door: Rins van Kouwen | donderdag 12 juni
Met zeven Regionale Topsport Organisaties (RTO’s) slaat NOC*NSF een nieuwe weg in bij de ontwikkeling van topsporttalent. Dankzij een versterkt regionaal voortraject dat daardoor ontstaat, worden talentvolle sporters beter voorbereid op een toekomstig leven als topsporter. De talenten moeten op de RTO’s een hoger basisniveau ontwikkelen waardoor de latere instroming naar een CTO (Centrum voor Topsport en Onderwijs) makkelijker verloopt. 
Om de landelijke topsportinfrastructuur en de omgeving van sporters te verbeteren startte NOC*NSF vier jaar geleden met vier Centra voor Topsport en Onderwijs (CTO’s) en vier NTC’s (Nationale Trainings Centra).
Dankzij de vier CTO’s in Nederland (op Papendal, Amsterdam, Eindhoven en Heerenveen) kunnen talentvolle sporters sindsdien op één locatie fulltime wonen, studeren en trainen waardoor de reistijden naar school of training voor de sporters minimaal zijn. Door de komst van de CTO’s en NTC’s ontstond echter óók een gat tussen het niveau van de regionale verenigingsprogram- ma’s en de nationale trainingsprogramma’s.
“Wij constateerden dat de regionale sporters die op het CTO instroomden een inhaalslag moesten maken om aan de standaardeisen van het CTO te voldoen,” zegt Ingrid van Gelder, senior projectmanager topsportinfrastructuur bij NOC*NSF en programmamanager van het Transitieprogramma Regionale Topsportstructuur 2016. “De talenten hadden vaak een achterstand opgelopen voor ze bij het CTO begonnen. Dat was niet alleen op sporttechnisch vlak, maar bijvoorbeeld ook over kennis over voeding en belastbaarheid, met blessures als gevolg.”
‘Transitieprogramma Regionale Topsportstructuur 2016’Het ‘Transitieprogramma Regionale Topsportstructuur 2016’, dat door NOC*NSF twee jaar geleden is ingezet, vormde de eerste stap om de regionale topsportinfrastructuur in Nederland te hervormen en te versterken. NOC*NSF heeft daarbij de Sportagenda 2013-2016, het gezamenlijk meerjarenbeleid van NOC*NSF en de sportbonden als leidraad genomen. De ambitie van NOC*NSF om als Nederland bij de beste tien sportlanden van de wereld te horen is daarbij het algemene uitgangspunt. Het programma gaat uit van een periode van acht jaar dat de sporter nodig heeft om via het regionaal voortraject tot een mondiale podiumplaats te komen, waarin de sportbond de regie neemt. Van Gelder: “Paralympische sport wordt hier vanzelfsprekend integraal in meegenomen.”
Om de brug te slaan tussen de eisen op regionaal en nationaal niveau zijn vernieuwingen ingezet op zowel inhoudelijk als organisatorisch vlak. De belangrijkste zichtbare verandering is dat dertien Olympische Netwerken, waar regionale talentvolle sporters door het hele land werden ondersteund, zijn omgezet naar zeven Regionale Topsport Organisaties. Door deze verandering treffen talentvolle sporters overal in Nederland vergelijkbare voorzieningen.
“Om de ambitie te realiseren om structureel tot de beste tien sportlanden van de wereld te horen, willen we op zowel nationaal als regionaal niveau succesvolle opleidingsprogramma’s ontwikkelen,” zegt Van Gelder. De talentenprogramma’s verschillen inhoudelijk qua sport en leeftijd, maar de invoering van de RTO’s zorgt ervoor dat de beste regionale talenten bij elkaar trainen in regionale instroomprogramma’s in Regionale Trainings Centra. “We organiseren hierbij zoveel mogelijk uniform en waar noodzakelijk sportspecifiek. Begin bij de basis is het devies. Dat betekent dat de talenten op goede accommodaties, met gekwalificeerde coaches aan voldoende trainingsuren kunnen komen,” legt Van Gelder uit.
“Op deze manier sluit het talentenprogramma beter aan bij de eisen van het CTO en kunnen we het gat tussen het regionaal en nationaal niveau verkleinen. Dat gebeurt niet alleen door te trainen op sporttechnisch vlak, maar ook bijvoorbeeld door scholing te geven over de juiste voeding, mentale begeleiding en dopingvoorlichting,” vervolgt Van Gelder. “Dit worden flankerende doorlopende leerlijnen genoemd. Het is een nationaal topsportprogramma in het klein. De leerlijnen vormen samen met het meerjarenopleidingsplan van de bond, als het ware een curriculum tot de opleiding tot topsporter.”
Zeven regio'sDe zeven RTO’s die zijn gevormd zijn Regio Topsport Noord, Topsport Oost, Topsport Zuid, Topsport Noord-West, Utrecht, Metropool (Den Haag/Rotterdam) en Regio Limburg. De zeven regio’s zijn bepaald vanuit de gedachte dat in de buurt minimaal één nationaal topsportcentrum (CTO en/of NTC) actief is dat in contact staat met NOC*NSF. “Vanuit daar wordt de kennis en expertise die de afgelopen jaren is opgedaan verspreid over de regio,” zegt Van Gelder. “De zeven RTO’s richten zich in de nieuwe structuur op het faciliteren van regionale instroomprogramma’s (RTC’s) in plaats van op individuele sporters zoals in de oude situatie. Op die manier wordt gezamenlijk met sportbonden en regionale partijen gebouwd aan een duurzame topsportinfrastructuur.”
Bij het talentenprogramma op het RTO is de maatschappelijke loopbaan na de topsportcarrière ook een belangrijk aandachtspunt. Van Gelder: “In het traject is ook ruimte voor loopbaanbegeleiding en een vooruitblik op een maatschappelijke carrière na de topsport. Het is daarom onder meer belangrijk dat Topsport Talent Scholen worden gehuisvest in de buurt van de regionale programma’s. In dit kader wordt ook de samenwerking met MBO en hoger onderwijs geïntensiveerd”
SamenwerkingIn het Transitieprogramma hebben de sportsector, het onderwijs en bedrijfsleven, de overheid (gemeenten, provincies en de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) een belangrijk aandeel om de sporter voor te bereiden op een topsportcarrière en een loopbaan na de sport. Jaarlijks investeren VWS en Lotto 4,7 miljoen euro aan subsidie in RTO’s, CTO’s/NTC’s en Stichting LOOT. “Dankzij de inbreng van betrokken partners en stakeholders (gemeenten, provincies, bedrijfsleven, onderwijs) weten deze partijen een multiplier te generen waardoor dit jaarlijkse budget oploopt tot ver boven de 20 miljoen euro.”
“Door met elkaar samen te werken en experts uit verschillende hoeken samen te brengen, kunnen we nog meer budget generen voor de talenten en topsporters en dit geld vervolgens effectiever en op een kwalitatief goede manier besteden,” vertelt Van Gelder. “We kijken in dit talentenprogramma naar de lange termijn. Niet door het geld in te zetten op een individuele sporter - met de kans dat hij of zij onverhoopt moet stoppen voordat de top wordt gehaald - maar door bijvoorbeeld te investeren in een duurzame infrastructuur zodat een accommodatie, coaching of leerlijnen ook door nieuwe talenten kunnen worden gebruikt.”
NOC*NSF heeft in het programma een coördinerende rol, de sportbonden zorgen voor de sportinhoudelijke invulling van het talentenprogramma en de regionale partijen hebben een ondersteunende functie. Van Gelder benadrukt dat samenwerking tussen de partijen essentieel is. “NOC*NSF neemt landelijk de regie om regionale en lokale partijen beter met elkaar samen te laten werken. Alleen door op lokaal, provinciaal en landelijk niveau samen te werken is een succesvolle uitvoering van het programma mogelijk.”
Voor meer informatie: klik hier