1 juli 2010
Nieuws
Slechts veertig procent van de Nederlandse jongeren beweegt genoeg. Bovendien sporten van alle twaalf- tot zeventienjarigen, vmbo-leerlingen het minst. De hoogste tijd dus voor scholen om hun leerlingen te stimuleren om in beweging te komen. Om de vmbo-scholen een handje te helpen, biedt het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) hun een uitgebreid interventieaanbod aan waarmee docenten én leerlingen aan de slag kunnen. Doel van het project ‘Vmbo in beweging’ is om op de tachtig deelnemende scholen tien procent meer jongeren de beweegnorm te laten halen.
Vmbo-leerlingen doen structureel minder aan sport en bewegen dan havo- en vwo-leerlingen. Om daar verandering in te brengen, is NISB het project ‘Vmbo in beweging’ gestart. Dit is ontwikkeld in samenwerking met de VO-raad (een sectororganisatie voor het voortgezet onderwijs), de Koninklijke Vereniging voor leraren Lichamelijke Opvoeding (KVLO) en het Nationaal Expertisecentrum Leerplanontwikkeling (SLO). Het projectplan maakt deel uit van het beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs. “Hiermee zijn we een uitstekende samenwerking aangegaan. Waar het vaak nog wel eens lastig is om een campagne te laten aanslaan bij de betreffende doelgroep, is dat nu absoluut niet het geval. Door de samenwerking met de KVLO en de VO-raad kunnen we het project meteen zichtbaar maken bij vmbo-scholen”, vertelt Peter Barendse, programmamanager Jeugd bij NISB.
Structureel bewegen stimuleren
Intussen doen er tachtig vmbo-scholen mee aan het project, waarbij NISB een productenaanbod aanbiedt dat bestaat uit begeleiding, een stappenplan en een interventieaanbod. Hierdoor kunnen scholen hun leerlingen stimuleren om te gaan bewegen en sporten. “Wij vinden het hierbij belangrijk dat we niet zomaar een eenmalig project aanbieden. Daarom hebben we een totaalaanbod gecreëerd dat structureel bewegen stimuleert en dit wordt in het schoolbeleid verankerd”, legt Barendse uit.
Hoewel er in Nederland 550 vmbo-scholen zijn, kunnen er maar tachtig scholen gebruikmaken van het project van NISB. De programmamanager vervolgt: “Het liefst zouden we alle 550 vmbo-scholen bij het project betrekken, maar dat laat ons budget niet toe. En omdat we kwaliteit willen aanbieden, hebben we tachtig scholen geselecteerd. Onze keuze hebben we gebaseerd op basis van de doelstelling van de school en uiteraard hebben we gekeken of de leerlingen al aan de beweegnorm voldoen. Scholen waarbij leerlingen het meest achterstand hadden, kregen dan ook voorrang. Daarbij kan uiteindelijk ook het meest resultaat worden geboekt.”
Hoe werkt het?
De geselecteerde vmbo-scholen krijgen een financiële bijdrage en gaan tot en met 2012 aan de slag om een sport- en beweegaanbod op te starten voor de niet-actieve leerlingen. Het kan gaan om nieuw aanbod onder schooltijd, tijdens de pauzes of na schooltijd. Als de opgestarte activiteiten succesvol zijn, is het zaak om te zorgen dat het aanbod een structurele plek krijgt in het schoolbeleid. Iedere school heeft een budget toegewezen gekregen om een leraar tot sport- en beweegcoördinator aan te stellen die het project begeleidt.
“En vanuit NISB krijgen zij begeleiding van één van de vijf regiocoaches. De sport- en beweegcoördinator op school helpt vervolgens met het uitvoeren van een school- en leerlingenscan waarin een probleemanalyse wordt gemaakt van de huidige situatie. Hierin moet bijvoorbeeld naar voren komen in hoeverre leerlingen aan de beweegnorm voldoen en hoeveel sportactiviteiten de school al aanbiedt”, aldus Barendse.
Daarna wordt er een plan van aanpak opgesteld waarbij de regiocoach samen met de school (sport- en beweegcoördinator) bekijkt welke bestaande interventies van NISB - zoals ‘WhoZnext’, ‘Alle Leerlingen Actief’ of ‘Moving Cultures” – een dansproject – kunnen aanslaan bij de leerlingen. “Maar het kan natuurlijk ook een interventie zijn die niet door ons is ontwikkeld. Als het maar een project is dat als kansrijk is bestempeld. Belangrijk hierbij is ook dat de vmbo-leerlingen het project echt leuk vinden, want pas dan willen ze sporten. Het maakt hun immers niet zoveel uit dat ze aan de beweegnorm moeten voldoen, omdat dat beter voor hun gezondheid is. Daarom moet de school onderzoeken waar de motivatie zit van leerlingen om te gaan sporten.”
Nog geen meetbare uitkomsten
Aangezien vorig jaar een begin is gemaakt met de start van het project zijn de meeste scholen nu bezig met de laatste fase van het plan van aanpak en het opstarten van de activiteiten. Barendse: “We hopen dat deze in het nieuwe schooljaar van start gaan.” Meetbare uitkomsten zijn er daarom nog niet. “Maar de leerlingen worden wel goed gemonitord. Zo vindt er na één jaar een evaluatie plaats waarin wordt bekeken of het project op school wordt uitgevoerd zoals dat in de samenwerkingsovereenkomst was afgesproken. Dan wordt er ook besloten of de school het tweede jaar van het project kan ingaan.”
Uiteindelijk hopen NISB, de VO-raad en de KVLO om structureel meer vmbo-leerlingen aan het sporten te krijgen. “In 2008 haalden veertig procent van de jongeren de beweegnorm. Het is de doelstelling van het beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs om in 2012 vijftig procent de beweegnorm te laten halen. Dit project levert daar een belangrijke bijdrage aan. Bovendien zou het geweldig zijn als de kennis die bij dit project is opgedaan in de toekomst ook op andere scholen kan worden toegepast”, besluit Barendse.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.