door: Leo Aquina | 10 september 2013
1. In het verleden heb je diverse functies bekleed waaruit je betrokkenheid blijkt met de (rechts)positie van atleten. Waar komt die betrokkenheid vandaan?
“Eigenlijk ben ik altijd voor de underdog. Van mijn ouders heb ik meegekregen dat je autoriteit alleen moet accepteren als het zinnig is en niet omdat iemand nu eenmaal een bepaalde machtspositie heeft. Ik snap wel hoe de wereld functioneert, maar ik blijf me er dagelijks over verbazen. Sport is ooit begonnen omdat mensen samen iets leuks met elkaar gingen doen. Dan heb je mensen nodig die het organiseren, die regels maken en noem maar op. Aanvankelijk deden mensen dat vrijwillig en uit liefde voor de sport, maar op een gegeven moment werd het een positie van macht en aanzien. Mensen krijgen er vaak meer waardering voor dan voor wat zij in het dagelijks leven doen. Als die mensen lang genoeg op zo’n plek zitten, vergeten ze waarom ze het deden en waar ze vandaan kwamen.”
“Sportbestuurders luisteren niet naar de sporters. In Nederland hebben we op dat gebied enorme vorderingen gemaakt, maar internationaal is het nog een enorme jungle. Ik zal een voorbeeld geven. Drie jaar geleden werd in het schaatsen de zogenaamde Dr. Bibber-regel ingevoerd, schaatsers werden gediskwalificeerd als zij van hun lijn afweken. De eerste de beste World Cup werden zes of zeven schaatsers gediskwalificeerd en iedereen wilde die regel afschaffen. Wat zegt de Internationale schaatsbond? ‘Daar hebben we niks mee te maken. Over twee jaar kijken we verder.’ Dat vind ik dus onbegrijpelijk. Ik heb toen aan Mark Tuitert voorgesteld dat alle schaatsers op de volgende World Cup collectief zouden weigeren van start te gaan. Dat durfden ze niet aan. Ze zijn natuurlijk altijd bang dat de een of andere vage Rus zich er niet aan houdt en er met de overwinning vandoor gaat. Zoiets geeft wel de noodzaak aan om je als sporters collectief te organiseren als je wilt dat je stem wordt gehoord.”
“Sportbonden vinden vaak dat zij de mening van topsporters vertegenwoordigen, maar dat is natuurlijk niet het geval. NOC*NSF vroeg zich in het verleden af waarom er een organisatie nodig was om de belangen van de sporter te behartigen, want er was toch een atletencommissie? Dat is een vreemde kronkel. De atletencommissie is te vergelijken met een ondernemingsraad, oftewel een bestuursadviesorgaan. Dat is een partij die iets te zeggen heeft over interne zaken binnen de onderneming zoals limieten en kwalificatie-procedures, maar als je in gesprek gaat over een arbeidsrelatie heb je het over iets anders. Zo’n atletencommissie gaat niet over contracten die een sporter buiten de organisatie aangaat, zoals bijvoorbeeld beeldrechten. Toen ik in de atletencommissie van NOC*NSF kwam, mochten de atleten hooguit meepraten over het kledingpakket, verder was het slikken of stikken. Dat is gelukkig enorm ten goede veranderd.”
2. Je drukte me bij het begin van ons gesprek op het hart te vermelden dat er een groot verschil is tussen je oordeel over de Nederlandse situatie en de internationale situatie als het gaat om de (rechts)positie van atleten. Waarom?
“We zijn in Nederland inmiddels zover dat NOC*NSF het belang van goed georganiseerde sporters ook wel inziet. Dat is iets dat we onder meer met NLSporter hebben bereikt. Maar internationaal is dat echt anders en in de internationale topsport worden veel zaken natuurlijk niet in Nederland bepaald, maar op wereldniveau. Daarom zijn we ons Europees gaan organiseren. Samen met Walter Palmer heb ik de Europese atletenvakbond EU Athletes opgericht en daar van ben ik nu voorzitter. Later hebben we ook een wereldwijde sportersvakbond opgericht, Sport PRO binnen UNI Global Union en daar staat Palmer aan het hoofd. We moeten over de grenzen kijken. Ik sprak eens met David Howman (directeur van het wereldantidopingbureau WADA, red.) en die zei tegen me: ‘Yves, you’ve got the E, but we’ve got the W.’ Ik begreep het in eerste instantie niet en toen legde hij me uit dat wij in Europa nog altijd denken dat we belangrijk zijn, maar daar denkt de rest van de wereld inmiddels heel anders over."
“Het IOC en de FIFA hebben een
white paper over sport geschreven. Ze benadrukken dat sport geen reguliere bedrijfstak is en willen daarom onder allerlei normale wetgeving uitkomen. Wij zijn daar mordicus tegen. Er zijn vanzelfsprekend situaties waarin je uitzonderingen moet maken op reguliere wetgeving, bijvoorbeeld de restrictie bij het spelen voor nationale teams. Maar Europa is een groot goed en de rechtsbescherming die het biedt, geldt voor iedereen. Je bent in eerste instantie mens, dan werknemer en dan sporter. Als mens heb je fundamentele rechten en als je daarop uitzonderingen gaat maken, kom je op een glijdende schaal. Een aantal rechten is al volledig overboord, kijk maar naar de whereabouts. Ongelooflijk dat sporters het accepteren, maar ja, iedereen is bang. Sporters zijn in de eerste plaats ook burgers die gewoon rechten hebben. Neem die jongens in Eindhoven. Die werden opgepakt vanwege geweldpleging naar aanleiding van dat internetfilmpje. Die hebben strafvermindering gekregen van de rechter omdat zij door dat filmpje publiekelijk al aan de schandpaal waren genageld. Vergelijk dat eens met een sporter die op doping wordt betrapt, die wordt publiekelijk afgeslacht, maar de sancties worden er niet minder om, integendeel. Er wordt met twee maten gemeten, neem matchfixing. Sporters worden aan de schandpaal genageld, maar zullen we het even hebben over de FIFA en Qatar? De Olympische Winterspelen voor Zuid-Korea en de familie Samsung?”
3. Vlak voordat Camiel Eurlings werd voorgedragen als kandidaat IOC-lid twitterde je: 'Mijn lieve Irene genomineerd voor IOC-kandidaat voor Nederland. Verheug me nu al op het partner programma'. Je doelde op oud-toproeister Irene Eijs, je partner. Was zij op de een of andere manier benaderd door NOC*NSF? En wat vind je van de keuze voor Eurlings?
“Die tweet van mij was een grapje om een beetje te prikkelen. Ik wist op dat moment al lang dat Eurlings de kandidaat zou worden. Nu hoor je overal dat hij eigenlijk niet wilde, maar dat is onzin. Ik heb begrepen dat Eurlings toen hij werd gevraagd als voorzitter van Olympisch Vuur heeft bedongen dat hij voorzitter van NOC*NSF zou worden of IOC-lid. Dat is slim onderhandelen. Bij de KLM kwam hij binnen op de vrachtafdeling en heeft hij bedongen dat hij daarna hoofd van de KLM zou worden. Hij weet hoe het in de wereld werkt en dat vinden we misschien niet altijd even sympathiek, maar wij snappen het politieke spel in Nederland gewoon niet. Eurlings snapt het wel, hij weet hoe je dingen voor elkaar kunt krijgen en daarom kan hij van grote betekenis zijn voor de Nederlandse sport.”
“Ik zal je een voorbeeld geven van het machtsspelletje. In de tijd dat Samaranch nog voorzitter was van het IOC - Jacques Rogge was toen voorzitter van het EOC - wilden we een Europese atletencommissie op poten zetten. Wij wilden Peter Blangé graag in die commissie hebben, maar we kwamen er al snel achter dat hij niet tot de favoriete kandidaten behoorde. Toen is een van de toenmalige Nederlandse delegatieleden een avond gaan drinken met de voorzitter van de Cypriotische gewichthefbond of zoiets. Om vier uur ’s nachts kwam er een stemlijstje uit zijn zak: ‘Als je zorgt dat Blangé op deze kandidaat stemt, komt hij er zelf ook in.’ Ze hebben het van tevoren allemaal doorgerekend en ze zorgen dat ze het onderling dichttimmeren. Zo werkt dat. Of de corruptie in de olympische beweging onder Rogge is teruggedrongen? Ja dat zou best kunnen, maar onderlinge afspraken kun je heel moeilijk tegenhouden. Zo werkt dat spelletje gewoon.”
4. Naast je diverse functies in de belangenbehartiging van topsporters, ben je ook initiator van een groot Olympisch project in Nederland: de dames Rugby Sevens. Hoe staat dat project ervoor?
“Het is waanzinnig hard gegaan met de ontwikkeling. Op dit moment staan we als team zo tussen de zesde en de tiende plaats op wereldniveau. Op het WK in Rusland werden we tiende. Daar hebben we een beetje de pech gehad dat we bij Canada en Nieuw-Zeeland in de poule terechtkwamen en dat zijn de twee beste landen ter wereld. Maar ons programma staat als een huis. Ik heb er gisteren een presentatie over gegeven aan Maurits Hendriks (technisch directeur NOC*NSF, red.) en hij ziet ook de enorme potentie. We hebben als enige land in de wereld een academiestructuur met vijftien meisjes die vanaf hun veertiende zo’n tien à twaalf uur in de week trainen. Het gaat niet alleen om de A-selectie en dat hebben we ook met NOC*NSF besproken. We willen aan sportontwikkeling doen, breedtesport, coaches opleiden. Als we dat niet allemaal meenemen is het van korte dur. We zijn er in Nederland ook heel goed in om één keer succesvol ergens in te zijn en daarna nooit meer.
“Hoe groot is de kans dat we in Rio de Janeiro voor een medaille kunnen gaan? Moeilijk. Kwalificeren is eigenlijk bijna moeilijker dan een medaille halen. Op de Spelen worden per regio een bepaald aantal teams afgevaardigd. Afrika is bijvoorbeeld een zwakke regio, maar er komen wel twee teams vandaan. Europa krijgt drie of vier plaatsen en wij behoren met Engeland, Spanje, Frankrijk en Rusland tot de topvijf van Europa. Je moet een beetje geluk hebben in het kwalificatietraject, maar we hebben goede papieren om bij de Europese topdrie te komen en dan heb je in de kwalificatie alvast afgerekend met een aantal concurrenten voor een medaille. Wat je op dit moment nog wel ziet, is dat het dubbeltje in de belangrijke wedstrijden vaak net de verkeerde kant op valt. Daar moeten we aan werken. Het belangrijkste daarbij is zelfvertrouwen. Als je nooit gewend bent om in de top mee te doen en opeens sta je daar en wordt er van je verwacht dat je presteert, ontstaat er een nieuw soort druk. Dan moet je rustig blijven en erop te vertrouwen dat het talent en de vaardigheden die je hebt uiteindelijk tot de overwinning zullen leiden.”
5. Je profielfoto op twitter is dwars afgebeeld. Typeert dat jou of is het toeval?
“Grappig dat je het zegt, meer mensen beginnen daarover. Eigenlijk is het per ongeluk en ik vergeet steeds om het recht te zetten. Maar nu het er eenmaal een tijdje zo staat is het ook wel weer leuk om er een bepaalde filosofie achter te bedenken. Ik denk dat ik hem ook maar zo laat staan als statement. Of het mij typeert? Ik ben iemand die de boel graag opschudt. Ik ben goed in enthousiasmeren en het opzetten van nieuwe dingen. Dat heeft te maken met verbeeldingskracht. Ik ben er erg goed in om de dingen op een mooie manier voor te spiegelen en dat combineer ik met een goede dosis strategisch inzicht. Als het vervolgens op besturen aankomt ben ik minder geschikt. In iedere organisatie komt een moment dat je gewoon goede afspraken moet maken en dat je er vooral voor moet zorgen dat die afspraken goed worden uitgevoerd. Ik begin vaak dingen en dan denk ik later: 'jeetje, hoe kom ik er nu weer vanaf'. Dan is het goed om er iemand boven te zetten. Dat heb ik bij NLSporter ook gedaan. Daar zit Matthijs Huizing nu als voorzitter.”
“Ik ben nu een tijdje met dat rugbyproject bezig. Daar wil ik nog een jaartje mee door en dan wordt het ook tijd om er iemand boven te zetten. Ik heb er ook geen moeite mee om iemand boven me te hebben. Mensen doen er wel eens moeilijk over: ‘ja maar jij bent toch de oprichter?’ Dan durven ze allerlei moeilijke dingen niet te zeggen. Ik heb er totaal geen moeite mee om onder iemand te functioneren. Dat heb ik bij mijn bedrijf Kumpany ook gedaan door Jan-Paul de Wildt binnen te halen als mededirecteur. We lopen hier al tien jaar te rommelen met de structuur. Hij kan prima tegen mij zeggen: ’Yves, dit nu wel of dat nu niet.’ Als het op redelijke en inhoudelijke gronden gebeurt, is dat voor mij nooit een probleem.”