20 mei 2008
Nieuws
1. Hoe vaak gaat het tijdens een bestuursvergadering van NOC*NSF
over het thema ‘mensenrechten in China en hoe daar mee om te
gaan’?
“Dat wordt regelmatig besproken tijdens de
bestuursvergaderingen. Steeds als daar weer een actuele aanleiding voor is. Maar
de ideeën over hoe we als NOC*NSF daarmee om moeten gaan, zijn in de loop der
tijd niet wezenlijk veranderd. Oftewel: Nederlandse atleten mogen zeggen wat zij
ervan vinden, vóór, tijdens en na de Spelen. Maar atleten moeten zich wél houden
aan het Olympisch handvest. Dat komt er onder andere op neer dat zij geen
politieke statements tijdens de Olympische Spelen mogen maken. Het idee van de
Franse atleten – een button dragen waaruit blijkt dat zij streven naar een
‘betere wereld’ – daar sta ik achter. Althans, als het niet alleen China slaat,
maar een beweging is die zich ook na de Olympische Spelen blijft inzetten voor
een ‘betere wereld’. Ik zou het niet geslaagd vinden als de button als verkapt
politiek statement wordt gebruikt. Maak dan gewoon dat statement, maar doe dat
niet via een button. Ik heb de voorzitter van de Franse atletencommissie per
e-mail enkele vragen gesteld over hun plannen. De antwoorden daarop heb ik nog
niet gehad. Je merkt dat Jacques Rogge op het moment ook met de kwestie
worstelt. Ieder land heeft zijn eigen wetgeving en is autonoom. Maar het IOC kan
wel invloed proberen uit te oefenen door nadrukkelijk de Olympische waarden uit
te dragen, waaronder de bekende passage uit het Olympisch manifest dat ‘enige
vorm van discriminatie met betrekking tot een land of persoon op grond van ras,
religie, politiek, geslacht of enig andere reden onverenigbaar is met het deel
uitmaken van de Olympische beweging’. Rogge zou kunnen uitdragen: waar wij
komen, komen de Olympische waarden met ons mee.”
2. Jij bent als toptafeltennisser natuurlijk heel vaak in China
geweest. Wat is je daar de laatste jaren vooral opgevallen?
“Ik ben
als tafeltennisser ongeveer twaalf keer in China geweest, voor het laatst medio
vorig jaar. Wat mij is opgevallen: de enorme impact die sport daar heeft. En
tafeltennis in het bijzonder natuurlijk. Voor de openingsceremonie van het WK
bijvoorbeeld werd het hele centrum van Sjanghai afgezet. De één na hoogste
persoon in politieke rang opende het toernooi, op alle mogelijke fronten werd
daarvoor alles uit de kast gehaald. Wat mij verder opviel, was de
moderniseringsslag die het land maakt. Dat merk je alleen al aan alle nieuwe
wolkenkrabbers. En op straat is het drukker, veel voller dan vroeger. De auto’s
hebben de plaats ingenomen van fietsers. Dat heeft natuurlijk ook zijn
keerzijdes, het milieuprobleem is daar echt groot. Op het gebied van aangetaste
mensenrechten merk je als buitenlander niet veel. Als je al in contact komt met
de lokale bevolking, dan hebben zij het er zelf in ieder geval niet over.”
3. Jij hebt voldaan aan de internationale eisen voor uitzending naar
de Olympische Spelen, maar nog niet aan de eisen van NOC*NSF. Dus zijn voor jou
de Spelen nog niet zeker. Wat vind je ervan dat NOC*NSF over het algemeen – dus
ook bij andere takken van sport - zwaardere eisen stelt dan internationale
bonden?
“NOC*NSF heeft nu eenmaal met de bonden afgesproken wat de
normen en limieten zijn. Daarnaast hebben de bonden zelf ook selectiecriteria
opgesteld, voor het geval er binnen een tak van sport voor bepaalde onderdelen
of disciplines meerdere kandidaten zijn die aan de normen en limieten van
NOC*NSF voldoen. Toch is het is goed om na de Olympische Spelen naar het systeem
te kijken. Het functioneert al lange tijd, terwijl de wereld van de topsport
verandert. De verschillen worden kleiner en topsport is voor bijna alle atleten
een full time beroep met grote belangen voor atleten. Kijk, voor elke
Nederlander die niet naar de Olympische Spelen wordt uitgezonden, gaat een
andere Europeaan, zo simpel is het. Als ikzelf bijvoorbeeld niet wordt
uitgezonden, is er een grotere kans dat mijn Roemeense teamgenoot bij Werder
Bremen mag gaan. Terwijl ik aantoonbaar beter heb gepresteerd dan hij. Dat is
wel wat wrang natuurlijk.”
4. Wat voor werk doe je voor het VSBfonds?
“Ik ben daar
programmacoördinator ‘sport’. Er komen aanvragen voor projecten binnen die ik
namens het VSBfonds al dan niet honoreer en in het eerste geval vervolgens
begeleid. We werken met programma’s. Voor dit en komend jaar zijn dat: ‘ieder
kind moet kunnen sporten’, ‘overgewicht aanpakken door beweging’, ‘versterken
van sportverenigingen’ en ‘sporten doe je samen’. We zien het liefste dat
donatieaanvragen voor projecten binnen één of meer van deze programma’s passen.
Wat we heel belangrijk vinden, is samenwerking met andere organisaties. Er
moeten verbindingen tussen meerdere partijen ontstaan, dan heeft een project een
grotere kans van slagen en kunnen we gezamenlijk echt in beweging brengen. Bij
de beoordeling van aanvragen kijken we verder naar de impact en kwaliteit van
een project, welk maatschappelijk doel het dient en hoe de toekomst eruitziet.
We ondersteunen bijvoorbeeld een gehandicaptenproject, ‘Special Heroes’.
Essentieel onderdeel van dat project is de samenwerking tussen school en
sportvereniging. Daarom vinden wij in dit geval de nieuwe combinatiefunctionaris
heel interessant. Daar is dit project werkelijk ideaal voor!
Het VSBfonds
werkt overigens onafhankelijk. Er zijn geen leden of andere belanghebbenden. Het
VSBfonds is ontstaan toen in 1990 de toenmalige VSB Bank fuseerde met AMEV. De
Stichting VSB – als verkoper van de VSB Bank – kreeg toen een groot
aandelenbelang in het concern dat tegenwoordig Fortis heet. De naam van de
stichting veranderde in VSBfonds. Het fonds wordt gefinancierd wordt door de
dividendopbrengsten van de Fortis-aandelen. Ons doel is de Nederlandse
samenleving in de meest brede zin te versterken. Het VSBfonds streeft daarbij
naar een samenleving waaraan zoveel mogelijk mensen een actieve bijdrage leveren
en die mogelijkheden tot ontwikkeling en ontplooiing biedt.”
5. Kan je als topsporter je sportcarrière goed combineren met een
‘echte’ baan?
“In deze periode voor de Olympische Spelen werk ik als
tafeltennisser heel hard en beheerst dat mijn leven. Maar normaal gesproken werk
ik ongeveer twintig uur per week voor het VSBfonds. Dat is goed te combineren
met tafeltennis. Op zondag heb ik meestal een wedstrijd, op maandag en dinsdag
is mijn tafeltennisprogramma rustiger en werk ik voor het VSBfonds. Voor
tafeltennis train ik wel elke dag, vaak ’s avonds. En ik doe een paar keer per
week krachttraining. Ik maakte echter veel meer tafeltennisuren per week toen ik
achttien was. Op die leeftijd bevind je je in de opbouwende fase van je leven.
Dat kost op zich al veel energie, dan heb je als topsporter ‘full time
commitment’ nodig.
Ondanks dat ik tegenwoordig een stuk minder train dan vroeger speel ik niet minder slecht. Tafeltennis is een ervaringssport. Als ik tijdens mijn carrière niet zo ontzettend veel wedstrijden gespeeld zou hebben, zou ik nooit op mijn huidige niveau hebben kunnen zitten. Hoe lang ik nog blijf spelen? Ik heb in ieder geval nog een contract bij Werder Bremen tot eind volgend seizoen. Daarna zie ik wel. Ik wil in ieder geval actief blijven voor de tafeltennissport, maar ik zie mijzelf niet zo snel trainer worden. Wel zou ik iets kunnen gaan doen in de begeleidende sfeer, zoals ik vorig jaar gedaan heb met Li Jiao bij de Top-12. Dat was leuk en waardevol, maar trainer zijn is heel wat anders. Ik heb al zoveel uren in de zaal doorgebracht. Er is nog zoveel meer. Behalve begeleiding van spelers denk ik dan aan bestuurlijk werk of advieswerk.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.