door: Thomas van Zijl | 15 december 2011
De Nederlandse hockeycompetitie wordt nog altijd gezien als de sterkste ter wereld, maar als de clubs niet snel hun beleid veranderen, komt die positie vanzelf in gevaar. Die waarschuwing geeft Erik Cornelissen, voorzitter van de Amsterdamsche Hockey & Bandy Club, in de volksmond kortweg ‘Amsterdam’ genoemd. Het grote aantal buitenlanders belemmert doorstroming van de jeugd en de salarissen voor tophockeyers drukken zwaar op de begroting.

De clubs uit de Rabo Hoofdklasse moeten jaarlijks veel energie stoppen om hun begroting rond te krijgen. “Uiteraard helpt de crisis niet mee, en kost het moeite de sponsorinkomsten op peil te houden”, zegt Cornelissen. “Daarbij komt dat er veel geld gaat naar tophockey.” Clubs spenderen relatief veel geld aan Nederlandse topspelers en buitenlanders in hun spelersgroep. “Of buitenlandse spelers per definitie tot de grootverdieners behoren weet ik niet, maar aanvullende kosten zorgen er wel voor dat ze per definitie duurder zijn dan de meeste Nederlandse spelers. Denk aan huisvesting, vergunningen en tickets; het moet wel ergens vandaan komen.”
Buitenlandse vedetten zijn wat Cornelissen betreft nog altijd van harte welkom in de Nederlandse competitie, maar hij ziet te vaak een tweede garnituur aan buitenlanders op de velden rondlopen. “Het begon zo’n vijftien jaar geleden met Oranje Zwart dat Shahbaz Ahmed en Carsten Fischer naar Nederland haalden. Dat waren wereldtoppers die de club en de competitie beter maakten. Daar had ik geen enkel probleem mee. Nu zien we helaas dat buitenlandse spelers van aanzienlijk minder niveau ??k in Nederland aan de bak komen. Dat vind ik zorgelijk, zeker omdat vaak buitenlanders een cruciale rol in het team vervullen bij bijvoorbeeld strafcorners en in de spits. Nederlandse spelers hoeven daarmee zelf minder leiderschap te tonen.” Cornelissen had, net als vele anderen verwacht, dat in de aanloop naar de Olympische Spelen van volgend jaar een aantal van hen terug zou keren naar hun vaderland om zich daar warm te draaien. “Zelfs daar is geen sprake van. In Nederland zijn dit jaar nog altijd meer dan veertig buitenlanders actief. Juridisch valt er weinig aan te doen, maar clubs zouden goed moeten nadenken of dit wel wenselijk is.”
En dat forse betaling per se tot betere prestaties leidt, is geen uitgemaakte zaak. “Kijk naar het turnen, roeien, zwemmen of vrouwenwielrennen. Daarin is Nederland de afgelopen jaren succesvol, terwijl de sporters vaak niet veel meer krijgen dan een redelijke vergoeding in de vorm van een Stipendium. Zij laten zich niet laten leiden door geld, maar door passie voor de sport.” Cornelissen vermoedt dat alleen een radicale koerswijziging ervoor zorgt dat Nederland aansluiting houdt bij de wereldtop. “We kunnen onszelf wel op de borst blijven slaan, maar zo goed gaat het niet. Na de zilveren medaille in Athene in 2004 zijn we vooral succesvol op EK’s, maar dat lijkt me geen garantie voor de toekomst.”
Cornelissen pleit dus voor meer geld voor de jeugdopleiding en een betere doorstroming van talent, zonder dat die - als ze eenmaal tot de selectie behoren - een groot salaris mee naar huis nemen. “Een aantal clubs heeft dat gelukkig inmiddels ook in gang gezet.” Clubs kunnen zich in zijn ogen ook op een andere manier ontfermen over hun spelers. “Hockey staat bij bijna alle sponsors terecht te boek als populair, vernieuwend en veilig. Er zijn veel interessante bedrijven zich in aan de sport verbinden. Laten we ervoor zorgen dat spelers via die sponsors en hun enorme netwerk binnen de sport goede vooruitzichten krijgen op een tweede carrière na de sport. Bij Amsterdam zijn mensen als Klaas Veering, Geert Jan Derikx en Floris Evers er prima in geslaagd hun sport te combineren met studie of werk. Dat is uiteindelijk nog het meeste waard.”
Voor meer informatie: www.ahbc.nl