Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
Rapport geesink wil onderzoek naar sportautoriteit en véél meer

Rapport 'Geesink' wil onderzoek naar Sportautoriteit en véél meer

6 november 2007

Nieuws

gepubliceerd op | 6 november 2007

Sinds eind vorige week is de inhoud van het rapport ‘Besturen als Sport’ vrij gegeven. Het rapport – met als ondertitel ‘Een onderzoek naar de competenties van besturen in de Nederlandse sportsector’ - is op initiatief van Anton Geesink en op verzoek van het ministerie van VWS opgesteld onder supervisie van de bestuurskundige prof. dr. Jouke de Vries van de Universiteit Leiden. Het onderzoek is verricht op basis van literatuuronderzoek en interviews met een groot aantal deskundigen en ingewijden.

Het rapport schrijft dat het grote aantal ontwikkelingen waar de sportsector in toenemende mate mee te maken heeft gekregen (zoals commercialisering, professionalisering, individualisering, globalisering en ‘mediatisering’) van invloed zijn op de competenties die een bestuurder in de Nederlandse sportsector zou moeten hebben. Het onderzoekrapport geeft antwoord op de vraag welke competenties dat zijn.

Het rapport richt zich ook op de relatie tussen bondsbestuur en bondsbureau en op die tussen alle sportbonden en sportkoepel NOC*NSF. Zo blijkt uit het onderzoek dat sportbonden elkaar én NOC*NSF in zekere mate als concurrent zien bij het zoeken naar financieringsbronnen. Dat kan volgens het rapport de onderlinge verhoudingen onder druk zetten, ook omdat sommige sportbonden het gevoel hebben gedomineerd te worden door NOC*NSF. Des te belangrijker is het volgens het rapport dat bondsbestuurders over de juiste competenties beschikken. De onderzoekers hebben deze competenties samengevat in een zogenoemd ‘bestuurscompetentiemodel’ en bevelen aan dat dit model uniform en dwingend wordt voorgeschreven voor de gehele Nederlandse sportsector.

De onderzoekers geven verder de suggestie aan sportkoepel NOC*NSF om bestuursleden van sportbonden de mogelijkheid te geven tegelijkertijd lid van het koepelbestuur te worden. Dat is nu niet mogelijk, wat volgens de onderzoekers een ongunstig effect heeft op de doorstroming van capabele bestuurders. Bovendien, als een bestuurslid van een bond 'overstapt' en dus zitting neemt in het bestuur van NOC*NSF, betekent dat vaak een aderlating voor het betreffende bondsbestuur.

Verder bevelen de onderzoekers een heroverweging van de verdelingssytematiek van centraal binnenkomende gelden binnen de Nederlandse sportsector. Aanleiding hiervoor is dat de huidige systematiek getuige opmerkingen van verschillende respondenten de nodige vragen oproept. Bijvoorbeeld of het wel zo gepast is dat de instantie waar het geld ter verdeling binnenkomt (NOC*NSF) tevens belanghebbende is bij de verdeling daarvan én een centrale rol vervult bij de totstandkoming van de verdelingsvoorstellen. De onderzoekers vragen zich af of dit wel de beste constructie is.

Al met al denken de onderzoekers dat de Nederlandse sportsector, met haar gevarieerde en deels uiteenlopende belangen, mogelijk gebaat zou zijn bij een Nederlandse Sportautoriteit. Mogelijk zou dit orgaan ook de verdeling van en controle op de besteding van de gelden voor de sportsector op zich kunnen nemen, aldus het rapport. De onderzoekers bepleiten een onderzoek naar de instelling van een Nederlandse Sportautoriteit.

Saillant is dat er bepaald niet voor het eerst in de geschiedenis wordt gedacht aan de mogelijke oprichting van een Sportautoriteit. Sterker nog, al in december 2004 nam de Tweede Kamer een motie aan van de toenmalige woordvoerders sport Jan Rijpstra (VVD) en Joop Atsma (CDA) met als strekking dat er een adviesraad ('sportautoriteit') moest komen die onder meer onafhankelijk advies geeft over de gewenste verdeling van gelden afkomstig van De Lotto, gemeenten, provincies en ministeries over de georganiseerde sportwereld. Dit moest volgens de motie worden uitgewerkt in de nieuwe sportnota. Maar die nieuwe nota – Tijd voor Sport – bleek later in het geheel geen plan te bevatten voor de oprichting van een sportautoriteit. Tijdens de behandeling van de sportnota in de kamercommissie (op 14 november 2005) bleken de woordvoerders 'sport' van de drie grote partijen daar 'not amused' over. Ed van der Sande, opvolger van Jan Rijpstra als woordvoerder sport voor de VVD, kondigde vervolgens aan de motie van Rijpstra en Atsma mogelijk opnieuw in te dienen. Toenmalig staatssecretaris Clémence Ross was vervolgens op haar beurt glashelder. Vakblad Sport Bestuur & Management tekende destijds letterlijk uit haar mond op: "De sportautoriteit zit hier, want dat zijn wij! Ik zou werkelijk niet weten wat wij hier met elkaar doen als wij eraan twijfelen of de middelen wel zo zijn weggezet dat dit de doelen dient." Ed van der Sande zag er vervolgens van af om de coalitieverhoudingen op het spel te zetten en diende de motie niet opnieuw in. Hij vertrok een klein jaar later uit de Tweede Kamer. Ook Joop Atsma - partijgenoot van Clémence Ross - legde zich er bij neer en moest accepteren dat de mede door hem ingediende motie weliswaar door een democratische meerderheid was aangenomen maar toch niet werd uitgevoerd.

Het rapport 'Besturen als Sport' is te verkrijgen via info@skxl.nl

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.