17 februari 2011
Nieuws
Het programma ‘Meedoen Alle Jeugd door Sport’ is een succes gebleken. Zo luidde de conclusie op het congres ‘Meedoen: ook doen!’ op 9 februari jl. in Eindhoven. De betrokken verenigingen wierven in vijf jaar tijd 27.000 nieuwe jeugdleden, een toename van dertig procent ofwel gemiddeld vijftig per deelnemende vereniging. “Die harde cijfers zijn positief, maar het is veel belangrijker dat de verenigingen hebben laten zien dat ze lokaal een maatschappelijke functie kunnen hebben”, zegt Thom Rutten van het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB).
‘Meedoen Alle Jeugd door Sport’ werd in 2006 opgezet door het ministerie van Volksgezond-heid, Welzijn en Sport (VWS) en het inmiddels afgeschafte ministerie van Wonen, Wijken en Integratie (WWI). Doelstelling was om zoveel mogelijk (allochtone) jongeren, met name uit kansarme stadswijken, naar sportverenigingen toe te leiden. Naast het vergroten van de sportdeelname onder jongeren, met speciale aandacht voor allochtone meisjes, ging het erom de betrokkenheid van ouders te vergroten en de positie van de sportverenigingen in de wijken te versterken.
Het project startte onder de noemer ‘Meedoen Allochtone Jeugd door Sport’, maar die naam werd al snel gewijzigd. “Het programma liep in achterstandswijken. De deelnemende partijen, gemeenten, verenigingen en bonden zeiden al snel: als je dan toch die wijken ingaat, betrek dan meteen alle groepen”, legt Rutten uit. Er werd ongeveer zeventig miljoen euro geïnvesteerd en dat geld ging voornamelijk naar de sportbonden en sportverenigingen. De uitvoering van het programma werd ondersteund door NISB en NSA en de looptijd was vijf jaar.
Het W.J.H Mulier Instituut evalueerde het programma in opdracht van het ministerie van VWS en presenteerde op 9 februari het rapport ‘Opbrengsten van Meedoen’. Verrassend zijn de meeste conclusies niet, zo zegt onderzoeker Remco Hoekman. “De resultaten zijn in lijn met de verwachtingen uit de tussentijdse evaluaties die we hebben uitgevoerd. Opmerkelijk is wel dat de nieuwe financieringsopzet via de sportbonden als één van de succesfactoren van het project is betiteld. Vanuit de gemeenten was er toch veel twijfel om het geld naar de bonden te laten gaan en niet naar de gemeenten. Maar van die aanvankelijke scepsis is weinig over.” Ook Rutten zag een omslag bij de gemeenten: “Het project heeft vijf jaar gelopen en de gemeenten zagen al snel wat de waarde van de bonden was.”
Hoekman vertelt dat de bonden het geld vanuit hun specifieke problematiek op verschillende wijze hebben gebruikt. “De KNVB heeft het geld ingezet voor verenigingsondersteuners. Voetbalverenigingen hebben al veel allochtone leden en het grootste probleem van de verenigingen is het op niveau brengen van het kader, om ook met specifieke doelgroepen en een groeiend aantal leden om te kunnen gaan. De basketbalbond heeft meer geïnvesteerd in activiteiten. Dat geld ging dus juist naar de verenigingen, om bijvoorbeeld een trainer aan te stellen en materiaal aan te schaffen om activiteiten te kunnen organiseren.”
De meeste verenigingen slaagden erin meer (allochtone) kinderen aan te trekken, maar boekten ook winst op de door zowel Rutten als Hoekman belangrijk genoemde ‘zachte’, moeilijk meetbare doelstellingen. “Die zachte resultaten hoor je vooral terug in interviews met betrokkenen van de bonden of de gemeenten die door het W.J.H. Mulier Instituut zijn gehouden”, zegt Rutten. Daarin vertelt bijvoorbeeld een medewerker van de basketbalbond over een vereniging die zich had ingezet om randvoorwaarden voor de deelname van islamitische meisjes te creëren. Dat leidde uiteindelijk ook tot aanpassing aan de kant van de meisjes: “In het begin was de trainer altijd een vrouw. Het moest een vrouw zijn. Maar gaandeweg zeiden ze: ‘We willen gewoon een trainer hebben.’ Toen werd basketbal belangrijker dan een man of een vrouw.”
Hoewel Hoekman in zijn evaluatie overwegend positief is over ‘Meedoen’ zijn er volgens hem nog altijd pijnpunten. “Als je kijkt naar de verenigingen zijn de resultaten mooi. Het sporttechnisch kader is verbeterd, ze hebben meer jeugdleden en ze zijn beter verankerd in de wijk. De ledendoelstellingen zijn gehaald, maar allochtone meisjes hebben nog steeds een grote achterstand en het vergroten van de betrokkenheid van allochtone ouders is ook moeilijk gebleken. Dat laatste moet je echter wel in perspectief zien, want het betrekken van autochtone ouders is tegenwoordig ook niet meer zo’n makkelijke aangelegenheid.”
Ook Rutten kijkt terug op een geslaagd project. NISB fungeerde als programmamanager. “Aanvankelijk was Eric Lagendijk door VWS als onafhankelijk programmanager aangesteld. Hij zorgde ervoor dat bonden en gemeenten met elkaar in contact kwamen. Uiteindelijk is ervoor gekozen om het programmamanagement toch vanuit een organisatie te doen en is Lagendijk als programmamanager van NISB verder gegaan. Als landelijk kennisinstituut is het onze rol om te zien wat er in de samenleving gebeurt en om daarover kennis te verzamelen en landelijk te verspreiden”, legt Rutten uit. “We hebben daarin samengewerkt met de Nationale Sport Alliantie NSA.” NISB is blij met de resultaten. “Kijk bijvoorbeeld naar de basketbalbond en de krachtsportverenigingen, die zijn echt midden in de wijk aan de slag gegaan. De verenigingen hebben laten zien dat ze sport en bewegen heel dicht naar nieuwe doelgroepen in de wijk kunnen brengen.”
Het enthousiasme bij de evaluatie roept de vraag op ‘hoe nu verder?’. De betrokken partijen willen door. “We hebben vijf jaar lang gezien dat de samenwerking tussen gemeenten, bonden en verenigingen werkt, dus ik zou zeggen: maak gebruik van deze kennis”, aldus Rutten. Zonder subsidie wordt dat in sommige gevallen echter wel lastig. “Als het geld stopt, moeten veel activiteiten zonder financiële ondersteuning verder”, legt Hoekman uit. “De verenigingen zijn er vrij positief over, maar het is natuurlijk de vraag in hoeverre ze dat kunnen realiseren. Veel activiteiten zijn afhankelijk van betaalde personen. Als het geld wegvalt, vallen die personen weg. Gelukkig zijn er veel combinatiefunctionarissen bij de projecten betrokken die de activiteiten mogelijk deels kunnen continueren. Wat verder in het voordeel van de verenigingen spreekt, is hun versterkte positie. Ze hebben meer leden, een sterker kader en een beter lokaal netwerk.”
NISB vindt het belangrijk dat kennis en ervaringen uit ‘Meedoen’ landelijk verspreid worden. “Bij het congres waren al tal van gemeenten aanwezig die op zoek waren naar kennis om er zelf mee aan te slag te gaan”, vertelt Rutten. ”De minister zal het project niet op dezelfde manier voortzetten. Een nieuwe minister wil nu eenmaal zijn eigen beleid met zijn eigen speerpunten formuleren en dat is positief. Maar in het nieuwe regeerakkoord is vastgelegd dat er door het kabinet nauwelijks wordt bezuinigd op sport. Er zijn dus nog middelen beschikbaar voor nieuw beleid.” VWS werkt op dit moment aan een beleidsbrief sport die begin mei uitkomt. “Sport en bewegen in de wijk zijn daarin speerpunten en de middelen die op de begroting stonden, staan er nog steeds. De minister hoeft daarvoor niks nieuws te bedenken. De ervaringen van ‘Meedoen’ vormen een uitstekende basis voor de minister om op verder te bouwen. De inzet van subsidie om lokaal met de kostbare ‘Meedoen-erfenis’ aan de slag te gaan, is daarbij welkom en zinvol”, besluit Rutten.
Voor meer informatie: www.meedoenallejeugddoorsport.nl of klik hier voor het eindrapport ‘Opbrengsten van Meedoen | Eindevaluatie programma Meedoen Alle Jeugd door Sport’Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.