Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
Al 150 scholen geven het vak bewegen sport en maatschappij

Al 150 scholen geven het vak ‘Bewegen, Sport en Maatschappij’

27 augustus 2009

Nieuws

door: Anne Schulze | 27 augustus 2009

Sinds de invoering van het tweede fase onderwijs in 1999 hebben middelbare scholen de mogelijkheid om leerlingen het eindexamenvak ‘Bewegen, Sport en Maatschappij’ (BSM) aan te bieden. Hoewel destijds op slechts twintig plaatsen in Nederland met het vak werd gestart, kan BSM op dit moment op bijna honderdvijftig scholen gevolgd worden.

Middelbare scholieren kunnen het vak Bewegen, Sport en Maatschappij (BSM) binnen het vrije deel van hun vakkenpakket kiezen, en hoeven hiervoor in het eindexamenjaar alleen een schoolexamen af te leggen. “BSM is een praktisch vak dat gericht is op de achtergrond en organisatie van sport”, vertelt Eric Swinkels van het SLO, het nationaal expertisecentrum voor leerplanontwikkeling. “Voor leerlingen is het een veelzijdige en aantrekkelijke afwisseling op de rest van hun vakkenpakket.” Hoewel BSM in de beginjaren van de tweede fase op sommige scholen door slechts kleine groepjes leerlingen werd gevolgd, kiezen landelijk gezien steeds meer middelbare scholieren voor het vak. Swinkels: “Van iedere school waarop BSM aangeboden wordt, volgt twintig tot dertig procent van de leerlingen het vak. De doelgroep van BSM is dus heel breed, hoewel het specifiek bedoeld is voor leerlingen die geïnteresseerd zijn in de Academie voor Lichamelijke Opvoeding en andere sportgerelateerde opleidingen.”

Ondersteuning bij invulling lesprogramma
BSM - dat tot 2007 Lichamelijke Opvoeding 2 werd genoemd - is ingedeeld in een praktijk- en een theoretisch deel. Het praktijkdeel vult driekwart van de contacttijd en bepaalt tevens voor zeventig procent het eindcijfer van de leerlingen. “Binnen dit deel van het vak beoefenen scholieren verschillende sporten, leren ze leidinggeven en organiseren en stellen ze zelfstandig een trainingsprogramma op”, licht Swinkels toe. Voor VWO-leerlingen kan het praktijkdeel worden uitgebreid met een onderzoeksmodule, waarin zij hun profielwerkstuk - een praktische onderzoeksopdracht die in de laatste klas van de bovenbouw moet worden uitgevoerd - kunnen schrijven. “In het theoriedeel wordt vervolgens dieper ingegaan op de achtergrond van sport en bewegen, waarin met name gezondheidsvraagstukken en de wisselwerking tussen de maatschappij en sport en bewegen centraal staan.”

Tot op heden is er voor BSM geen officieel centraal eindexamen en zijn scholen vrij in het maken van keuzes omtrent de precieze invulling van het vak. Swinkels: “Om docenten van scholen die ervoor kiezen BSM aan te bieden toch enige vorm van houvast te geven, wordt sinds 2006 een cursus aangeboden die jaarlijks door zo’n vijfentwintig tot dertig docenten wordt gevolgd. Daarnaast zijn er voor deelnemers die behoefte hebben aan meer informatie en ondersteuning zes regionale BSM-netwerken opgericht.”

BSM-netwerken
Deze BSM-netwerken, waaraan in totaal vijfenvijftig scholen zijn verbonden, dienen om docenten de mogelijkheid te geven informatie uit te wisselen en ervaringen te delen. Onder begeleiding van doorgewinterde BSM-docenten komt ieder netwerk vijf keer per jaar bijeen. Daarnaast is er éénmaal per jaar een landelijke bijeenkomst, waar alle netwerken samenkomen. “Scholen kunnen zelf onderwerpen voor bijeenkomsten op de agenda zetten”, licht Swinkels, die tevens coördinator van de netwerken is, toe.

Iedere school waarop BSM wordt aangeboden is gemiddeld zo’n drie tot vijf jaar bij een netwerk betrokken. Daarna hebben zij volgens Swinkels voldoende ervaring en contacten om hun BSM-programma verder te ontwikkelen. Dit wil echter niet zeggen dat het de bedoeling is dat iedere school het vak op totaal eigen wijze gaat invullen. “Scholen mogen zelf keuzes maken met betrekking tot het lesprogramma, maar er moet uiteraard wel worden voldaan aan eindtermen”, zo legt hij uit. Om daarnaast een landelijke standaard in te bouwen en de kwaliteit van BSM op één lijn te krijgen, zijn de coördinatoren van de zes netwerken bezig om beoordelingscriteria voor zowel theoretische- als praktische opdrachten op te stellen.

“Aan het einde van dit jaar worden deze beoordelingscriteria in een publicatie naar alle scholen die BSM geven gestuurd”, aldus Swinkels. “Op die manier willen we niet alleen de scholen die zijn verbonden aan de netwerken, maar ook alle andere scholen in kennis stellen van de toetsvoorbeelden. Deze voorbeelden moeten namelijk als ijkpunten gaan dienen voor het lesprogramma van BSM.” Volgend jaar zal nog een stap verder worden gegaan: op basis van de beoordelingscriteria uit de toetsvoorbeelden zal een checklist worden ontworpen, die scholen handvatten biedt om de kwaliteit van hun schoolexamen te waarborgen.

Onderzoek naar vervolgopleidingen
Naast het opstellen van beoordelingscriteria en het ontwerpen van een checklist zal ook op een andere manier aan de ontwikkeling van BSM worden gewerkt. Swinkels: “Ik ben van plan om volgend jaar een onderzoek te doen naar de eisen die vervolgopleidingen aan middelbare scholieren stellen. Het gaat dan niet alleen om sportopleidingen als de ALO, maar ook om andere opleidingen waarin leidinggeven en organiseren centraal staat. Hopelijk kan het programma van BSM op die manier zowel voor scholen, leerlingen als vervolgopleidingen nóg aantrekkelijker worden gemaakt.”

Voor meer informatie: Eric Swinkels, e.swinkels@slo.nl, 053-484 0404.

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.