Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Afbouw van subsidies hoe gaat u daar als sportorganisatie mee om

Afbouw van subsidies: hoe gaat u daar als sportorganisatie mee om?

13 september 2011

Opinie

door: Björn van Eijk, Eline Beekhuis en Paul Kreupeling

In een tijd van bezuinigingen wordt er op de kleintjes gelet. Niet alleen de cultuursector wordt bedreigd met intrekking of wijziging van subsidies. Ook de sportsector staat in toenemende mate onder druk. Deze problematiek speelt niet alleen op landelijk niveau, waar als gevolg van het hernieuwde gezondheidsbeleid van het Ministerie van VWS het mes wordt gezet in subsidies voor bewegings- en gezondheidsbevorderende projecten. Ook lokale sportorganisaties zien hun budgetten krimpen doordat overheden minder prioriteit geven aan de stimulering van deelname aan sportieve activiteiten.

Kunnen subsidies zomaar worden verlaagd of ingetrokken, zeker als deze al jarenlang zijn verstrekt? Welke juridische mogelijkheden zijn er om hier actie tegen te ondernemen? En als die mogelijkheden er niet zijn, hoe gaat u daar dan binnen uw organisatie mee om? In dit artikel gaan wij op deze vragen in.

Intrekken subsidie
Steeds meer sportorganisaties worden geconfronteerd met de situatie dat na afloop van een subsidieperiode voor de daaropvolgende nieuwe periode geen subsidie meer wordt verleend. Een overheidsinstelling komt daar niet zo gemakkelijk mee weg. (Sport)organisaties die al langer dan drie jaar een subsidie ontvangen voor dezelfde voortdurende activiteiten worden op basis van de Algemene wet bestuursrecht namelijk extra beschermd. Subsidie kan worden stopgezet als sprake is van ‘veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten die zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten.’ In de jurisprudentie is uitgemaakt dat ‘het formuleren en uitvoeren van nieuw beleid, al dan niet veroorzaakt door bezuinigingsoverwegingen’ intrekking van subsidie kan rechtvaardigen.

De bescherming komt er op neer dat een overheidsinstelling de subsidie voor dezelfde voortdurende activiteiten slechts kan intrekken met inachtneming van een redelijke termijn. Dat is logisch, omdat de sportorganisatie er vanwege de langdurige subsidierelatie op mag vertrouwen dat de geldkraan niet abrupt wordt dichtgedraaid en de organisatie tijd nodig heeft om zich aan de veranderde situatie aan te passen. Vaak is met het oog op bepaalde projecten extra personeel aangenomen dat opeens overtollig wordt. 

Redelijke termijn
Er zijn veel procedures gevoerd over de vraag wat nu wordt verstaan onder ‘een redelijke termijn’. In de jurisprudentie is bepaald dat de gehanteerde termijn de subsidieontvanger in staat moet stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de beëindiging van de subsidierelatie te ondervangen. Per geval moet worden beoordeeld wat onder een redelijke termijn wordt verstaan. Stel dat een sportorganisaties acht jaar lang - telkens gedurende aaneengesloten periodes van twee jaar - voor dezelfde activiteiten projectsubsidies ontvangt en daarvoor op een zeker moment medewerkers een dienstverband voor onbepaalde tijd moet aanbieden. Voor werknemers die ouder zijn dan 27 jaar geldt immers de regel dat driemaal een contract voor onbepaalde tijd kan worden gesloten. Wordt vervolgens een vierde arbeidsovereenkomst gesloten, dan geldt die overeenkomst voor onbepaalde tijd. In een zaak die in 2009 diende voor de Rechtbank Amsterdam werd geoordeeld dat ook in een dergelijk geval een termijn van een half jaar redelijk en lang genoeg is om aan te kondigen dat de subsidie wordt ingetrokken of gewijzigd. De organisatie heeft met een periode van een half jaar namelijk tijd genoeg om bijvoorbeeld de arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd te beëindigen en andere bezuinigingsmaatregelen door te voeren.

Bij het antwoord op de vraag wat een redelijke termijn is spelen ook de zogenaamde algemene beginselen van behoorlijk bestuur een rol. Dit zijn beginselen waarmee een overheidsinstelling rekening moet houden bij het nemen van een besluit. Een voorbeeld hiervan is het vertrouwensbeginsel. Indien in een bepaalde subsidieperiode toezeggingen zijn gedaan aan een voetbalvereniging die inhouden dat de vereniging in de nieuwe subsidieperiode zonder meer een subsidie tegemoet kan zien, is het mogelijk dat de subsidie voor die nieuwe subsidieperiode ook daadwerkelijk moet worden verleend. Het komt voor dat sportorganisaties op basis van door de overheid gewekte verwachtingen voor de uitvoering van bepaalde projecten overeenkomsten met derden aangaan.

In dat geval is het redelijk om de termijn voor beëindiging van de subsidie gelijk te stellen aan de resterende duur van die overeenkomsten. Dit kan uiteraard anders zijn indien de overheidsinstelling bij de subsidieverlening uitdrukkelijk heeft medegedeeld dat eventuele beleidsveranderingen kunnen leiden tot een intrekking van de subsidie. Dit hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval.

Ook het gelijkheidsbeginsel speelt een belangrijke rol. Onder het mom ‘gelijke monniken, gelijke kappen’ zal een overheidsinstelling in geval van een beëindiging van de subsidie voor soortgelijke sportorganisaties en –vereniging gelijke termijnen moeten hanteren. Het is dus zaak om dit goed te onderzoeken.

De procedure
Tegen een besluit tot intrekking van een subsidie kan gedurende zes weken bezwaar worden gemaakt. Beslist de overheidsinstelling negatief, dan kan binnen een zelfde termijn beroep worden ingesteld bij de rechtbank, eventueel gevolgd door hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Andere mogelijkheden
Als deze procedures geen soelaas bieden en met het oog op de gesubsidieerde activiteiten arbeidsovereenkomsten zijn aangegaan, zijn bezuinigingen en zelfs reorganisaties vaak onvermijdelijk.

Het beëindigen van een arbeidsovereenkomst met een werknemer (niet zijnde een ambtenaar) vanwege financiële redenen kan plaatsvinden in onderling overleg, door toestemming te vragen aan het UWV Werkbedrijf of de kantonrechter te verzoeken de arbeidsovereenkomst(en) te ontbinden.

Voordat het UWV Werkbedrijf toestemming geeft voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomsten van werknemers of de kantonrechter de betrokken arbeidsovereenkomsten ontbindt, zal de (sport)organisatie moeten aantonen dat er sprake is van bedrijfseconomische redenen. Om aan te tonen dat de financiële consequenties van het intrekken van de subsidie een reorganisatie noodzakelijk maken zal dit met cijfermatige gegevens onderbouwd moeten worden, bijvoorbeeld door middel van de winst- en verlies- rekening, balans, omzetcijfers en/of een accountantsverklaring. Verder zal onderbouwd moeten worden welke maatregelen er reeds genomen zijn binnen de (sport)organisatie voordat besloten werd dat de arbeidsovereenkomsten van de betrokken werknemers beëindigd moeten worden.

Wordt een ontbinding via de kantonrechter gevraagd, dan zal deze aan de hand van de kantonrechtersformule een vergoeding aan de werknemer toekennen. Is de financiële situatie binnen een (sport)organisatie dusdanig dat ook het betalen van een vergoeding niet mogelijk is, dan kan de kantonrechter de vergoeding nog enigszins aanpassen wanneer de (sport)organisatie een beroep doet op het zogenaamde ‘habe-nichts/habe-wenig’ verweer.

Het UWV zal geen vergoeding toekennen aan de betrokken werknemer wanneer zij toestemming geeft voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst. Wel kan de werknemer dan in een kennelijk onredelijk ontslagprocedure proberen een vergoeding toegewezen te krijgen. In een dergelijke procedure worden vergoedingen op dit moment minder snel en minder ruim aan werknemers toegewezen.

Björn van Eijk, Eline Beekhuis en Paul Kreupeling zijn werkzaam bij de secties Vastgoed & Overheid, Arbeid & Organisatie en Sport & Leisure van Marxman Advocaten. Voor meer informatie: www.marxman.nl

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.