Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
Vsg biedt haar gedragsregels aan als wapen in dopingstrijd

VSG biedt haar gedragsregels aan als wapen in dopingstrijd

4 juli 2013

Nieuws

door: Lennart Bloemhof | 4 juli 2013

Artsenorganisatie KNMG verkondigde dat artsen nooit doping hadden mogen voorschrijven en NOC*NSF-voorzitter André Bolhuis zei medische begeleiding rond dopinggevallen 'stevig te gaan bestuderen'. Het zijn enkele reacties op het in juni verschenen rapport van de Commissie Anti-Doping Aanpak, opgesteld onder leiding van oud-minister Winnie Sorgdrager. “Makkelijk”, zegt Anja Bruinsma, directeur van de Vereniging voor Sportgeneeskunde (VSG), over die reacties. De VSG hanteert al vele jaren gedragsregels op het gebied van doping voor haar aangesloten (sport)artsen. Sportbrede conformering aan deze regels zou volgens Bruinsma de dopingcultuur écht veranderen.

De VSG publiceerde eind juni - naar aanleiding van de respons op het rapport Sorgdrager - een persbericht en benadrukte daarin haar dopinggedragsregels. In die regels is de arts onder meer verplicht het verzoek van een gezonde sporter om doping voor te schrijven af te wijzen. Alle VSG-leden onderschrijven de gedragsregels. Overige artsen ondertekenden niet een dergelijke dopinggedragscode.

Onduidelijk
In 1995 voerde de VSG haar dopinggedragsregels in. Een jaar later werden die gedragsregels overgenomen door de KNMG en golden daarmee voor de gehele Nederlandse medische wereld, maar werden in 2002 weer geschrapt. Bruinsma: “De KNMG veranderde toen haar gedragsregels en verwijderde de richtlijnen betreft sportmedisch handelen, inclusief de dopingpassage. De status van de VSG-gedragsregels werd daarmee gewijzigd omdat ze ineens weer voor een veel kleinere groep ‘verplicht’ waren.”

Die ontwikkeling heeft volgens haar de rol van medische begeleiding rond dopinggevallen onduidelijker gemaakt. Daarnaast constateert Bruinsma een ander probleem. “Bij dopinggevallen gaat de aandacht vaak alleen uit naar de artsen”, zegt ze. “Maar rondom sporters zijn heel veel mensen actief op het gebied van begeleiding, zoals verzorgers en trainers. Deze begeleiders hebben ook een eigen verantwoordelijkheid.”

SCAS-certificering
In haar persbericht stelt de VSG een aantal maatregelen voor om de mist rondom medische begeleiding en dopinggevallen op te klaren. Eén van die VSG-aanbevelingen is het verplichten van een SCAS-certificering voor alle (para)medische begeleiders van sporters. De SCAS (Stichting Certificering Actoren in de Sportgezondheidszorg) is een organisatie die controleert of begeleiders die werkzaam zijn in de sportgezondheidszorg voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen. De dopinggedragsregels van de VSG zouden in de certificering opgenomen moeten worden, aldus Bruinsma.

“Dat certificeringssysteem bestaat al sinds 2000 en bijvoorbeeld de Koninklijke Nederlandse Wielren Unie (KNWU) had daar meer gebruik van kunnen maken. Zo hadden ze een SCAS-certificaat verplicht kunnen stellen voor de mensen die zich bezighielden met de begeleiding van renners. De begeleiding van sporters is nu te los georganiseerd, zonder duidelijke verantwoordelijkheden.”

Heropname in KNMG-gedragsregels
Met het advies om de SCAS-certificering te verplichten voor alle sportbegeleiders en het opnemen van de dopinggedragsregels in die certificaten hoopt de VSG een belangrijke stap te zetten in de strijd tegen doping. Een andere weg - en ander VSG-advies - is (her)opname van de gedragsregels in de gedragsregels van de KNMG, aldus Bruinsma. “Dat zou de makkelijkste manier zijn om de gedragsregels van de VSG op alle medici van toepassing te laten zijn.”

Bruinsma benadrukt dat sportartsen die bij de VSG zijn aangesloten allen de dopinggedragsregels ondertekenden. “Maar sportarts is nog altijd geen beschermde titel: iedereen mag zich sportarts noemen zonder zich te schikken aan de VSG-gedragsregels, ook al zijn we druk bezig een erkend geneeskundig specialisme te worden. Het zijn daarom vaak huisartsen of bedrijfsartsen die genoemd worden in dopingzaken. Niet de sportarts.”

Als voorbeeld noemt ze Berend Nikkels, de Bredase ‘dopingdokter’ die een tiental wielrenners begeleidde en adviseerde bij hun dopinggebruik. Nikkels runt een huisartsenpraktijk in de Noord-Brabantse stad. “Maar eigenlijk maakt het mij niet zoveel uit op welke manier het gaat”, aldus Bruinsma over het schikken aan de dopinggedragsregels. “Het belangrijkste is dat we allang een systeem hebben op het gebied waar nu over gediscussieerd wordt. Daar moeten we dan ook meer gebruik van maken”, benadrukt ze.

Grijs gebied
Bruinsma erkent dat het breed incorporeren van de gedragsregels geen wonderzet is om dopinggevallen uit te bannen. “Maar je dwingt (para)medici om de regels te ondertekenen en zich daaraan te binden. Als er dan iets gebeurt, kun je daarop terugvallen. Dat werkt ook preventief.”

Bruinsma wil met haar pleidooi tegelijkertijd voor duidelijkheid zorgen in het grijze gebied waar sportbegeleiders zich soms bevinden. “Een arts moet zich bewust zijn van zijn positie en in welk verband hij middelen voorschrijft. Het is te gemakkelijk om te zeggen dat een arts zich niet met dopingmiddelen mag bezighouden in de sportwereld. Daar spreek je namelijk pas over in competitief verband, terwijl dergelijke middelen soms in gezondheidsverband nodig zijn.

“Als iemand zijn been breekt, is het voorschrijven van spierversterkende middelen logisch”, specificeert de VSG-directeur. “Tijdens de voorbereiding op de Tour de France is dat wat dubieuzer. Ik wil daarmee benadrukken dat er ontzettend veel nuances zijn op dit gebied. De dopinggedragsregels moeten voor duidelijkheid zorgen.”

Verder zijn de gedragsregels een instrument voor soigneurs om op hun strepen te staan, volgens Bruinsma. “Als verzorger deel je lief en leed met een sporter en ben je heel direct bij diegene betrokken. Bij doping moet die verzorger kunnen denken, en zeggen: ‘Dat doe ik niet, omdat ik de gedragsregels heb ondertekend.’”

Zelfdiscipline
Rhijn Visser is sportarts en voorzitter van de VSG. Als praktijkdeskundige onderschrijft Visser het praktische nut van de VSG-gedragsregels, als geschetst door Bruinsma. Wel is hij realistisch.

“Het zijn gedragsregels, geen wetten. Je bent niet strafbaar wanneer je ze overtreedt. De regels vallen en staan bij handhaving door de arts zelf of niet. Daardoor zullen er altijd mensen tussendoor fietsen”, aldus Visser, maar hij voegt daar overtuigd aan toe: “Wel sta ik voor mijn beroepsgroep in dat wij ons aan de gedragsregels houden. Als we iets constateren, wijzen wij sporters op de gevaren van doping en het feit dat het niet mag. We zullen het nooit voorschrijven en hebben daar ook absoluut geen belang bij.”

Duidelijkheid
Net als Bruinsma meent Visser dat de arts te vaak als schuldige wordt aangewezen in een dopingzaak, terwijl het initiatief meestal bij de sporter zelf ligt volgens hem. Hij verwijst naar een Amerikaans onderzoek uit 1995, waarin een medisch wetenschapper 198 olympische atleten een dilemma voorschotelde.

Visser: “Hij vroeg de atleten of ze een pil zouden gebruiken met twee garanties: ze zouden de komende vijf jaar al hun wedstrijden winnen en konden niet gepakt worden voor dopinggebruik. Wel zouden ze na die vijf succesjaren overlijden vanwege de bijwerkingen. Meer dan de helft van de sporters zei ‘ja’ tegen de pil.”

De VSG-voorzitter omschrijft de dopinggedragsregels als 'mooie regels'. Visser: “Je kunt maar één ding doen, en wij doen dat keurig als VSG”, zegt hij. “Daarom zou het goed zijn als we ons breed conformeren aan die regels. Ook om het onderscheid tussen VSG-sportartsen die zich wel schikken aan de gedragsregels en andere artsen, werkzaam in de sportzorg, op te heffen.” Met het toepassen van de gedragsregels creëert de medische wereld duidelijkheid voor arts en buitenwereld op dopinggebied, volgens Visser.

Nationale aangelegenheid
Zowel de dopinggedragsregels van de VSG, de KNMG-gedragsregels en de SCAS-certificering zijn Nederlandse aangelegenheden. Doping is een internationale kwestie en VSG-directeur Anja Bruinsma deelt die mening, maar zegt geen aspiraties over de grens te hebben met de gedragsregels. “In elk land is sport en sportgeneeskunde anders georganiseerd. Ik vind dat je het eerst in eigen land op orde moet hebben; één op één kopiëren is met dit soort zaken lastig.”

Nu Bruinsma de VSG-dopinggedragsregels promoot, hoopt ze NOC*NSF en de sportbonden te motiveren om de code op te pakken en toe te passen binnen de sportwereld. “Het is een kwestie van vraag en aanbod bij elkaar brengen”, verklaart ze. “Ik hoop dat we in gesprek gaan, want het zou zonde zijn om het wiel opnieuw uit te vinden.”

Klik hier voor informatie over het 9e editie van het Sportmedisch Wetenschappelijk Jaarcongres

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.