6 juni 2013
Nieuws
Sportgeneeskunde is dichtbij de langgewenste erkenning als medisch specialisme: in mei gaf het College Geneeskundige Specialismen (CGS) aan daar positief tegenover te staan, nadat de Vereniging voor Sportgeneeskunde (VSG) in november 2011 een aanvraag voor erkenning indiende. “De belangrijkste stap is gezet”, zegt Anja Bruinsma - directeur van de VSG - tevreden over het advies.
Tussen 1998 en 2001 doorliep de VSG zónder succes een soortgelijk aanvraagtraject. Onder meer het wetenschapdomein van sportgeneeskunde zou onvoldoende zijn ontwikkeld en het specialisme zou te weinig eigenheid hebben, waren argumenten van het Centraal College Medische Specialismen (CCMS), waar destijds de aanvraag werd ingediend. “Aan die punten hebben we de afgelopen tien jaar hard gewerkt”, zegt Bruinsma.
Moderne zorgvraag
En met succes. Het CGS oordeelde in haar advies dat sportgeneeskunde een grote ontwikkeling heeft doorgemaakt op het gebied van kwaliteit, opleiding, wetenschappelijk onderzoek en positionering in de afgelopen tien jaar. Erkenning van sportgeneeskunde als geneeskundig specialisme is volgens Bruinsma cruciaal om te voldoen aan de moderne zorgvraag in Nederland.
“Ons doel is juist om mensen uit de zorg te houden en daar ligt een maatschappelijke behoefte”, zegt Bruinsma, refererend aan de stijgende zorgkosten. “Anders dan bij de bestaande medische specialismen kijken wij naar de belastbaarheid van mensen in relatie tot sport en bewegen: wat kan iemand aan, in relatie met datgene wat hem of haar overkomen is, en hoe kun je diegene daarin begeleiden?” Preventie in de zorg speelt de laatste jaren een veel belangrijkere rol, ook bij de meer diagnostisch ingestelde medische specialismen.
Zichtbaarheid
Via erkenning van sportgeneeskunde moet de specifieke sportzorg beter vindbaar en toegankelijker worden voor patiënten. Zonder erkende status is vergoeding van een consult bij de sportarts alleen mogelijk via de aanvullende ziektekostenverzekeringen. Daarbij moet de sportarts zichtbaarder worden in het medisch spectrum met de officiële titel die aan erkenning is verbonden.
Bruinsma: “Op dit moment zit de sportgeneeskunde in een onduidelijke positie. Het is voor patiënten van de sportarts vaak verwarrend als ze opeens zelf de rekening moeten betalen. Bovendien mag de sportarts niet doorverwijzen naar andere medisch specialisten, dus als een sportarts een patiënt naar de cardioloog wil doorverwijzen moet deze eerst langs de huisarts voor een verwijzing. Ook het aanvragen van aanvullende diagnostiek is een lastig verhaal. Dat verandert allemaal als de sportgeneeskunde erkend is.”
Verder wordt de opleiding sportgeneeskunde met een stempel van het CGS toegankelijker voor aspirant-sportartsen. “Wij hebben, omdat we niet erkend zijn, geen opleidingsfonds zoals andere medische specialismen”, zegt Bruinsma. “Dat betekent dat sportartsen een gedeelte van hun opleiding zelf moeten betalen. Vijftien jaar geleden moesten ze alles nog zelf betalen, maar dankzij overheidssubsidies is dat teruggebracht. Wel is er nog steeds sprake van eigen bijdrage. Bij erkenning wordt dat rechtgetrokken met de overige specialismen.”
Professionalisering
Volgens Bruinsma is de toekenning van overheidssubsidies toonaangevend voor de toenemende maatschappelijke relevantie van sportgeneeskunde. Ook op wetenschappelijk gebied ontvangt het vakgebied overheidssteun. Bruinsma: “Die subsidies resulteerden in een aantal proefschriften en stimuleerden wetenschappelijk onderzoek. In Nederland hebben we nu vier hoogleraren sportgeneeskunde.”
De vereniging van de medische discipline werkte de afgelopen jaren hard aan professionalisering en profilering van het vakgebied. Diverse kwaliteitsontwikkelingen zijn gestart, zoals certificeringstrajecten van de sportmedische instellingen waarin een groot deel van de sportartsen werkzaam is. Ook is, met hulp van de VSG, veel energie gestoken in het profileren van de specifieke expertise van de sportarts: zowel in ziekenhuizen - waar meer dan de helft van alle sportmedische instellingen gevestigd zijn - als in de medische keten. Huisartsen verwijzen volgens Bruinsma steeds vaker door naar sportartsen.
“We probeerden ons de afgelopen tien jaar te gedragen alsof we een erkend medisch specialisme waren”, verklaart ze de professionaliseringsdrang. “Zo hebben we ons opleidingsplan niet geijkt op de eisen van de sociale geneeskunde - waar wij formeel onder vallen - maar gebaseerd op de criteria van de medisch specialismen. Regeren is vooruitzien in dit geval en als je erkend wil worden, weet je dat je er toch een keer aan moet voldoen.”
Wetenschapsswitch
Bruinsma gebruikt een voorbeeld om aan te tonen dat onder meer het wetenschappelijk programma van de opleiding flink op de schop is gegaan, om zo de door het CGS gewenste eigenheid te creëren. “Tien jaar geleden was de opleiding grof geschetst opgebouwd uit een jaar dat focuste op orthopedie, een jaar op cardiologie en in de laatste twee jaar stond sportgeneeskunde centraal. Vanuit die perspectieven werd ook wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd. Dus in het cardiologiejaar werd voornamelijk vanuit cardiologieoogpunt naar sportgeneeskunde gekeken. Dat is veranderd. Nu wordt er juist vanuit de sportgeneeskunde geredeneerd en dat levert ook proefschriften op met onderwerpen die concentreren op sportgeneeskunde.”
Praktijkvraag
Die gedachteswitch heeft de VSG een belangrijkere rol in de zorgvraag opgeleverd, zegt de directeur. “We werken nu op een duidelijke manier en profileren ons helder. Daardoor krijgen we plotseling vragen binnen vanuit de sportpraktijk.” Bruinsma benadrukt dat ze blij is met die vragen uit het veld. “We willen graag de vertaling naar de praktijk maken, zodat de sporter er ook wat aan heeft en dan belandt een onderzoek niet ergens in een kast.”
Zo kwam er vanuit de zwemwereld het onderzoeksverzoek binnen, met als probleemstelling de structurele schouderpijn bij zwemmers en waterpoloërs. Uit het judo- en fitnesscircuit leefde de vraag wat de consequenties van gewichtsbeheersing waren in hun sporttakken, zoals het effect van crashdiëten.
Volgens Bruinsma is sportgeneeskunde onherkenbaar veranderd in de afgelopen tien jaar. Toch houdt ze zich op de vlakte, gevraagd naar de kans op definitieve erkenning nu het positieve advies door het CGS is uitgesproken. “Ik blijf een slag om de arm houden. Maar we weten precies wat ons te wachten staat, als de minister haar goedkeuring geeft.”
Laatste fase
Diverse medische organisaties oordelen nu over het erkenningsvoorstel. Bruinsma: “Dat zijn in eerste instantie de partijen die dicht bij ons staan, zoals de verenigingen voor cardiologie, orthopedie en huisartsen.” Ook beslissen andere medische koepels, zoals de Orde van Medisch Specialisten en de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, over de toetreding van sportgeneeskunde in de kring van medische specialismen.
Bruinsma hoopt dat eventuele kritiek uit de medische wereld op het voorstel positief en gefundeerd is. “Zo vond iemand dat we de sportzorg te algemeen beschreven in ons voorstel. Het leek diegene verstandiger om het ouderenbeleid te specificeren, aangezien dat een relevant thema wordt in de aankomende jaren. Dat vond ik een goed idee. Ik hoop op meer van dat soort adviezen, want het zal altijd beter kunnen.”
In september hoopt het CGS de consultatieronde afgerond te hebben, waarna het college een definitief oordeel velt. Bij opnieuw een positief advies gaat het voorstel naar de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die vervolgens met een simpele handtekening de lange reis van sportgeneeskunde naar een erkend medisch specialisme, definitief beëindigt.
Voor meer informatie: College Geneeskundige Specialismen; Vereniging voor SportgeneeskundeDeel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.