11 september 2025
Nieuws
door: Emilie Maclaine Pont | 11 september 2025
Waarom zouden we wachten met stimuleren van bewegen tot kinderen naar school gaan? Volgens Jessica Gubbels, universitair hoofddocent aan de Universiteit Maastricht en projectleider van Actief Systeem voor een Actieve Start (ASAS), wordt de basis al veel eerder gelegd. “Tussen 0-3 jaar vinden de belangrijkste motorische ontwikkelingen plaats: van omrollen tot kruipen, van staan tot lopen. Wat in die jaren ontbreekt, is later nauwelijks in te halen.”
Toch ligt de nadruk in beleid en onderzoek vooral op basisschoolkinderen. Baby’s en peuters krijgen vaak minder aandacht, terwijl juist hun motorische ontwikkeling van groot belang is voor een leven lang bewegen. “Wie jong leert bewegen, ontwikkelt niet alleen motorische vaardigheden maar ook gewoontes en plezier in bewegen. Dat werkt door tot ver in de volwassenheid”, aldus Gubbels.
Ontwikkelsprong
ASAS, een van de projecten van MOOI in Beweging, bestaat uit vier mbo-opleidingen, drie hogescholen, drie universiteiten en het Mulier Instituut, aangevuld met expertiseorganisaties en praktijkpartners en richt zich daarom op de allerkleinsten. Gubbels: “Een kind van zes kan al springen en rennen, maar een baby moet alles nog leren. Je ziet daar een enorme ontwikkelsprong. Het zou zonde zijn als we pas vanaf de basisschool beginnen met stimuleren.”
ASAS sluit nauw aan bij het project ACT2ACT, dat zich richt op kinderen van 3-6 jaar. “Eigenlijk is de knip bij drie jaar arbitrair”, zegt Gubbels. “We willen een doorlopende lijn ontwikkelen, ook voorbij het zesde levensjaar. Het zou zonde zijn om in aparte eilandjes te werken. Daarom stemmen we nu al af welke metingen we doen en hoe we de projecten op elkaar laten aansluiten.”
De verschillen tussen beide doelgroepen zijn groot. “Een baby kan motorisch bijna niets, terwijl een kind van zes al veel basisvaardigheden beheerst: rennen, springen, fietsen. Bij de allerjongsten gaat het om leren van basisbewegingen zoals rollen en kruipen. Bij oudere kinderen gaat het meer om sporten, buitenspelen, zelf ergens naartoe lopen of fietsen en gymlessen. Dat vraagt dus ook om een andere benadering.”
Een breed consortium
Wat ASAS bijzonder maakt, is de breedte van de samenwerking. Naast universiteiten en hogescholen doen ook mbo-opleidingen pedagogisch werk mee, net als praktijkpartijen zoals kinderopvangorganisaties, consultatiebureaus en beweegaanbieders. Bovendien is er een ouderpanel dat meedenkt. “Dat laatste is heel belangrijk”, geeft Gubbels aan. “Ouders zijn de sleutel in de ontwikkeling van hun kinderen. Zij moeten zich herkennen in de aanpak, anders werkt het niet.”
Het project is opgebouwd uit vier werkpakketten, die samen de stappen vormen naar een systeemaanpak. In de eerste fase is het systeem rondom jonge kinderen in kaart gebracht met bestaande data en best practices. Daarbij wordt gezocht naar zogeheten hefbomen voor systeemverandering.
“Het gaat erom dat je interventies vindt die doorwerken in het hele systeem. Als een ouder meer kennis en vertrouwen krijgt, gaat hij of zij vaker samen met het kind bewegen. Dat verandert ook hoe het kind bewegen ervaart en kan zelfs doorwerken naar grootouders of de kinderopvang. Een ander voorbeeld: stel dat een consultatiebureau speelgoed uitleent of de gemeente meer veilige speelplekken realiseert. Dan verandert de manier waarop gezinnen bewegen. Het systeem reageert mee.”
Het perspectief van gezinnen
In werkpakket twee stond het perspectief van gezinnen centraal. Onderzoekers bezochten 36 gezinnen intensief: huisbezoeken, interviews, observaties, dagboekjes en vragenlijsten. “We hebben niet alleen de ouders bevraagd, maar ook hun netwerk: grootouders, buren, kinderopvang, consultatiebureaus. Want een jong kind beslist nog niets zelf. Wat we willen bereiken, moet aansluiten bij de gezinnen en hun omgeving.”
De bevindingen zijn soms verrassend. Zo bleek dat ouders vaak niet te weinig, maar juist te veel informatie krijgen. “Via sociale media, vrienden, professionals; iedereen zegt wel iets over hoe het moet. Ouders zien door de bomen het bos niet meer. De uitdaging wordt dus: hoe help je gezinnen omgaan met de veelheid en de tegenstrijdigheid aan adviezen?”
Co-creatie
Nu het inventariseren grotendeels is afgerond, start ASAS met co-creatie. In werkpakket 3 werken onderzoekers, ouders en professionals samen aan adviezen en interventies. “We willen aansluiten bij wat er al is. Er bestaan veel mooie initiatieven, zoals peuterzwemmen, ouder-kind-gym of beweegprogramma’s op de opvang. Maar hoe sluiten die op elkaar aan? Waar zitten de gaten? Daar gaan we mee aan de slag.”
Het doel is om geen losse interventie te ontwikkelen, maar een aanpak die ingebed raakt in het hele systeem. Alle betrokken partijen moeten zich er eigenaar van voelen, is de gedachte. In werkpakket 4 worden al die partijen daarom bij elkaar gebracht om kennis te delen en elkaar te versterken. “Het is pas echt duurzaam als kinderopvang, consultatiebureaus, gemeenten, buurthuizen en ouders samen optrekken. Alleen dan kan het systeem veranderen.”
Beweging als vanzelfsprekendheid
Over de langetermijndoelen van het project is Gubbels eveneens helder: “Mijn droom is dat het normaal wordt dat kinderen genoeg bewegen en daar de mogelijkheid toe hebben. Dat het systeem hen uitnodigt om te bewegen. Nu gebeurt vaak het tegenovergestelde: kinderen zitten veel, worden afgeremd door veiligheidsregels of door praktische keuzes van ouders. Terwijl frustratie en vallen óók horen bij leren bewegen. Een kind moet de kans krijgen om uitgedaagd te worden.”
De oplossing zal niet eenvoudig zijn, benadrukt ze. “Er zijn veel partijen bij betrokken en iedereen kijkt vanuit zijn eigen rol. Maar juist daarom is een systeemaanpak nodig. Alleen samen kunnen we bereiken dat bewegen net zo vanzelfsprekend wordt als leren praten of naar school gaan.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.