Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
Seksuele intimidatie in sport geen zorgen wel waakzaamheid

Seksuele intimidatie in sport: ‘geen zorgen, wel waakzaamheid’

17 juli 2014

Nieuws

door: Leo Aquina | 17 juli 2014

“Ouders hoeven zich geen zorgen te maken als zij hun kinderen naar een sportclub sturen, maar sportclubs moeten wel een bewust beleid voeren ten aanzien van grensoverschrijdend gedrag”, zegt Lieke Vloet van NOC*NSF. “Seksueel grensoverschrijdend gedrag komt in alle geledingen van de samenleving voor dus ook in de sport, maar het komt in de sport niet vaker voor dan op andere plekken. Dat wil echter niet zeggen dat we achterover kunnen leunen, want iedereen mag een veilig sportklimaat verwachten. Elk geval van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag is er een teveel.” We spreken Vloet naar aanleiding van een onderzoek naar ‘ethisch verantwoord sporten, met inbegrip van de problematiek aangaande integriteit, seksueel misbruik en geweld’. Volgens dat onderzoek heeft 5 procent van de sporters in het verleden te maken gehad met ‘ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag’.

NOC*NSF voert al sinds 1996 uitgebreid beleid ten aanzien van grensoverschrijdend gedrag, de sportkoepel had echter nog geen goed inzicht in de omvang van dit probleem. “We hebben Vertrouwenspunt Sport (voorheen meldpunt seksuele intimidatie) en we hebben cijfers van meldingen bij de bonden, maar we hadden intensiever onderzoek nodig om te zien wat er nu echt gebeurt”, vertelt Vloet.

Toen onderzoekster Tine Vertommen de mogelijkheid kreeg om in opdracht van de Vlaamse overheid onderzoek te doen, sloot NOC*NSF aan. Begin juli verscheen een gezamenlijk eindrapport van vier Vlaamse universiteiten. Het is de bedoeling dat Vertommen in oktober een rapport aan NOC*NSF levert met daarin cijfers voor Nederland en Vlaanderen uitgesplitst. We vragen Vloet wat volgens haar op dit moment de meest opmerkelijke conclusies zijn.

Verschillende plegers
Vloet: “We zien in dit onderzoek dat er veel verschillende soorten plegers zijn. Wij hadden al cijfers die veelal afkomstig waren van ons meldpunt en daarbij ging het in de meeste gevallen om seksuele intimidatie in ongelijke hiërarchische verhoudingen, bijvoorbeeld tussen coach en pupil. Uit deze nieuwe cijfers blijkt dat het ook om misdragingen van medesporters gaat.”

Het onderzoek is gedaan onder volwassenen die zijn ondervraagd over ervaringen uit hun jeugd. De onderzoeksperiode beslaat daardoor de periode 1980-2000. Wat zeggen deze cijfers uit het verleden over het heden? “We hopen er een trend uit te kunnen halen en misschien zien we nog een stukje effect terug van ons beleid dat we in 1997 hebben ingezet”, aldus Vloet. “Dit is natuurlijk de best haalbare optie want we gaan geen kinderen met dit soort vragen lastigvallen om te zien hoe de situatie op dit moment is. We krijgen met dit onderzoek wel een beeld van het soort gedragingen en de globale aantallen. Ik verwacht dat het grotendeels wel vergelijkbaar is met de huidige stand van zaken.”

‘Weinig over de schreef’
Vloet kan op basis van dit onderzoek niet zeggen of seksueel grensoverschrijdend gedrag in de sport vaker voorkomt dan in andere maatschappelijke sectoren, maar zij gelooft niet dat de sport er negatief uitkomt. Vloet vergelijkt het met eerder onderzoek door het Sociaal Cultureel Planbureau en het Mulier Insituut naar het veel bredere begrip ‘onwenselijk gedrag in de breedtesport’:

“Zij kwamen tot de conclusie dat er misstanden waren en dat leidde tot het rapport ‘Een gele kaart voor de sport’. Dat vonden we eigenlijk een onjuiste voorstelling van zaken omdat het leek alsof alleen de sport met dit probleem kampte. Daarom hebben we toen een vervolgonderzoek geïnitieerd, waaruit naar voren kwam dat de beeldvorming over onwenselijk gedrag in de sport negatiever was dan de cijfers weergaven.” Het rapport van dit vervolgonderzoek was getiteld ‘Weinig over de Schreef’.

Risicofactoren
Agnes Elling van het Mulier Instituut onderschrijft de woorden van Vloet. “Maar we moeten natuurlijk wel waakzaam blijven. Ga maar eens navraag doen bij verenigingen. Ik denk niet dat je veel verenigingen tegenkomt die nog nooit met deze problematiek te maken hebben gehad. Het gaat dan niet alleen om coach versus pupil, maar ook om man versus vrouw. Vrouwen vormen bij veel sportverenigingen toch een kleinere groep. Bij mannelijke teamsporten vindt je veel gedrag dat uiteindelijk kan leiden tot seksueel grensoverschrijdend gedrag.”

Vloet constateert dat er in de sport bepaalde risicofactoren zijn: “Er is vaak sprake van een machtsverhouding, er is veel jeugd in de sport, er is sprake van een fysieke component, er wordt vaak samen omgekleed en er is soms sprake van langduriger samenzijn, bijvoorbeeld bij toernooien of kampen.

Lokaal landen
Wat doet NOC*NSF tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag in de sport? “We hebben sinds het moment dat dit voor het eerst als een probleem werd onderkend in 1996 veel gedaan”, vertelt Vloet. “Ik denk wel dat veel van deze maatregelen lokaal nog moeten landen.” NOC*NSF zit daarbij altijd in een spagaat: “We willen beleid maken en preventieve maatregelen nemen, maar juist daardoor kan bij mensen het beeld ontstaan dat er in de sport van alles aan de hand is.”

Vloet noemt een aantal zaken die in het afgelopen decennium zijn verbeterd. "NOC*NSF heeft een Vertrouwenspunt Sport opgericht waar iedereen terecht kan met twijfels, vragen of meldingen rondom seksueel of ander grensoverschrijdend gedrag. We bieden een scholing aan voor trainers om seksueel grensoverschrijdend gedrag te herkennen en voorkomen en een training voor vertrouwenscontactpersonen. De sportbonden hebben inmiddels een vertrouwenscontactpersoon en hebben hun tuchtrecht op orde. Daarin zijn ook gedragsregels voor begeleiders opgenomen, waar alle trainers/coaches/begeleiders van verenigingen zich aan zouden moeten houden. Maar ook op lokaal niveau begint het te landen. Tegenwoordig heeft 38 procent van de verenigingen al een vertrouwenscontactpersoon."

Nadruk op preventie
Zowel Vloet als Elling benadrukt dat preventief beleid misschien wel het belangrijkst is. “Daar kunnen we nog winst halen.”, aldus Vloet. “Ik denk wel dat er tegenwoordig veel opener over wordt gepraat en dat is winst, maar ik denk dat de bonden op dat gebied verder zijn dan de clubs. NOC*NSF heeft een ‘toolkit beleid seksuele intimidatie’ online staan. We stimuleren clubs een actief aannamebeleid te voeren bij vrijwilligers. Als iemand van buiten komt, check dan referenties bij zijn vorige club. Clubs hebben ook de mogelijkheid om via NOC*NSF gratis een zogenaamde ‘verklaring omtrent gedrag’ (VOG) aan te vragen voor hun vrijwilligers. Sinds augustus 2012 zijn er 10.000 van deze VOG’s bij ons gedeclareerd. Daarmee kun je als vereniging een hoop narigheid voorkomen. Wat vooral ook lokaal moet landen, is signalen leren herkennen en elkaar durven gaan aanspreken op ongewenst gedrag.”

Elling benadrukt het aanspreken op ongewenst gedrag: "We moeten de cultuur tegengaan waarin het maken van vrouwonvriendelijke grappen of homo-negativiteit als normaal wordt gezien.” Wat raadt Vloet ouders aan die zich desondanks zorgen maken als zij hun kind naar een sportvereniging sturen? “Check onze toolkit. Daar zit ook een risico-inventarisatie bij om te zien hoe veilig een vereniging is. En biedt aan om zelf het beleid mede in te richten. Het ontbreekt bij clubs ook vaak aan handjes.”

Voor meer informatie: klik hier

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.