9 juli 2009
Nieuws
Eric Lankers, projectleider onderzoek en beleidsadviseur juridische zaken WOS:
“Het rapport laat zien dat er op meerdere terreinen nog heel wat te winnen valt rondom de arbeidsverhoudingen van de beroepssporters in Nederland. Het kennis- en expertiseniveau bij sportorganisaties over arbeidszaken moet over de hele linie omhoog. Veel arbeidsrelaties worden namelijk nog steeds afgedaan met één of twee zelfgeformuleerde A4’tjes, als er al sprake is van een contract. Ook vanuit de kant van de beroepssporter merken we weinig aandacht voor arbeidszaken. Een contract blind tekenen gebeurt helaas nog altijd. De sporter heeft het contract immers nodig om het ultieme doel te bereiken: zo goed mogelijk sportief presteren. Verder valt op dat er vanuit de beroepssporters zelf en de sportwereld betrekkelijk weinig aandacht bestaat voor de maatschappelijke positie en de voorbereiding of verdere ontwikkeling van de maatschappelijke carrière. Opleidings- en pensioenvoorzieningen voor beroepssporters ontbreken of zijn versnipperd georganiseerd.”
“Het rapport pleit er daarom voor om per direct en gezamenlijk (werkgevers en werknemers) aan de slag te gaan om een noodzakelijk inhaalslag voor beroepssporters te maken. Zowel werkgevers als beroepssporters moeten zich daarvoor steviger toerusten en organiseren om te komen tot een evenwichtige sociale dialoog. Partijen als NL Sporter zullen sterker moeten worden, met meer mankracht, slagkracht en financiële middelen. Aan werkgeverszijde beveelt het rapport een stevig sociaal secretariaat aan, dat als service- en kennisinstituut voor werkgevers in de sport kan dienen. Daarnaast pleit het rapport voor een faciliterende cao voor beroepssporters met sportspecifieke basisafspraken rondom de flexwet, doping, en minimum requirements over het gebruik en de inhoud van contracten. De cao dient sectoraal te regelen wat sectoraal kan, maar dient voor partijen op sporttak- en sportclubniveau voldoende vrijheid te bieden om (binnen deze sectorale afspraken) zelfstandig onderlinge afspraken te maken.”
“Verder beveelt het rapport aan een pensioenvoorziening voor beroepssporters op te zetten en een opleidingsfonds voor beroepssporters en uitvallende jonge talenten die de top niet halen. Ook collectieve ziektekosten en zorgvoorzieningen zijn gewenst met afspraken rondom snelle diagnoses, aanvullende diagnostieken (MRI-scans en echo’s), speciale revalidatietherapieën en een topsportmedisch keuringsaanbod. Daarnaast merken we dat topsporters die gebruik maken van de stipendiumregeling en in een latere levensfase bevinden in een spagaat terecht komen tussen topsportcarrière en maatschappelijke carrière, omdat de huidige stipendiumregeling ontoereikend is. Het rapport beveelt daarom aan in de stipendiumregeling een differentiatie naar de leeftijd en leefsituatie van de topsporter aan te brengen. De WOS pleit ervoor direct aan de slag te gaan en heeft daarom voorgesteld een regiecommissie in te stellen om snel concrete acties in gang te zetten.”
Bart Zijlstra, directeur sport van Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport: “Het Ministerie van VWS is blij met het rapport, dat een goede analyse geeft van de huidige situatie rondom de arbeidsverhoudingen van topsporters in Nederland. Wij nemen de aanbevelingen uit het rapport ter harte en staan achter de ambitie in Nederland een goed topsportklimaat te creëren. Dat betekent dat ook de arbeidsverhoudingen van de beroepssporters in Nederland goed geregeld moeten zijn. We zijn op weg, maar er zijn nog veel aandachtspunten. Om de top te bereiken, zal je ook talenten moeten kunnen behouden door ze perspectief te bieden.”
“De komende tijd zullen wij ons beraden over een vervolgtraject. We kunnen daarin zelf niet alles faciliteren, maar willen in ieder geval wel het initiatief nemen bij het rond de tafel brengen van de betrokken partijen die kunnen bijdragen aan of belang hebben bij een betere arbeidspositie van topsporters. Iedereen moet daarin zijn verantwoordelijkheid nemen.”
“Ik benadruk verder dat het belangrijk is dat topsporters zelf ook om tafel zitten om mee te praten over de arbeidsverhoudingen. De sport is een atypisch beroep dat van korte duur is, je moet in korte tijd veel presteren. Topsporters willen alle gedoe wegfilteren voor een podiumplaats, maar ze zijn zelf ook verantwoordelijk. Daarnaast is de tijd ook rijp om te bekijken of de huidige stipendiumregeling nog past bij het topsportklimaat waar we in Nederland naartoe willen.”
Yves Kummer, voorzitter belangenorganisatie NL Sporter:
“Er zijn 4.600 beroepssporters in Nederland. Dat wil zeggen mensen voor wie sport een gehele of gedeeltelijke dagtaak is. (Top)sport heeft een belangrijke positie in de maatschappij. Zo streeft Nederland een ‘top tien positie’ na op Olympische Spelen. Deze ambitie is niet alleen uitgesproken door de sportorganisaties, maar ook door de overheid.”
“Hoe kan het dan toch zo zijn dat veel niet-sporttechnische zaken zo slecht zijn geregeld? De meeste sporters verdienen minder dan het minimumloon, hebben geen pensioenregeling, maken vaak hun opleiding niet af en zijn vaak slecht verzekerd. Vaak worden afspraken alleen mondeling gemaakt. En als er dan iets gebeurt, bijvoorbeeld een speler raakt geblesseerd zoals volleyballer Wouter Stoltz van Nesselande, blijkt er geen arbeidsongeschiktheidsverzekering te zijn en geen enkel plan om iemand aan een nieuwe carrière te helpen.”
“De tijd is echt voorbij dat een sporter blij mag zijn dat hij topsport mag bedrijven. Met het professionaliseren van de topsport hoort ook een volwassen sociale relatie. Het rapport ‘Een wereld te winnen’ van de WOS bevestigt ons beeld. Wij kunnen ons dan ook goed vinden in de analyse van dit rapport.”
“Het is voor de sport van belang dat er een sociale dialoog komt tussen werkgevers en werknemerspartijen. Een dialoog met als gemeenschappelijk thema een beter sportklimaat en een verbetering van de arbeidsverhoudingen. Het is daarbij noodzakelijk dat er vertegenwoordigers van de werkgevers komen en van de werknemers. Het is ook belangrijk dat er middelen vrij worden gemaakt om de werknemersorganisatie goed te organiseren. Het zal niet altijd makkelijk zijn, maar het is noodzakelijk om verdere stappen te zetten. Ook op Europees niveau komt een dergelijke ontwikkeling tot stand.”
“Dit rapport, waaraan NL Sporter van harte heeft meegewerkt, geeft een weg aan waarlangs dit tot stand kan komen. Wij zijn blij met de uitkomsten van dit rapport. Dit rapport kan echter geen eindstation zijn, doch vormt slechts het begin van een start van de sociale dialoog.”
“Wat er nu moet gebeuren? Allereerst moeten verschillende betrokken partijen, zoals NOC*NSF, sportbonden, Ministerie van VWS, de conclusies uit dit rapport omarmen en voorkomen dat het een praatstuk wordt. Vervolgens moeten er twee partijen komen die zich als sociale partners opwerpen. Wij als NL Sporter zijn bereid de positie van de werknemer op ons te nemen, met ondersteuning van een andere FNV Bond, namelijk FNV Sport.”
“Het is echter lastig om werkgeversorganisaties te vinden. Sportbonden en NOC*NSF willen deze rol niet vervullen. Leagues ontkennen ook vaak een koepelorganisatie voor werkgevers te zijn. Blijven de clubs over. Deze zijn vaak niet georganiseerd, of hebben de middelen niet. Wij zijn daarom blij dat de WOS dit initiatief op zich wil nemen.”
“Een ander aspect is financiën. Met name op korte termijn om een eerste start te maken en de partijen bij elkaar te brengen. Het Ministerie van VWS zou ons daarin moeten faciliteren. Alleen met krachtige organisaties kan dit traject tot een goed einde worden gebracht. Daarvoor is ook geld nodig. Geld om te kunnen starten en om de werknemersorganisatie beter te organiseren. Goede communicatie en informatie richting de sporters is cruciaal voor een goede vertegenwoordiging en begeleiding. Uiteindelijk zal de sport zelf deze volwassen dialoog moeten dragen.”
“En het allerbelangrijkste is de wil en een goede intentie. Met de goede intentie en wil kunnen we op korte termijn succes boeken. Met de ambitie van 2028 in het achterhoofd is een goede samenwerking tussen sporters en sportorganisaties belangrijk. In het belang van een goed en professioneel sportklimaat. Wij doen zonder aarzeling mee!”
Chiel Warners, lid van de Atletencommissie NOC*NSF:“De sport professionaliseert steeds verder. Dit zorgt voor zwaardere eisen die aan topsporters wordt gesteld. Topsport is een beroep met een voltijds programma. Het is belangrijk dat de organisatiestructuren daar omheen mee ontwikkelen. De Atletencommissie van NOC*NSF staat achter de top tien ambitie en is van mening dat bij die ambitie ook een pakket randvoorwaarden hoort. Topsporters hebben de beste mogelijk uitgangspositie nodig om die ambitie waar te kunnen maken. De laatste jaren is wel een inhaalslag gemaakt op het gebied van de positie van (top) coaches maar de sporters zijn achtergebleven. De redenen hiervoor lopen uit één van gebrek aan kennis bij de betrokken organisaties tot het niet (voldoende) georganiseerd zijn van de sporters.”
“De belangrijkste punten die uit het rapport van de WOS naar voren komen waarop in onze ogen veel winst geboekt kan worden zijn:
- differentiatie van het stipendium naar leeftijd en levensfase;
- kennisbundeling en toegankelijk maken voor betrokken partijen;
- een basis CAO die in minimum requirements voorziet, maar die per tak van sport verder kan worden ingevuld;
- regelingen voor het opbouwen van een inkomensvoorziening voor na de sportcarrière;
- een opleidingsfonds.
Wat vooral uit het rapport spreekt is de wil de schouders er onder te zetten en aan de slag te gaan. Het rapport geeft een goed inzicht in de situatie nu en legt de tekortkomingen bloot. Daarnaast is er een heldere aanzet gegeven voor mogelijke stappen op weg naar oplossingen. Wij zullen alles doen om te helpen ervoor te zorgen dat deze prima eerste aanzet een vervolg krijgt.”
Marcel Sturkenboom, directeur NeVoBo
“Topsport wordt steeds intensiever over langere periodes verspreid: we hebben dan ook steeds meer te maken met mensen die fulltime en op serieuze wijze met topsport bezig zijn. Daardoor ontstaat de discussie of dit niet gehonoreerd zou moeten worden. We zijn naar mijn idee toe aan een volgende stap: het maatschappelijk maken van de arbeidsvoorwaarden, bijvoorbeeld in de vorm van loon. In de volleybalwereld geldt dat topsporters hun top over het algemeen op steeds latere leeftijd bereiken. Dit maakt discussies rondom arbeidsverhoudingen in feite makkelijker, omdat je dan minder te maken hebt met jongeren voor wie andere voorwaarden gelden.”
“In mijn ogen is er veel geïnvesteerd in topsport, maar zijn we de topsport zelf vergeten. Dat vind ik bizar. Er is aandacht voor coaching, innovatie, materiaal en ga zo maar door, maar kennelijk is dat allemaal belangrijker dan in te zoomen op de positie van de topsporter zelf. Ook die behoeft aandacht, dat moeten we serieus nemen. Iedereen adviseert om te gaan polderen, met elkaar in gesprek te gaan, maar naar mijn idee is de tijd rijp om actie te gaan ondernemen. Daar hebben we niet heel veel nieuwe informatie voor nodig. Het is van belang om een goede werknemersorganisatie op te zetten die de verhouding tussen werkgevers en werknemers kan verbeteren. We zouden onze energie dus niet meer moeten stoppen in nóg meer verkennen, maar we moeten nu echt dingen gaan doen.”
“Alle partijen hebben natuurlijk een bepaald belang, ook alle bonden, ook mijn eigen bond. Ik denk dat er een doorbraak nodig is, zodat er werkelijk iets gaat gebeuren. Deze doorbraak moet je forceren, in plaats van erop te wachten. Er moet niet te veel met elkaar gepraat worden, maar men moet actiegericht, oplossingsgericht en resultaatgericht te werk gaan.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.