18 oktober 2012
Nieuws
door: Leo Aquina | 18 oktober 2012
Acht tot tien procent verbetering in de schotprestatie bij een jumpshot in het basketbal; onderzoek van de Faculteit Bewegingswetenschappen aan de Vrije Universiteit (MOVE Research Institute Amsterdam) toont aan dat er nog veel rek zit in de schotpercentages bij basketballers. Onderzoeker Raôul Oudejans houdt zich al twaalf jaar bezig met onderzoek naar het jumpshot. Hij ontwikkelde een bril die het zicht van de schutters belemmert tot een halve seconde voor ze de bal loslaten. “We hebben onder anderen damesinternationals getraind. Hun schotpercentages verbeterden significant.” Samen met CTO Amsterdam, de Nederlandse Basketbalbond NBB en InnoSportNL wil Oudejans een trainingsbril op de markt brengen.
Het is niet helemaal toevallig dat Oudejans uitgerekend het basketbaljumpshot als een van zijn onderzoeksobjecten heeft gekozen. “Ik basketbal zelf al dertig jaar. Als bewegingswetenschapper onderzoek ik ook andere dingen, maar hier komen voor mij wel twee werelden samen. Twaalf jaar geleden ben ik gepromoveerd op hoge vangballen in het honkbal, dat is een heel andere specifieke motorische taak. Na mijn promotie ben ik naar aanleiding van een vraag van een van mijn oude basketbalcoaches de zaal ingegaan om het jumpshot eens te gaan bekijken met video-opnames. Die studie leverde uiteindelijk niet veel op, maar vanuit de contacten met proefpersonen - topschutters uit de Nederlandse competitie - zijn we het laboratorium ingegaan voor verder onderzoek.”
300 tot 400 milliseconden de tijd
Oudejans stuitte op een studie van Joan Vickers uit 1996, waarin de Canadese onderzoekster aantoont dat schutters een hoger percentage vrije worpen raak schieten als zij meer tijd nemen om naar de ring te kijken. “Vanuit mijn eigen basketbalpraktijk wist ik dat je in een wedstrijdsituatie veel minder lang de tijd hebt dan één of anderhalve seconde. Daarom ben ik gaan onderzoeken hoe die schotpercentages veranderen als een schutter pas op het laatste moment zicht krijgt op de basket. Of andersom, als deze juist op het laatste moment geen zicht meer heeft op de basket.” Uit dat onderzoek bleek dat topschutters genoeg hadden aan zicht in de laatste 300-400 milliseconde voordat de bal de handen verlaat, om raak te schieten. Andersom bleek dat schutters die juist dat laatste deel geen zicht hadden, veel minder scoorden. “Dat is theoretisch te verklaren omdat je op het laatste moment de meest up-to-date informatie hebt, terwijl spelers die juist op dat laatste moment geen zicht hadden, op basis van relatief verouderde zichtinformatie moesten schieten”, legt Oudejans uit.
Met een training waarbij schutters alleen die laatste 300-400 milliseconde zicht hebben, simuleert de onderzoeksopzet een wedstrijdsituatie, waarin een speler na allerlei handelingen in voorbereiding op het schot ook vaak pas op het allerlaatste moment zicht heeft op de ring. Gerichte training met zicht op dat laatste moment bleek zeer effectief en leidde tot een prestatieverbetering van acht tot tien procent.
Verschillende schietstijlen
Het onderzoek gaf Oudejans echter nog meer inzicht in het jumpshot. Toen hij de tijdspanne waarop spelers zicht hebben op de ring nader bekeek, bleken er twee verschillende schietstijlen te bestaan waarbij spelers op andere momenten kijken. Bij de hoge techniek kijkt de speler onder te bal door en heeft hij tot op het laatste moment zicht op de ring. Bij de lage techniek wordt het zicht op het laatste moment geblokkeerd door de bal. Op basis van de conclusie dat juist het laatste stukje zicht het belangrijkste is voor een accuraat schot, lijkt die lage techniek minder efficiënt. “Dat hangt een beetje af van de uitvoering”, aldus Oudejans. “Er zijn schutters bij wie het zicht alleen geblokkeerd is op het allerlaatste moment van ‘bal los’ en dan maakt het niet veel uit. Maar het komt ook voor dat het zicht langer wordt geblokkeerd en dan is het wel aan te raden de techniek aan te passen om tot een efficiënter schot te komen.”
Oudejans begon zijn onderzoek met schermen in de zaal, waarbij schutters door hun sprong pas op het laatste moment zicht op de ring kregen. Later werkte hij met de bril die het zichtmoment bepaalde. Die bril was in eerste instantie voorzien van allerlei draden om ervoor te zorgen dat de schutter op het juiste moment zicht kreeg. Voor verder onderzoek en om ervoor te zorgen dat de bril een praktischer uitvoering krijgt, werkt de faculteit bewegingswetenschappen samen met CTO-Amsterdam, de Nederlandse Basketbalbond NBB en InnoSportNL.
Onderzoeksbril op de markt
De verschillende partijen stelden de middelen ter beschikking om één junioronderzoeker een jaar lang onderzoek te laten doen. Dat onderzoek loopt op dit moment. Oudejans hoopt dat daar uiteindelijk een trainingsbril uit voortkomt die ook in praktisch opzicht gebruikt kan worden. “We gaan natuurlijk verder met het onderzoek. We kunnen bijvoorbeeld nog kijken naar de effecten bij een nog kortere trainingsperiode en we kunnen onderzoeken of er een verschil is tussen vrouwen en mannen. Daarnaast willen we de bril zo doorontwikkelen dat we hem uiteindelijk als product in de markt kunnen zetten. De onderzoeksbril die we nu gebruiken is veel te duur voor clubs om in trainingen te gebruiken.”
Oudejans is niet bang dat hij daarmee een eventuele voorsprong voor de Nederlandse basketballers weggeeft. “Wij werken hier op het ‘CTO Vrouwenbasketbal Amsterdam’ en met de NBB met de top van het nationale vrouwenbasketbal, dus zij zijn de eerste die hiervan profiteren.”
Voor meer informatie: klik hier
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.