12 september 2023
Nieuws
Na een dienstverband van 44 jaar bij de gemeente Amsterdam gaat Henk Stokhof met pensioen. De laatste veertien jaar gaf de ras-Amsterdammer leiding aan de afdeling sportbeleid in de hoofdstad. “Ik kom niet zo vaak buiten de ring”, zegt hij lachend onder het genot van een kop koffie in het stadhuis met uitzicht op de Wallen. Ik houd van Frankrijk en Italië. Ik heb Franse vrienden en voor mijn werk kom ik wel eens in het buitenland, maar ik hoef niet zo nodig weg. De hele wereld komt naar Amsterdam om leuke dingen te doen en ik ben er al.” Met Sport Knowhow XL blikt hij terug op zijn lange carrière.
door: Leo Aquina | 12 september 2023
Getuige de uitnodiging voor je afscheidsreceptie was je 44 jaar in dienst van de gemeente Amsterdam. Zou je ons in grote stappen door je carrière willen leiden?
“Toen ik van het VWO kwam, wilde ik van alles studeren: psychologie, filosofie, Frans. Maar ik was goed in gymnastiek en ik heb me opgegeven voor een selectiedag van de ALO. Dat was in de jaren zeventig. Ik was een allround sporter behalve in het turnen, maar dat kon ik goed verbergen. Van de paar honderd aanmeldingen werden er uiteindelijk vijftig aangenomen en daar zat ik bij. Eigenlijk werd na het VWO verwacht dat je naar de universiteit ging, maar ik heb toen toch gekozen voor de sport. Veel later in de jaren negentig heb ik onderwijssociologie gestudeerd aan de UvA, dat kon ik naast mijn werk doen in de avonduren toen de kinderen klein waren. Als ik heel eerlijk ben heb ik een hogere pet op van de ALO van toen dan van de universiteit die ik doorliep. Op de universiteit denk je weliswaar op een hoger abstractieniveau, maar je moet het wel allemaal zelf doen. Op de ALO word je gedrild op een goede manier. Je leert omgaan met mensen. Als ik in het stadhuis iemand zie die zoekende is, help ik en dan loop ik mee tot iemand gevonden heeft waar hij moet zijn. Een open en dienstbare houding is er op de ALO bij mij ingestampt.”
“Na de ALO ben ik in eerste instantie als docent aan de slag gegaan op een ZMOK-school (een school voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen). Daar heb ik twaalf jaar gewerkt. Het was een gemeenteschool, dus dat waren de eerste van mijn 44 jaar in dienst van de gemeente. Lesgeven deed ik met plezier, maar nadat ik in 1993 was afgestudeerd aan de UvA ben ik verder om mij heen gaan kijken. Ik werd uiteindelijk beleidsadviseur bij de gemeente in stadsdeel Osdorp. Daarna kreeg ik een functie bij het regionaal meldpunt voortijdige schoolverlaters en vanuit Amsterdam kwam daar een project bij onder de noemer ‘Bij de les blijven’. In die rol werkte ik voor verschillende stadsdelen: Geuzenveld, Osdorp, Centrum, Watergraafsmeer, Zeeburg. En zo kwam ik na een sollicitatieprocedure terecht in een functie als hoofd beleid en regie voor stadsdeel Zeeburg. Leidinggeven aan mensen die inhoudelijk meer verstand hebben van de materie dan jijzelf, dat is ook een kunst.”
“In 2002 haalde Norbert Krijnen mij naar de centrale stad. Ik werd 'hoofd inburgering'. Een functie waarop veel van mijn voorgangers na een paar maanden waren afgeknapt. Er was veel geld beschikbaar, maar het was een gecompliceerde opgave. Ik heb daar met wethouders Rob Oudkerk en Ahmed Aboutaleb met veel plezier en energie gewerkt. Toen drie jaar later het hoofd onderwijs bij de centrale stad wegviel ben ik dat gaan doen en weer twee jaar later was er iets aan de hand met het hoofd kunst en cultuur en toen heb ik die rol overgenomen. Dat was een leuke wereld. Ik ben geen kunstkenner, maar als je er maar lang genoeg mee bezig bent, krijg je er vanzelf verstand van. Wat ik op die afdeling vooral goed kon is wat ik oneerbiedig omschrijf als de tafel dekken en de afwas doen. Het kunstenplan 2009-2012 kwam van mijn afdeling. In 2009 kwam vervolgens de afdeling sport vrij en daarmee was voor mij de cirkel rond.”
Wat waren sindsdien de belangrijkste ontwikkelingen in het Amsterdamse sportbeleid?
“De belangrijkste ontwikkeling sluit ook direct aan bij mijn eigen ambitie. Als jongetje in Amsterdam-Noord had ik mijn eigen methode om met een bal onder de arm het hek van het sportpark te omzeilen en dan mocht je blij zijn als je er niet door de terreinknecht met een hooivork weer vanaf werd gejaagd. In de zomer waren de sportvelden drie maanden dicht. Tegenwoordig proberen we sportparken toegankelijk te maken, dat gaat natuurlijk ook veel makkelijker met kunstgras want dat hoef je niet in te zaaien. Sportparken zetten de hekken open en op sommige sportparken zijn de hekken zelfs helemaal verdwenen.”
“Die nieuwe visie leidt ook wel tot spanning en dat moeten we in goede banen zien te leiden. Je moet mensen die gebruik maken van het veld wijzen op bepaalde regels. Als de sportverenigingen gebruik willen maken van de velden, moeten andere mensen plaatsmaken want de sportverenigingen betalen er immers voor. En we hebben afgelopen zomer ook wel overlastkwesties gehad, mensen die zonder vergunning een grote tent op een voetbalveld zetten en feest gingen vieren. Daar hebben we nu ook de wat ik gekscherend wel de ‘wat-zijn-wij-hier-aan-het-doen-functionarissen’ om dat in goede banen te leiden.”
“We werken met Sofyan (sportwethouder Sofyan Mbarki, red.) aan de Amsterdamse voetbalagenda. We proberen de sportfaciliteiten zoveel mogelijk functioneel te maken, maar er wordt tegenwoordig ook veel commercieel gebruik gemaakt van de velden, bijvoorbeeld door voetbalscholen die negentig euro per les vragen aan kinderen en gebruik maken van de verenigingsvelden die voor een maatschappelijk tarief worden gehuurd. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat commerciële partijen verdienen aan belastinggeld dat door de gewone Amsterdammer wordt betaald.”
Hoe is het sportbeleid en de uitvoering daarvan in Amsterdam georganiseerd?
“Sport is tegenwoordig een apart onderdeel op de begroting van de gemeente. Vroeger viel het onder het sociaal domein als ‘sport & recreatie’. Nu heet het sport & bewegen. Dat vind ik een goede zaak. Vroeger had je de afdeling sportbeleid en sportstimuleringsprojecten. Alle sportvoorzieningen en zwembaden vielen onder de stadsdelen. Op een gegeven moment werd ik kwartiermaker van de organisatie Sport & Bos. Onder de nieuwe organisatie zouden alle Amsterdamse sportvoorzieningen komen te vallen. Daarnaast waren er de sportstimuleringsprojecten, waarvan de uitvoering werd verzorgd door sportleiders, veelal in het trainingspak. Toen ik net bij sport kwam waren sportbeleid en sportstimulering net uit elkaar getrokken en nu zie je een beweging waarbij het weer meer bij elkaar komt. Dat is een beetje een golfbeweging.”
De gemeente Amsterdam heeft in tegenstelling tot andere grote steden de uitvoering van het sportbeleid en het beheer van de sportfaciliteiten niet uitbesteed. Waarom niet?
“Er zijn in het land verschillende modellen. Rotterdam is een vergelijkbare stad. Zij hebben net als wij topsport ondergebracht in een aparte stichting, maar in tegenstelling tot ons hebben zij alle vastgoed- en sportvoorzieningen ondergebracht in een apart sportbedrijf. Ook de sportstimulering is op afstand gezet, waar dat alles bij ons nog direct onder de gemeente valt. Ik denk dat het bij Amsterdam hoort. Wij denken er ook wel over om een apart sportbedrijf op te richten, maar voorlopig willen het college en de raad het dichter bij zich houden om er meer invloed op te kunnen uitoefenen. Voordeel van een apart sportbedrijf is dat je als stichting makkelijker zaken kunt doen met externe partijen. Als gemeente heb je te maken met soms wat complexe eigen spelregels, zoals bijvoorbeeld aanbestedingen. Toen laatst de Holland Beker gehouden moest worden zat er veel wier in de Bosbaan. Dat kun je met roeien niet hebben, dus het moest snel verwijderd worden. Het strikt uitvoeren volgens de regels zou in die situatie duurder geweest zijn en pas na het evenement uitgevoerd worden. Toen hebben we het opgelost met onze eigen mensen en een kortere procedure. Aan de andere kant zitten er ook nadelen aan een sportbedrijf. Je zit meer op afstand als je dingen gedaan wilt krijgen. Ik zie het dan toch als een soort hengel met een knik erin.”
In jouw periode als hoofd sport had Amsterdam een olympische ambitie. Daar werd door het kabinet in 2012 een streep doorgezet. Hoe heb jij dat ervaren?“Ik werd in mijn begintijd op sport aangesteld als regisseur olympische ambitie. Dat was een leuke tijd en we hebben veel voor elkaar gekregen samen met Rotterdam en bijgedragen aan een nationaal enthousiasme voor sport, met veel positieve energie. Toen het kabinet in 2012 besloot de stekker eruit te trekken, wilde we als grote steden wel doorpakken. Niet met de Spelen, maar wel met die grote sportambities. Daar is het G5-overleg - met de vier grote steden en Eindhoven - uit voortgekomen en dat is tot op de dag van vandaag een goed gremium voor het structureren van sport en evenementenbeleid. Dat was nationaal gezien niet heel consistent en dat is het soms nog niet helemaal, maar het is wel beter dan vroeger. Ik ben wel altijd erg voorzichtig met de term olympisch. Voor je het weet staat er in de krant: Amsterdam wil de Spelen. Tijdens een buitenlands werkbezoek liet ik me in een interview aan een kleine Engelse website ontvallen, dat de droom bij ons na het afhaken van het kabinet nog niet gedoofd was. Twee dagen later kreeg wijlen burgemeester Van der Laan er vragen over in de raad. Eberhard pareerde dat professioneel en deed het in mijn richting af met een glimlach, maar toen begreep ik dat ik wel op mijn woorden moest passen.”
Is Amsterdam een sportstad?
“Amsterdam is altijd een sportstad geweest en dat heeft het afgelopen decennium, toevallig ook toen ik er zat, een enorme boost gehad, zeker met Eric van der Burg als sportwethouder, maar later ook met Simone Kukenheim. En Sofyan Mbarki barst ook van de ambitie. Een stad wordt als sportstad gezien als je grote evenementen binnenhaalt en organiseert en dat hebben we gedaan. Een van de hoogtepunten was natuurlijk het EK atletiek dat we in 2016 naar Amsterdam hebben gehaald. Daarvoor ben ik al in 2011 samen met Eric van der Burg en de Atletiekunie naar Helsinki gereisd om ons bid te presenteren. We hebben een speciaal bureau in Lausanne ingehuurd om ons te helpen. Het was een enorm succes en waar ik nog het meest trots op ben is dat het vrolijk en veilig was. Het was een periode met veel aanslagen in Europa. Bij het EK twee jaar eerder in Zürich liepen zwaarbewapende beveiligers. Wij hebben het veilig kunnen organiseren zonder dat het echt zichtbaar was. De wereld afschuimen om Amsterdam te presenteren als sportstad is een van de leukste kanten van deze baan.”
“Een andere evenement waar ik trots op ben is de Coolste Baan, de ijsbaan in het Olympisch Stadion in 2014 en in 2018 zelfs met het WK Allround schaatsen in het stadion. Ik weet nog dat Patrick Wouters en Koen Hermens van House of Sports naar mij toe kwamen met het idee. Ik kon in eerste instantie een meewarige glimlach nog net onderdrukken, maar een jaar later kwamen ze opnieuw en toen met een veel beter onderbouwd plan. Toen zijn we er toch mee aan de slag gegaan. Ik heb toen allerlei zijpaden bewandeld om het voor elkaar te krijgen. Dan belde Patrick mij: ‘Henk er moet nu echt iemand opstaan’. Zat ik de volgende dag bij Liander om uit te leggen hoe belangrijk het voor Amsterdam was. Het hoofd sport bij de energieleverancier, dat slaat natuurlijk helemaal nergens op, maar we kregen het wel voor elkaar.”
“Op dit moment maken we ons op voor een bid als gaststad voor het WK vrouwenvoetbal in 2027, samen met België en Duitsland en vier andere Nederlandse speelsteden. Dat wordt weer een miljoenenproject. In december moeten we het bid indienen. Ik vind dat we daarbij gezonde Nederlandse weerstand moeten bieden aan het megalomane gedoe van de FIFA. De FIFA heeft het liefst de sleutel van de stad en het liefst zien ze dat alles met publieke middelen wordt betaald. Voor een deel ontkom je daar niet aan, maar we moeten toch voorkomen dat er al te veel belastinggeld naar het evenement gaat. In de bidfase moeten we wat voorzichtig zijn en hier en daar wat water bij de wijn doen, maar als je het eenmaal binnen hebt, moet je continu in onderhandeling zijn om het toch op de Nederlandse manier voor elkaar te krijgen, toegankelijk, veilig en hopelijk met sportief succes.”
“Een ander criterium om af te meten of we een sportstad zijn vind ik de aanwezigheid van goede sportvoorzieningen en effectieve sportstimulering en ook in dat opzicht staan we er goed op. We organiseren op dit moment bijvoorbeeld de Urban Sportweek. Overal in de Amsterdamse wijken zie je sport. En urban sport is de komende jaren ook echt een speerpunt. We kunnen ons als sportstad prima meten met Rotterdam. Natuurlijk steekt Amsterdam als cultuurstad met kop en schouders boven de rest van Nederland uit en zo wordt dat ook wel een beetje gezien en afgezet tegen Rotterdam. Maar ze zeggen ook dat er in Rotterdam wordt gewerkt en in Amsterdam achterover geleund. Dat laat ik dan maar zo. De kenners weten beter en ik heb in ieder geval heel plezierige samengewerkt met onze Rotterdamse collega’s.”
Welke drie personen zijn voor jou het belangrijkste geweest in jouw carrière en waarom?
"Dan doe ik sowieso enorm veel mensen tekort. Ik ben geweldig trots op alle mensen op mijn afdeling. Het zijn allemaal mensen die van wanten weren. Bij ons heerst geen negen-tot-vijfmentaliteit. Maar als ik er dan toch drie mensen uit moet lichten begin ik met Norbert Krijnen, die mij eigenlijk steeds achter zich aansleepte. In 2002 pikte hij mij op bij het stadsdeel en daarna heeft hij mij steeds weer op andere plekken neergezet. Ook toen hij directeur Sport & Bos werd liet hij veel aan mij over als plaatsvervangend directeur.”
“En dan is er natuurlijk Eric van der Burg. Hij werd in 2010 wethouder sport en hoewel hij niet direct sport-DNA had, heeft hij zich dat enorm snel eigen gemaakt. Hij heeft ook een 24/7 mentaliteit en hij heeft de sport in Amsterdam een enorme boost gegeven. Hij was niet alleen wethouder sport, maar hij had ook grond en ontwikkeling onder zijn hoede. Omdat hij beide portefeuilles had, kon hij enorm veel voor elkaar krijgen. Hij was in staat veel mensen te overtuigen. Het is gewoon heel moeilijk Eric van der Burg af te vallen, met zijn ijver, bestuurlijke ervaring en rechtschapen handelen. Wat hij nu doet (als staatssecretaris van justitie en veiligheid is Van der Burg verantwoordelijk voor de opvang van asielzoekers), zou ook echt niemand anders kunnen, ze zouden meteen onder geschoffeld worden.”
"De derde naam is een vreemde eend in de bijt, maar dan noem ik Jacob Bergsma, journalist en woordvoerder. Hij was bij mij chef sportcommunicatie, maar de ambtenarij en Jacob dat werkte niet. Als ambtenaar moet je om kunnen gaan met het oponthoud dat we zelf organiseren. Hij is toen naar Topsport Amsterdam gegaan, maar we hebben nog altijd heel goed contact. Je kan hem op ieder moment bellen met een vraag. Laatst had ik een Engelstalig biografietje nodig van mezelf. Dan bel ik hem en een halfuurtje later staat het op de mail. Hij weet enorm veel en hij is ontzettend loyaal aan de sport en iemand die goed kan laten zien waarom sport zo belangrijk is.”
Tot slot, hoe zien je toekomstplannen eruit?
"Officieel ga ik 1 januari uit dienst, maar op 1 september is het afgelopen omdat ik nog veel vakantiedagen te verrekenen had. Daarnaast is het mij gegund om in dit najaar een conferentie te hosten in Amsterdam van de World Union of Olympic Cities, een netwerk van steden waar in het verleden ooit de Olympische Spelen zijn geweest. Het gaat daarbij om het leren van elkaars olympische legacy en pertinent niet om het binnenhalen van de Spelen. We zijn in Tokio en Sapporo geweest en in Montreal en Salt Lake City. Dit jaar is het in Parijs en ik heb ze uitgenodigd om het tweede deel van de week naar Amsterdam te komen.”
“Verder speel ik gitaar en zing ik in een oude-lullenband. We treden af en toe op voor een friendly audience, ik heb twee kleinkinderen en met mijn vriendin heb ik een volkstuin. De pensioenrust lonkt, maar ik heb ook op LinkedIn gezet dat ik liever op zoek ga naar interessante en leuke dingen op het maatschappelijk vlak die op mijn pad komen. Je wilt er toe blijven doen. Dan kan in de sport zijn, maar ook op andere vlakken. Ik zou het ook objectief gezien zonde vinden om te laten vervliegen wat ik in mijn fietstassen heb, al dooft dat natuurlijk ook langzaam uit." Met een glimlach: "Op dit moment heb ik heel veel vrienden, maar over een halfjaar is dat waarschijnlijk minder. Veel mensen ken je via je werk en willen je hulp of kennis professioneel inzetten, maar ik ga er van uit dat er wel wat overblijven.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.