17 september 2015
Nieuws
door: Marc Hoeben | 17 september 2015
Ze zijn er niet voor niks, al die coaches, trainers en begeleiders van sportteams en individuele sporters en vooral ook het jeugdige deel daarvan. Ze hebben invloed, goed of slecht, op het gedrag van jeugdsporters en soms zelfs een bepalende invloed op de ontwikkeling. Maar welke invloed, met welk effect? Dat was het onderwerp van Trainer-Kind INterACTIE, een verdiepend onderzoek naar de interactie tussen trainers/coaches en jeugdsporters, uitgevoerd in opdracht van het actieplan ‘Naar een veiliger sportklimaat’ van olympische sportkoepel NOC*NSF en de Nederlandse sportbonden.
Aan het onderzoek naar de invloed van coaches, trainers en begeleiders op het gedrag van jeugdsporters werkten tal van partijen mee: Kennispraktijk voor sport, onderwijs en gezondheid, de Hogeschool Den Haag, de Hogeschool Arnhem Nijmegen, Hogeschool Windesheim, Hogeschool Fontys en de Vrije Universiteit Brussel. Het onderzoek werd uitgevoerd onder leiding van Jarno Hilhorst, dr. Nicolette Schipper-Van Veldhoven, drs. Frank Jacons, prof. dr. Marc Theeboom en dr. Johan Steenbergen.
“Voor alle duidelijkheid,” zegt Steenbergen, “dit gaat dus niet om het aan de kaak stellen van misstanden of het bespreken van problemen bij het coachen en trainen van kinderen.” Startpunt in het onderzoek vormde het gedrag van de trainer dat, zo blijkt onder andere uit onderzoek, bepalend is voor wat jeugdsporters ervaren en leren tijdens trainingen en wedstrijden. In het sportseizoen 2012/'13 werden 37 jeugdtrainers en hun sportgroepen gevolgd via onder meer opnames, observaties, interviews en vragenlijsten. Deze gegevens werden verzameld door 37 vierdejaars hbo-studenten van drie verschillende hogescholen. Dit leverde veel kwalitatieve informatie op over hoe trainer/coaches een sportklimaat realiseren, dat gericht is op de ontwikkeling van kinderen.
Corrigeren of stimuleren
Steenbergen: “We hebben bijvoorbeeld gekeken wat voor aanwijzingen iemand geeft. Loopt iemand te schreeuwen of niet? Gaat het over het corrigeren of stimuleren van bepaald gedrag, of gaat het voornamelijk over tactiek of techniek. We hebben video-opnamen gemaakt en daarnaast een scorelijst ingezet, voor de betrouwbaarheid werd die met tweetallen ingevuld. Na de trainingen en wedstrijden voerden we ook gesprekken met trainers en coaches om achter de betekenis van hun handelen te komen. En tenslotte voerden we ook gesprekjes met de sporters, om te achterhalen hoe zij het ervaarden en welke invloed het had op hun gedrag.”
Op welke manier geeft iemand feedback? Positief of negatief? Wordt de feedback herhaald, worden dingen voorgedaan? Zulke zaken werden allemaal bekeken. Ook werden gesprekken in de kleedkamers gevolgd, maar dan zonder camera. “Dan blijkt dat het vaak in zulke besprekingen bij wedstrijden over de invulling van de tactiek gaat en minder over beleving en gedrag. Bij trainingen gaat het juist weer meestal over techniek.”
Steenbergen denkt dat er ook in Nederland een slag te maken valt, als het gaat om het optimaliseren van het sportklimaat en hoe kinderen zich op een veilige en vertrouwde manier kunnen ontwikkelen. De manier waarop trainers omgaan met hun pupillen kan behoorlijk uiteenlopen en hangt af van veel verschillende factoren. Hoe het gedrag van trainers uitwerkt op een kind hangt samen met specifieke kenmerken van dat kind (bijvoorbeeld leeftijd, geslacht, zelfvertrouwen), van de trainer (bijvoorbeeld trainerservaring, persoonlijkheid) en van de context op het specifieke sportmoment (bijvoorbeeld training/wedstrijd, prestatief/ recreatief).
Al op vaste positie in de F-jes
Steenbergen: “Je hebt bijvoorbeeld voetbaltrainers die jongetjes in de F-jes al vastzetten op een positie. Anderen willen dat helemaal niet zo vastleggen. Het blijkt in elk geval dat kinderen meer leren als ze telkens met een nieuwe situatie worden geconfronteerd.”
Coachen en trainen van jeugd is een voortdurende zoektocht naar de balans tussen enerzijds structuur en sturing en anderzijds het durven loslaten en kiezen voor het zelf ontwikkelend vermogen van kinderen. “Toch is dat wel moeilijk uit te drukken, in welke mate verschillende stijlen bijdragen aan een ontwikkeling en tot welke ontwikkeling dit precies leidt.”
Steenbergen weet dat er geen blauwdruk is voor alle trainers, zodat ze op eenzelfde manier kunnen functioneren voor optimaal effect op de ontwikkeling van jeugdsporters. Voortvloeiende uit het onderzoek zijn er wel enkele praktische aanbevelingen opgesteld. Het worden zes ‘cruciale mechanismen/succesfactoren genoemd: Focus op plezier en leren (1); leren via competentiebeleving, zelfvertrouwen en inzet (2); aanleren van sportieve vaardigheden (3); inzet en structuur als voorwaarden (4); regie bij de jeugdsporter zelf (5) en sociaal groepsklimaat voor ontwikkeling van alle jeugdsporters (6).
Het onderzoek had vooral een verdiepend karakter, wil Steenbergen benadrukken, het ging niet zozeer om harde, statistische gegevens. “Dan had je het bijvoorbeeld ook nog met een controlegroep moeten uitvoeren. Maar het mooie is wel dat hier weer dingen uit voortkomen. Zo is er nu een boekje van voetbalbond KNVB en NOC*NSF met ‘vier inzichten voor trainerschap.’ Die vier inzichten zijn structureren, stimuleren, individueel aandacht geven en de regie overdragen. Dat is echt praktijkgericht en dat is uiteindelijk waar het allemaal om draait. Niet alleen verdiepen en onderzoeken, maar ook kijken hoe resultaten vallen toe te passen voor coaches en trainers.”
Voor meer informatie: rapport Trainer-kind INterACTIE
Voor de inhoud Praktijkboekje ’4 inzichten over trainerschap’ klik hier (pdf)
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.