18 april 2013
Nieuws
door: Leo Aquina | 18 april 2013
Nieuwe concepten om mensen aan het sporten te krijgen; het ministerie van VWS stelde in 2011 subsidies beschikbaar voor pilotprojecten om laagdrempelige sportconcepten te ontwikkelen. Onderzoeksinstituut NIVEL heeft een evaluatie uitgevoerd van de acht projecten die door zeven bonden werden geïnitieerd. Deelnemers zijn enthousiast en geven de projecten gemiddeld ruim een '8' als rapportcijfer. Maar NIVEL concludeert dat slechts drie van de acht sportconcepten ‘inzetbaar lijken in het kader van sport- en bewegingsstimulering’. Cindy Veenhof van NIVEL licht de resultaten van het onderzoek toe.
De subsidies van het ministerie van VWS werden verstrekt als pilot voor het beleidskader Sport en Bewegen in de Buurt 2012-2016. De deelnemende sportbonden waren Atletiekunie, Nederlandse Basketball Bond, Nederlandse Bridge Bond, Koninklijke Nederlandse Hockey Bond, Nederlandse Tafeltennisbond, Koninklijke Nederlandse Voetbalbond en KNBLO Wandelsportorganisatie Nederland. NOC*NSF begeleidde de bonden inhoudelijk samen met het NISB. Per project was er 125.000 tot 200.000 euro beschikbaar voor sportbonden. Wogen de kosten op tegen de baten? “Dit waren pilotprojecten, dan zijn die kosten minder belangrijk”, aldus Veenhof. “Het gaat er vooral om dat je ziet of die pilots de beoogde effecten hebben. Als die projecten straks op grote schaal worden ingezet is het natuurlijk wel belangrijk om de kosten tegen de baten af te zetten.”
Inactieven stimuleren
Wat waren de belangrijkste voorwaarden waaraan projecten moesten voldoen om in aanmerking te komen voor subsidie? Veenhof: “Ze moesten bewegen stimuleren bij doelgroepen die minder bewegen. Daarbij kun je denken aan jeugd uit het voortgezet onderwijs, maar ook aan ouders van jonge kinderen, 45 plussers of ouderen. Daarbij moesten de projecten niet uit het niets ontwikkeld worden. Ze moesten voortbouwen op een bepaalde ervaring.”
In het NIVEL-rapport staat dat ‘drie sportconcepten inzetbaar lijken in het kader van sport- en bewegingsstimulering’. Op een totaal van acht concepten is dat geen hoge score. “Daarbij moet worden aangetekend dat NOC*NSF bij de verdeling van gelden ook gelet heeft op andere punten. Bijvoorbeeld of een project gericht was op het stimuleren van sport of het verhogen van het aantal leden van een vereniging”, legt Veenhof uit. “Maar bij een programma als Sport en Bewegen in de Buurt wil je natuurlijk wel stimuleren dat mensen meer in beweging komen. Uit ons onderzoek blijkt dat drie projecten daarin zijn geslaagd, maar lijken meer projecten er wel geschikt voor. De voornaamste reden dat we bij die andere vijf projecten niet hebben kunnen meten of het ook gebeurde, was dat de deelnemers bij die projecten meestal toch al aan de beweegnorm voldeden."
Ledenwerving
De drie programma’s die erin zijn geslaagd niet-actieve mensen in beweging te krijgen waren ‘Run to the start’ van de Atletiekunie, 'kennismaken met de hockeyvereniging door hardlopen’ van de hockeybond en ‘Wandelfit’ van de Wandelsportorganisatie KNBLO'. Van de acht projecten waren er volgens het onderzoek vier inzetbaar in het kader van ledenwerving voor sportverenigingen. “Dat is iets anders dan ervoor zorgen dat mens meer gaan bewegen”, legt Veenhof uit. “Er zijn mensen die al voldoen aan de beweegnorm, die nog geen lid zijn van een sportvereniging.”
NIVEL concludeert niettemin dat de kwaliteit van de projecten hoog was. Hoe kan dat? Veenhof: “We hebben een procesevaluatie gedaan op het niveau van de bonden en de verenigingen. Daarnaast hebben we een monitorstudie gedaan onder de deelnemers. Daaruit bleek dat de kwaliteit hoog was. Deelnemers geven hoge cijfers bijvoorbeeld omdat de projecten dicht in de buurt zaten, omdat er goede trainers waren en goede materialen, dat soort zaken.”
Vervolgonderzoek nodig
Het blijft natuurlijk de vraag of projecten die succesvol waren bij deelnemers die toch al voldeden aan de beweegnorm ook succes kunnen hebben bij inactieve deelnemers. “Dat is inderdaad moeilijk te zeggen”, aldus Veenhof. “De sportconcepten zijn laagdrempelig, dus op basis daarvan kun je verwachten dat ze ook voor de minder actieven effect kunnen sorteren. Maar zeker weten doen we dat niet. Daarvoor is meer onderzoek nodig. Dit was slechts een pilot. Dat onderzoek kunnen we doen bij vervolgtrajecten. Het liefst heb je dan een grote groep deelnemers van inactieve en semi-actieve mensen waarvan de ene helft aan het project deelneemt en de andere helft fungeert als controlegroep. Die groepen moet je dan voor langere tijd volgen om de effecten te kunnen meten.”
Dat vervolgonderzoek is er nog niet, maar de acht concepten zijn op basis van de kwaliteit wel opgenomen in de Menukaart Sportimpuls. Dat is een wegwijzer voor beleidsmakers waarin zij concepten kunnen vergelijken. “De Menukaart Sportimpuls zal bredere implementatie van de concepten stimuleren”, aldus Veenhof. Wellicht biedt dat in de toekomst ook een gelegenheid voor vervolgonderzoek.
Voor meer informatie: pdf van het NIVEL-rapport
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.