6 december 2012
Nieuws
door: Lennart Bloemhof | 6 december 2012
Nederlandse sportorganisaties mogen best wat vaker uit Europese subsidiepotjes putten, vindt fondsenexpert Ben Moonen. In november verdeelde de Europese Commissie DG Onderwijs en Cultuur 3,5 miljoen euro over 21 transnationale sportprojecten. Daar zat geen enkel project bij dat op Nederlands initiatief werd georganiseerd.
Als directeur van Moonen Sport & Leisure verzorgt Moonen subsidie- en beleidsadvies voor onder meer sportorganisaties, gemeenten en bedrijven. Hij twitterde, naar aanleiding van het nieuws: ‘Europa ondersteunt 21 transnationale sportprojecten. Nederland doet weer eens niet mee? #braverdandepaus?’
Koudwatervrees
Na diepere bestudering van de aanvragen vond Moonen wel Nederlandse inbreng terug, in de vorm van projectpartnerships. Maar het blijft een feit dat Nederlandse sportorganisaties de slag hebben gemist, meent Moonen. “Er is veel koudwatervrees voor Europa. Organisaties zijn erg gefocust op wat er binnen de grenzen mogelijk is, terwijl het altijd goed is om over de grenzen te kijken, ook los van subsidies.”
De subsidies werden verdeeld over vier sportontwikkelingsgebieden: ‘de strijd tegen wedstrijdvervalsing’, ‘bevordering van lichaamsbeweging bij het ouder worden’, ‘bewustmaking hoe sport te bevorderen op gemeentelijk niveau’ en ‘de oprichtingen van grensoverschrijdende amateurcompetities in aan elkaar grenzende regio’s/lidstaten’.
Om een dergelijke subsidieaanvraag in Brussel gehonoreerd te krijgen, zijn internationale samenwerking en administratieve verplichtingen een vereiste. “Daar kijken we in Nederland vaak tegenop”, verklaart Moonen de geringe Nederlandse inbreng. “En daar doen we onszelf te kort mee.”
Volgens Moonen is het mogelijk om met een beetje creativiteit de administratieve rompslomp te verlichten. “Ik zeg niet dat je vals moet spelen, maar er is altijd wel wat mogelijk.”
Laagdrempeliger dan gedacht
Niet alleen op sportgebied ziet Moonen dat Nederland weinig van Europese mogelijkheden gebruik maakt. Ook ziet hij in zijn werk bij gemeenten dat er meer mogelijk is op Europees terrein.
“Meestal zijn het de grotere gemeenten die gebruik maken van dergelijke subsidies. Het idee is dat je altijd naar Brussel moet, wil je Europese steun krijgen. Dat schrikt kleinere gemeenten af en ze laten zoiets dan liggen. Ze weten vaak niet dat je ook Europese subsidie in Nederland kan aanvragen, bij bijvoorbeeld de provincie. Dat is veel laagdrempeliger.”
Moonen benadrukt wel dat een dergelijke subsidieaanvraag, ook in de sportwereld, goed uitgewerkt moet worden. Zoiets kost tijd.
“Je moet er wel in willen investeren en met samenwerking dingen voor elkaar proberen te krijgen. Het is voor een deel ook bewustzijn: er wordt niet stilgestaan bij de subsidiemogelijkheden in Europa. Het is allemaal maar moeilijk en ingewikkeld. Dat is ook zo. Maar als je een groot of bijzonder project hebt, is er best wat voor elkaar te krijgen.”
Internationale sportsamenwerking
Voor de sportsubsidieaanvraag bij de Europese Commissie DG Onderwijs en Cultuur is het een vereiste dat het project een transnationaal karakter heeft. Daardoor moeten sportorganisaties samenwerken met instanties uit andere landen. Moonen vindt dat daar nog veel valt te winnen voor Nederlandse sportinstanties.
“Het loont om over de grenzen actief te zijn als Nederlandse sportorganisatie. Bijvoorbeeld via het bezoeken van internationale congressen. Daar worden meestal de coalities gesmeed of partnerschappen gevormd, die dan gezamenlijk zo’n subsidieaanvraag indienen.”
Beter, maar nog niet goed genoeg
In 2007 schreef Moonen in een column op Sport Knowhow XL dat de Nederlandse sportsector een te weinig professionele en proactieve houding had ten opzichte van subsidie- en fondsenwerving, vergeleken met sectoren als cultuur en welzijn. Verder betoogde de fondsenexpert destijds dat de sportwereld te veel leunde op de miljoenen van sportsponsor Lotto.
“Dat is wel beter geworden”, zegt Moonen nu. Grote katalysator achter dat proces is de financiële crisis: er is minder geld beschikbaar, waardoor sportorganisaties gedwongen zijn tot een meer professionele houding ten opzichte van fondsen- en subsidiewerving.
In die professionele gedachtegang beschouwt Moonen het benadrukken van de maatschappelijke rol van sport als belangrijkste factor. “Dat moet je laten zien. In de sport zijn ze gewend om vanuit de sportwereld te redeneren en niet vanuit de maatschappelijke mogelijkheden die de sportwereld kan bieden.”
Financieel dubbeleffect
De huidige financiële situatie werkt twee kanten op: zo stellen sportorganisaties zich pro-actiever op met betrekking tot subsidieaanvragen, waardoor meer aanvragen dan ooit worden ingediend. Tegelijkertijd sneuvelen dagelijks subsidieregelingen vanwege bezuinigingen.
Moonen: “Overal is minder geld: bij de overheid, in het bedrijfsleven en bij bonden. Dus iedereen is nu op zoek naar inkomsten. Waren er eerst veertig aanvragen, dan zijn dat er nu tweehonderd. Door dat hoge aantal en het beperkte aantal subsidies, ligt de lat voor honorering van een aanvraag nu hoger dan vijf jaar geleden.”
Dat maakt het des te opvallender dat er zo weinig Nederlandse subsidieaanvragen bij de Europese Commissie zijn binnengekomen, bevestigt ook Moonen. Hij pleit er niet alleen voor dat de sportsector haar ogen meer op Europa moet richten, maar ook dat de verdeling van de Lottogelden - de levensader van veel sportbonden - eens kritisch geëvalueerd moeten worden.
“Dat is een hekel punt. Die gelden worden nu door NOC*NSF verdeeld, en die behartigen de belangen van de georganiseerde sport. Het Lottogeld gaat dus naar NOC*NSF en de eigen achterban. Andere sportorganisaties kunnen daar geen gebruik van maken. Zij begrijpen niet waarom een onafhankelijke organisatie niet al die miljoenen verdeeld.”
Voor meer informatie: Europese Commissie, DG Onderwijs en Cultuur
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.