11 mei 2010
Nieuws
door: Babette Dessing | 11 mei 2010
1. Huis voor de Sport Groningen verspreidde in oktober 2009 een persbericht dat u eind 2010 uw functie zou neerleggen. Nu legt u uw werk als directeur al per 1 juni neer. Waardoor is dit proces vervroegd?
“Mijn vertrek bij Huis voor de Sport Groningen heb ik geheel zelf kunnen inplannen. Ik heb aangegeven dat ik eigenlijk al begin deze zomer wil stoppen en daar heeft men gehoor aangegeven. Zodoende leg ik per 1 juni mijn operationele taken neer en maak ik mijn kantoor leeg. Maar ik houd nog tot eind 2010 mijn bestuurlijke functie aan. Zo kan ik ervoor zorgen dat mijn opvolging goed is geregeld, er een vlotte doorloop van het Huis plaatsvindt en de zaken niet stil gaan staan. Binnen Huis voor de Sport Groningen voeren we voor alle Groninger gemeenten sportstimuleringstrajecten uit. Hieronder vallen bijvoorbeeld de Breedte Sport Impuls (BSI)- en Buurt Onderwijs Sport (BOS)projecten, en de plannen van het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen (NASB). Verder zijn we druk bezig met inzetten van combinatiefunctionarissen. Ik wil absoluut niet dat dit soort zaken stil komen te staan doordat er een wisseling van de wacht plaatsvindt. Ik ben dan ook zeker beschikbaar om als referentiepunt binnen de organisatie te fungeren.”
2. Hoe heeft u Huis voor de Sport Groningen het afgelopen decennium zien veranderen?
“De afgelopen tien jaar hebben we een omslag gemaakt van een passieve naar een proactieve organisatie. We zijn ondernemend geworden en dat betekent dat we in de laatste vier jaar totaal onafhankelijk zijn geworden van een provinciale instellingssubsidie. Met dat proces ben ik de afgelopen periode bezig geweest, want het is niet zo simpel om daadwerkelijk een ondernemende organisatie te worden. Maar we hebben gelukkig een enorme slag kunnen maken, waardoor we nu ons eigen werk genereren. En daar ben ik ook erg blij mee, want onze organisatie heeft geen last van de rigoureuze sportbezuinigingen die sinds de recessie op de sport worden voorbereid. Doordat we niet afhankelijk zijn van provinciale subsidies maar een relatie hebben met klanten, kunnen we anticiperen op de markt. We zien bijvoorbeeld dat gemeenten op dit moment veel meer uitvoerende taken van ons vragen dan coördinerende taken.”
“Waar ik het meest trots op ben? Eigenlijk is dat in feite de cultuuromslag waarover ik het zojuist had. Dat is echt een mijlpaal. Maar ook onze strijd tegen overgewicht en de rol die sport en bewegen daarin heeft gespeeld, mag worden gezien als een hoogtepunt. Het overgewicht in de provincie was én is nog steeds gigantisch, maar we hebben als Huis voor de Sport Groningen onze inwoners bewust kunnen maken van de belangrijke rol van sport en bewegen. We hebben inwoners en bedrijven bereid kunnen maken om hierin te investeren. Zo zijn we een uniek onderwijsproject (het Groninger Sport Model) gestart waarin de breedtesportimpuls - die sportvereniging en onderwijs dichter bij elkaar brengen - wordt gestimuleerd. En dat is ontzettend goed aangeslagen. Groningen had op een gegeven moment zelfs de hoogste dichtheid van BOS-projecten en dat zijn dingen waar ik als directeur verschrikkelijk blij van word.”
3. Wat vindt u van de samenwerking tussen de Provinciale Sportservice Centra en landelijke partijen als NISB en VSG?
“Daar kan ik heel duidelijk over zijn. In Nederland zijn er veel te veel instanties en daar moet drastisch verandering in komen. Zelf denk ik dat een fusie tussen het Nederlands Instituut Sport en Bewegen (NISB) en de Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) belangrijk kan zijn. Die twee partijen zitten teveel op hetzelfde pad. Zo willen ze allebei een rol spelen in gemeenten als het gaat om de uitvoering van landelijke projecten bij sportverenigingen en sportstimuleringsprojecten. Maar er is maar één soort organisatie die daar daadwerkelijk geschikt voor is en dat is de sportraad, of te wel: het Huis voor de Sport. NISB en VSG zouden de uitvoering volgens mij daarom volledig aan sportraden en Huizen voor Sport moeten overlaten en zich alleen maar bezig houden met het ontwikkelen van projecten. Tussen die twee niveaus zou geen partij moeten zitten, want anders wordt de klant -sportvereniging of gemeente - stapelgek van ons. Maar dat probleem is al een tijd lang bezig in Nederland: iedereen probeert álles te doen. En zodoende blijft er ongelofelijk veel geld in allerlei organisaties hangen. Daarom denk ik dat er een duidelijke scheiding moet komen tussen ontwikkeling en uitvoering.”
“Een voorbeeld dat goed laat zien hoe ongelofelijk veel geld er wordt weggesluisd door een overschot aan instanties is het wegzetten van het NASB. Het ministerie van VWS legde de opdracht voor de uitvoering in eerste instantie neer bij de sportraden. NISB en VSG waren het daar niet mee eens en gingen daar als partijen tussen zitten. Het ministerie ging daarmee akkoord en legde de opdracht vervolgens niet bij één van de organisaties neer, maar zorgde ervoor dat ze allebei een rol kregen. Zodoende bemoeiden zich allerlei mensen met het NASB en was er uiteindelijk nog maar een fractie van het geld, wat beschikbaar is gesteld, voor de uitvoering over. Terwijl NISB en VSG aan het eind van het riedeltje toch besloten om naar de sportraden te stappen. Logisch, want ze hadden zelf niet de uitvoerende capaciteiten en kwaliteiten om dat op lokaal niveau te gaan doen.”
“Door dit soort omslachtige constructies wordt er dus ontzettend veel geld, energie en tijd weggegooid. Dat is doodzonde, want het kan allemaal veel efficiënter als het aantal instanties flink gekort wordt. Vanuit het ministerie van VWS moet er dus veel vaker gebruik worden gemaakt van de kennis en kunde die er op lokaal niveau is. En het is ongelofelijk jammer dat dat nu niet gebeurt. Maar daarvoor moeten de sportraden en Huizen voor Sport ook de hand in eigen boezem steken. We moeten ons beter profileren, eenduidige kwaliteit bieden en laten zien wie wij zijn én wat we kunnen.”
4. U bent twaalf jaar bondscoach geweest bij de heren- en damesschaatskernploegen. Ongetwijfeld waren de drie gouden medailles van Yvonne van Gennip in Calgery uw hoogtepunt. Hoe kijkt u daar nu op terug?
“Ik was bondscoach van de vrouwen tijdens de periode waarin de Oost-Duitse dopingdames jarenlang onoverwinnelijk leken. De drie gouden medailles van Yvonne waren voor mij een immens hoogtepunt, omdat we in staat waren om zonder het gebruik van verboden middelen gedrogeerde schaatsers te verslaan. We hadden bewezen dat je ook zonder doping verschrikkelijk ver kon komen.”
“Tegelijkertijd was diezelfde gebeurtenis een anticlimax. Ik moest immers vanuit Nederland toezien hoe Yvonne werd gekroond tot schaatskoningin. De toenmalige bestuurders van de KNSB hadden besloten dat niet ik, maar Egbert van ’t Oever in Calgery Yvonne ging flankeren. De KNSB had geen enkel respect voor de individuele belangen van sporters. Zij kozen voor een trainer zonder de wensen van sporters in acht te nemen, want niet alleen Yvonne wilde dat ik meeging, dat gold ook voor andere sporters. Toen de KNSB toch Van ’t Oever aanstelde, heb ik gezegd: ‘goed, bekijk het verder’. Maar het conflict zat dieper dan alleen het passeren van mijn persoon. Eigenlijk zat het hem in het verschil tussen amateurbestuurders en professioneel ingestelde sporters en trainers. Binnen de KNSB was er een aantal mensen dat absoluut niet begreep hoe professioneel sportbeleid in elkaar stak.”
5. Wat gaat u doen na uw vertrek bij Huis voor de Sport Groningen?“Mijn racefiets uit de schuur halen… En vervolgens ga ik op vakantie. Wat mijn plannen daarna zijn, weet ik nog niet precies. Maar ik ben niet van plan om continu in mijn tuintje te gaan wieden. Ik heb nog te veel energie om alleen maar thuis te zitten en bovendien heb ik niet het idee dat ik mijn vrouw daarmee een plezier doe. Bovendien wil ik zelf ook nog zoveel dingen doen, hoewel het me wel erg fijn lijkt om zo nu en dan de regie over mijn eigen agenda te hebben. In ieder geval blijf ik algemeen bestuurslid bij de KNSB. Ook heb ik een voorstel van Groningen, Friesland en Drenthe gekregen of ik bij hen alliantiemanager van het Olympisch Netwerk wil worden. In principe zou ik dat graag willen doen, maar ik ben nog niet akkoord gegaan. Ik moet eerst weten wat die functie precies inhoudt en wat er allemaal moet gebeuren. Of ik nog nieuwe handboeken ga schrijven? Dat ben ik niet van plan. Wie zit er nu op mijn verleden te wachten? Ik geloof niet dat dat echt interessant is. Het boek ‘Trainingsleer’ dat ik in 1996 heb geschreven, ging over mijn werk en was heel praktisch en concreet. Maar wat ik de laatste tien jaar heb gedaan is veel abstracter. Het is dan ook lastiger om daar een boek over te schrijven en aangezien ik niet zo’n goede schrijver ben, laat ik dat maar even voor wat het is.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.