16 december 2010
Nieuws
“Als je bij de training niet alleen kijkt hoe groot de motor is maar ook hoe efficiënt, kun je een grote prestatiesprong maken”, zegt Jos de Koning van de Faculteit Bewegingswetenschappen aan de Vrije Universiteit. De wetenschapper leidt het project ‘Schaatsefficiëntie’, waarin ook de KNSB, NOC*NSF en InnoSportNL participeren.
“Als je gaat schaatsen, maak je energie vrij. Slechts een klein percentage van die energie wordt daadwerkelijk gebruikt om vooruit te komen. De rest gaat verloren, bijvoorbeeld aan warmte in het lichaam”, legt De Koning uit. “Het percentage nuttig aangewende energie is de efficiëntie. Bij een schaatser zit dat rond de zestien procent. Ter vergelijking: bij een fietser is het rond de 22 procent en bij iemand in een rolstoel acht à negen procent.” Door die efficiëntie te vergroten, is volgens De Koning in het schaatsen nog een wereld te winnen. “Meestal wordt er getraind om de totale hoeveelheid energie die je vrij kan maken te vergroten, terwijl het eigenlijk alleen gaat om de energie die je daadwerkelijk voor je taak gebruikt.”
Schaatsprestaties zijn in de afgelopen vijf decennia gemiddeld met dertig procent vooruitgegaan. Slechts een deel van die vooruitgang is te danken aan technologische innovaties, zoals klapschaatsen, schaatspakken en indoorbanen. Volgens De Koning is vijftien procent van de vooruitgang daarmee nog niet verklaard. “We hebben door middel van een model gekeken naar iedere innovatie in het verleden en onderzocht wat de bewezen invloed daarvan was op de prestatie.” Een verklaring vanuit toegenomen spierkracht en uithoudingsvermogen (VO2max) ligt voor de hand, maar die twee variabelen zijn nagenoeg gelijk gebleven. “De VO2max van schaatsers als Jevgeni Grisjin, Johan Olav Koss en Rintje Ritsma is in dezelfde range als de VO2max van de huidige toppers”, aldus De Koning. “Logischerwijs moeten we aannemen dat schaatsers efficiënter zijn gaan rijden. De netto energie voor het schaatsen is vooruitgegaan hoewel de biologische potentie nauwelijks is veranderd.”
Volgens De Koning is deze atletische verbetering vooral te danken aan de mogelijkheid om sportspecifieker te trainen. “Tegenwoordig kunnen schaatsers bijna het hele jaar door de ijsbaan op. In de jaren vijftig stonden zij maar drie maanden op het ijs. Zij werkten in de zomer weliswaar aan de conditie, maar schaatsen is een complexe beweging en is daarom zeer gebaat bij specifieke training. Zelfs begin jaren tachtig hadden schaatsers per jaar maar ongeveer honderd schaatsdagen. Tegenwoordig zijn dat er waarschijnlijk meer dan tweehonderd.”
Toen de Koning eenmaal de conclusie had getrokken dat de efficiëntie was vergroot, rees de vraag welke parameters daaraan ten grondslag liggen en hoe je die kunt beïnvloeden. “Er was sprake van een hiaat in de wetenschappelijke kennis.” De Koning noemt een aantal variabelen die van invloed zijn op de efficiëntie. “Techniek is natuurlijk belangrijk, afzethoek en timing. Maar nog niet duidelijk is hoe die variabelen samenhangen met de efficiëntie. Wat we bijvoorbeeld ook totaal niet weten, is hoe de techniek verandert als een schaatser moe wordt gedurende een inspanning. Gaat de efficiëntie dan achteruit? En zijn er buiten de techniek nog andere manieren om de efficiëntie te beïnvloeden: dagnachtritme, het effect van hoogte?”
Om inzicht te verkrijgen in alle parameters moet je met een schaatser het ijs op. “Thialf is ons laboratorium”, zegt De Koning. “De schaatser gaat de baan op met allerlei meetapparatuur. We gebruiken filmopnames, we meten ijswrijving, luchtstroom, alles wat van invloed kan zijn.” Alle gemeten data gaat de computer in. “We kunnen in de praktijk niet steeds één parameter wijzigen en de schaatser opnieuw laten rijden. Dan moet hij vijfhonderd keer achter elkaar het ijs op. We gaan met de metingen aan de slag in een simulatiemodel, waarin we eindeloos kunnen variëren.”
Dergelijk onderzoek kost geld en daarvoor moest de VU op zoek naar partners. Aangezien de Faculteit Bewegingswetenschappen een lange traditie heeft op het gebied van schaatsonderzoek lag een samenwerkingsverband met de KNSB voor de hand. “We zijn continu in gesprek met de schaatsbond en NOC*NSF. Dus als een project als dit zich aandient, is het de vraag: kan het gefinancierd worden?” Die financiering kwam er. De Vrije Universiteit neemt de helft van de kosten op zich. “De KNSB en NOC*NSF dragen zorg voor het grootste gedeelte van de andere helft en InnoSportNL neemt ook een klein deel voor zijn rekening.” Het onderzoek loopt over een periode van vier jaar. Dionne Noordhof hoopt er in 2013 op te promoveren. “Ze is nu twee jaar bezig en dat gaat als een speer”, aldus De Koning.Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.