laatste twaalf maanden heeft gebruikt (de huidige gebruiker) ligt op ongeveer 0,3% . Dit komt overeen met een absoluut aantal life time gebruikers tussen 143.000 en 215.000 en een absoluut aantal huidige gebruikers tussen 21.000 en 54.000.

De middelen waarnaar gevraagd is betreffen Anabolen, Groeihormoon, EPO, Schildklierhormoon, Clenbuterol, stimulerende middelen zoals, amfetaminen, efedrine, cafeïne in hoge dosering of een ander middel. Dit zijn cijfers uit 2009, maar aangenomen mag worden dat er geen grote verschuivingen in een paar jaar tijd zijn opgetreden.

In 2001 bleek uit nadere analyse dat binnen het NPO-onderzoek vooral beoefenaren van krachttraining, fitness en bodybuilders prestatieverhogende middelen gebruikten. Deze analyse is (nog) niet gedaan voor 2009, maar aangenomen mag worden dat dit beeld niet veranderd is.

Al met al kunnen we vaststellen dat het beeld dat er ook veel doping in de amateursport wordt gebruikt (zo’n 160.000 gebruikers) ongenuanceerd is. Zeker in deze tijd kan dat gevaarlijk stigmatiserend werken. Ons onderzoek uit 2002 zou natuurlijk nog eens herhaald kunnen worden, maar waarschijnlijk levert dat geen wezenlijk ander beeld op.

Bij de amateursporters zijn het vooral de krachtsporters, bodybuilders en fitnessbeoefenaren die prestatieverhogende middelen gebruiken. Dat is op zichzelf geen nieuwe constatering, maar waar het medische of maatschappelijke problemen geeft, zijn uiteraard maatregelen nodig.

Culture of tolerance
In ons onderzoek uit 2002 hebben we ook een model opgesteld aan de hand waarvan het gebruik van doping kan worden begrepen. In feite gaat het om een handelingsmodel dat aangeeft waarom mensen doen wat ze doen, in dit geval wat de achtergronden zijn van dopinggebruik. Simpel gesteld komt het erop neer dat er zowel individuele factoren als contextuele factoren in het spel zijn. Die factoren gezamenlijk werken in op – in dit geval – de dopinggebruiker én maken het gebruik van doping ook mogelijk en betekenisvol. Samen vormen deze factoren - zou je kunnen zeggen - de dopingcultuur waarbinnen de dopinggebruiker opereert. Mijn stelling is dat een dergelijke culturele benadering een goede manier is om het gebruik van doping te doorgronden.

Vaak wordt (impliciet) een individueel perspectief gehanteerd om het gebruik van doping te verklaren. Er ontstaat dan een beeld van de sporter die alleen opereert, in het geheim doping gebruikt om sneller te herstellen, zijn carrière een boost te geven enz. Maar diverse auteurs hebben gewezen op het belang van contextuele factoren. Ivan Waddington stelde al in 2000 dat het gebruik van doping niet alleen moet worden begrepen door te kijken naar de sporter die het gebruikt, maar dat het ook nodig is te kijken naar het netwerk van artsen, trainers, coaches, begeleiders. Dit netwerk creëert een ‘culture of tolerance’ ten aanzien van het gebruik van doping. Deze contextuele factoren kunnen nog verder worden aangevuld, zie tabel 3.

Tabel 3 Contextuele en individuele factoren rondom dopinggebruik

Contextuele factorenIndividuele factoren
• Kennis over en toegang tot middelen
• Financiële middelen
• Attitude van sleutelpersonen
• Professionaliteit van de sport
• Druk van de omgeving
• De mate van controle
• Maatschappelijke aandacht voor drugs
• Commercialisering van de sport
• Medicalisering
• Achtergrondkenmerken
• Opvattingen over gebruik
• Betekenis van gebruik
• Kennis over middelen
• Lichamelijke gesteldheid
• Geestelijke gesteldheid
• Sportprestaties
• Stadium sportcarrière
Bron: Van den Heuvel (2002)

In ons onderzoek uit 2002 vonden we aanwijzingen dat deze factoren veel meer bij de krachtsporten aanwezig waren dan bij de andere sporters.

Het is inmiddels duidelijk dat ook binnen de wereld van het professionele wielrennen - al jarenlang - sprake is van het samengaan van individuele en contextuele factoren die samen een culture of tolerance creëren. Het is denk ik daarom een goede zaak dat het onderzoek van de KNWU naar het Nederlandse profwielrennen zich ook expliciet gaat richten op de ‘dopingcultuur’ en de ‘praktijken en systemen' zichtbaar wil maken. Het gaat er dan minder om individuele renners aan de schandpaal te nagelen maar eerder om de cultuur (geïnstitutionaliseerde praktijken en systemen) zichtbaar te maken, te begrijpen en te veranderen. Dat is de enige manier om - althans voor Nederland - schoon schip te maken, hoe moeilijk dat ook zal zijn.

Doping is een bedreiging voor de sport en de sporter. Daarom verdient het serieuze aandacht, zowel binnen de amateursport als de professionele sport. Ook is het belangrijk dat we niet ons het hoofd gek laten maken door te denken dat behalve in de professionele wielersport ook binnen de amateursport dopinggebruik wel wijdverbreid zal zijn. Daar is niets en niemand mee gediend.

Literatuur
• Abraham, M., H. Kaal., P. Cohen (2002). Licit and illicit drug use in the Netherlands 2001. Amsterdam: CEDRO/Mets.
• Heuvel, M. van den (m.m.v. Janine van Kalmthout en Femke van den Houdt) (2002). Doping in de breedtesport. Een onderzoek naar de aard en omvang van het gebruik van dopinggeduide middelen in de georganiseerde breedtesport. Mulier Instituut/NeCeDo.
• Rooij, A. J. van, T.M. Schoenmakers, D. van de Mheen (2011) Nationaal Prevalentie Onderzoek Middelengebruik 2009; De Kerncijfers. Rotterdam IVO.
• Waddington, I. (2000). Sport, health and drugs. A critical sociological perspective. London: E & FN Spon.

Mark van den Heuvel is lector Sportbusiness aan de Fontys Economische Hogeschool Tilburg. Voor meer informatie: Mark.vandenheuvel@fontys.nl

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.