30 augustus 2018
Nieuws
door: Nelleke van der Heiden | 30 augustus
Trainers en vertrouwenscontactpersonen op sportverenigingen hebben globaal wel hetzelfde beeld van seksueel grensoverschrijdend gedrag, maar na verder doorvragen merkten de studentes Eva van Harn en Dayenne Bijsterbosch dat ze het begrip toch wel heel verschillend hanteerden. Van Harn en Bijsterbosch onderzochten de visie en aanpak van vertrouwenscontactpersonen en trainers als het gaat om preventie van seksueel grensoverschrijdend gedrag op sportverenigingen.
Voor hun onderzoek spraken de studentes Pedagogische Wetenschappen met achttien vertrouwenscontactpersonen en trainers van zeven verschillende sportverenigingen in de regio van Tilburg. “De opdracht was om een kwalitatief onderzoek te doen dat gerelateerd was aan sport”, vertellen Eva van Harn en Dayenne Bijsterbosch. Ze hadden allebei de wens om een vraag rond kindermishandeling te onderzoeken en kwamen bij de Taskforce Kindermishandeling Hart van Brabant terecht.
Bruikbaar onderzoek
Door een eerdere stage was daar nog contact mee. “De Taskforce gaf een aantal onderzoeksvragen aan en wij wilden met de positieve preventiekant aan de slag en inzicht bieden in hoe trainers en vertrouwenscontactpersonen over dit onderwerp nadenken. Zo zijn we tot onze keuze gekomen”, zeggen de studentes. Wat Van Harn, Bijsterbosch én de Taskforce ook heel belangrijk vonden: het moest een bruikbaar onderzoek worden waar sportverenigingen iets mee zouden kunnen en niet iets dat in een lade verdwijnt.
‘Seksueel grensoverschrijdend gedrag is een maatschappelijk probleem omdat de veiligheid van de jeugdsporter niet altijd gewaarborgd is’, zo luidt de stelling in het onderzoeksrapport. “11 procent van de jeugdsporters krijgt ermee te maken, dat is heel veel. Dan kun je wel van een maatschappelijk probleem spreken”, zegt Van Harn. Ook het onderzoek van de commissie De Vries naar seksuele intimidatie en misbruik in de sport maakte indruk op de twee studentes.
Onprettig gevoel
Voor hun eigen onderzoek hadden ze beperkt de tijd en daarom moesten ze keuzes maken. Ze interviewden alleen trainers en vertrouwenscontactpersonen. “We wilden in eerste instantie ook de kinderen meenemen in ons onderzoek, maar dat was niet realistisch in de vier maanden die we hadden.” Maar dus wel de trainers, die het meest intensief met de jeugdsporters samenwerken en de vertrouwenscontactpersonen die bij misstanden het aanspreekpunt zijn.
Gevraagd naar wat ze verstaan onder seksueel grensoverschrijdend gedrag, kwamen de trainers en vertrouwenscontactpersonen vrijwel allemaal met dezelfde beschrijvingen: intimidatie, gluren, ongewenste aanrakingen, verbale intimidatie, met als duidelijke overeenkomst dat de jeugdleden zich niet prettig voelen bij het handelen van een ander en dat er een persoonlijke grens wordt overschreden.
Maar, vertellen Van Harn en Bijsterbosch, als ze dan doorvroegen, ook bijvoorbeeld naar het voorkomen van dit grensoverschrijdende gedrag binnen de vereniging, dan noemden de geïnterviewden andere dingen. “Nee, verkrachtingen of mishandelingen zijn bij ons op de vereniging niet voorgekomen, gaven ze als antwoord. Opeens hadden ze het over misbruik. En zo gaven vrijwel alle trainers en vertrouwenscontactpersonen aan dat ze op hun vereniging geen grote incidenten hadden meegemaakt.”
Duidelijke definitie
De trainers en vertrouwenscontactpersonen noemden allemaal wel aspecten van seksueel grensoverschrijdend gedrag, maar gingen in op verschillende dingen. De één had het over pesten, de ander gaf verbale voorbeelden en weer een ander noemde functionele aanrakingen zoals helpen op de balk bij turnen. In dat laatste geval zakte de hand zo laag dat het voor een jeugdlid onprettig werd.
“Met alle omschrijvingen samen kom je tot een volledige definitie, maar individueel hanteerden ze niet dezelfde criteria om vast te stellen of het gedrag wel of niet voorkwam.” De studentes pleiten daarom voor een duidelijke definitie met een checklist waar de trainers en vertrouwenspersonen mee kunnen werken. Daarop trainen zou een vast onderdeel moeten zijn van de opleiding voor de trainers. Voor de vertrouwenscontactpersonen is dat al zo.
“Ze hadden allemaal een training gevolgd en voor hen was goed afgebakend wat hun taken waren en wat niet, dat ze een luisterend oor moesten bieden aan slachtoffer en dader.” Maar hun probleem is dat ze niet altijd zichtbaar zijn. Verschillende trainers wisten niet eens wie de vertrouwenscontactpersoon binnen hun vereniging was. “Dus dan hebben de vertrouwenscontactpersonen wel die training gehad, maar ze kunnen hun taken niet uitoefenen als niemand weet wie ze zijn.”
Van Harn en Bijsterbosch hebben nagedacht over hoe zo’n training voor trainers eruit moet zien. “Dat hebben we bij de hbo pedagogiek en de pabo gezien. Je moet een training van één dag of middag doen, over dit onderwerp praten, je mening vormen en signalen leren opvangen. Trainers zijn continu met die kinderen samen en zien veel. Zij moeten die signalen op kunnen pikken. De training moet op een manier die indruk maakt, zodat ze het niet vergeten, daar hoeven geen ellenlange theorieën aan te pas te komen. Belangrijk is dat als er iets opvalt, ze aan de training denken en weten hoe ze moeten handelen.”
Afhankelijk van vrijwilligers
Een andere belangrijke aanbeveling uit het onderzoek is dat het onderwerp op de vereniging bespreekbaar moet zijn. Daarom is het van belang om met de vereniging en vooral met de jeugdleden hierover in gesprek te gaan en samen tot een definitie van seksueel grensoverschrijdend gedrag te komen. Dan kan ook aan het licht komen dat het lastig is, omdat de grens voor iedereen ergens anders ligt. “De een vindt een tik op de kont bij een wissel helemaal niet erg, merkt het misschien niet eens en voor een ander kan het wel over de grens zijn.”
Of hun aanbevelingen in de praktijk worden opgepakt? Ze hopen het natuurlijk wel, maar weten ook hoe moeilijk het is. Sportverenigingen draaien op vrijwilligers, dus het is heel afhankelijk van die personen. Het is ook een taak voor de sportbonden, vinden ze. Met de Taskforce Kindermishandeling Hart van Brabant, voor wie ze het onderzoek deden, hebben ze afgesproken dat de Taskforce met de jeugdsporters in gesprek gaat.
Dat het in hun onderzoek niet gelukt is om de kinderen zelf aan het woord te laten, neemt niet weg dat het heel belangrijk is, benadrukken Van Harn en Bijsterbosch.
Voor meer informatie: het volledige onderzoek
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.