30 juni 2015
Nieuws
1. Wat hebben we aan de start van de Tour de France in Nederland?
“Mmm, dat is een goede vraag. Het brengt natuurlijk een heleboel voorpret met zich mee en dat is veel waard. Maar we zijn ook Nederlanders en rekenen alles terug naar geld. Over de waarde van de Tourstart kun je discussiëren. Dan heb je het misschien over zoiets als citymarketing. Dan moet je gaan berekenen wat je anders kwijt zou zijn aan reclamespots voor de stad Utrecht. Maar is dat relevant? Ik denk het niet.”
“Bij de Tourstart in het Engelse Leeds stonden vorig jaar superveel fans langs de weg. Elk bergje voelde als Alpe d’Huez. Maar bij die op Corsica kon je je vraagtekens plaatsen. Voor mij lijkt het belangrijkste de meerwaarde van zo’n topsportevenement voor de maatschappij. Ik weet het, dat klinkt bijna filosofisch. Het draait erom hoe lang mensen er inspiratie uit kunnen halen. Maar ik weet niet of we daar in Nederland heel goed in zijn. Je hebt nu enkele plannen die aan de legacy van de Tour worden gekoppeld. Dat heeft lang geduurd. Het zit hem soms in ludieke dingen, in een tijdrit in een parkeergarage, in culturele zaken. Wat ik ook had verwacht: een scholencompetitie door het hele land, zodat kinderen kennis kunnen maken met wielrennen. Dat is niet gebeurd en dat is echt een gemiste kans.”
“De Tourstart zelf, ach, die gaat nooit mislukken. Het trekt ongetwijfeld heel veel publiek, je kunt het gewoon niet verprutsen. Maar het zou zo mooi zijn als er nog veel meer mee werd gedaan. Ik hoor nu geluiden dat wielerverenigingen in de regio Utrecht moeite hebben met het bij elkaar krijgen van sponsorgeld. Geld van de rijkoverheid, de provincie; het gaat allemaal naar de Tourstart en de bijdrage voor clubs is geslonken. Dat is eigenlijk niet goed. De legacy van de Tourstart moet doordruppelen naar het wielrennen of desnoods naar de hele sport in de omgeving. Maar wat je ziet is dat het bewegingsonderwijs onder druk staat, dat bonden op het punt staan om te vallen en dat we door geldgebrek minder dopingcontroles kunnen uitvoeren.”
2. Waar kijk je nu, zo aan de vooravond van de Tour, het meeste naar uit?
“De Tour blijft voor mij het mooiste evenement van het jaar. Ook als in hetzelfde jaar het WK voetbal of de Olympische Spelen is. Voor het Nederlandse publiek is het een onwijs grote kans om iedereen van dichtbij te zien. Dat blijft bijzonder en wat mij betreft hoeft het nooit te wennen. Ik wil me blijven verbazen.”
“Ik ben heel nieuwsgierig hoe Tom Dumoulin zich in het openingsweekeinde gaat houden. Normaal vind ik tijdritten verschrikkelijk saai, maar dit keer zeker niet. Hij moet onder enorme druk presteren en dat maakt het zo mooi. Zo kijk ik ook al uit naar de rit langs Neeltje Jans richting Zeeland. Af en toe probeer ik te checken hoe de wind op die dag zal staan. Het liefst hebben we dan, voor het ontstaan van waaiers, een wind uit het noordwesten. Ik vind het geweldig als wedstrijden geschikt zijn voor verschillende types renners. Voorheen had je in de Tour tien dagen niks. Sinds 2012 is met die traditie gebroken en is de Tourorganisatie van de ASO een andere weg ingeslagen. De aanvallers hebben meer kansen gekregen en dat is in principe toe te juichen. Je kunt je alleen afvragen of je het peloton wel over de kasseien moet sturen als het heel slecht weer is. Voor extreme weersomstandigheden zou je aan een protocol moeten denken. Maar in het wielrennen wordt er bijna nooit wat aan gedaan. Ik bekijk het dan toch vanuit het standpunt van de renners. Het zijn geen robots, de sport is al heroïsch genoeg. Je kunt makkelijk besluiten om enkele kasseienstroken uit het parcours te halen.”
3. Voor wie zit jij straks te kijken?
“Ik merk dat ik meer sympathie heb voor renners die schoon en transparant zijn en zich tegen doping durven uit te spreken. Mensen als Tom Dumoulin en Bauke Mollema hebben op dat gebied echt iets te zeggen. Je kunt ze vragen stellen over dat onderwerp en ze hebben er een goed antwoord op. Zulke mensen heeft het wielrennen nodig. De cultuur van doping heeft de sport zo lang gedomineerd, het is goed dat ze er tegenin gaan.”
“Voor de Tourzege zijn er natuurlijk vier favorieten: Alberto Contador, Vincenzo Nibali, Nairo Quintana en Christopher Froome. Zij steken er bovenuit, maar ze zullen niet alle vier de eerste Tourweek overleven. Bij Froome zet ik wat dat betreft toch wel vraagtekens, hij zal het op de kasseien met zijn mindere stuurmanskunst moeilijk hebben. Dat kan de deur openen voor verrassingen. Iemand als Mollema kan bijvoorbeeld goed improviseren. Toch denk ik dan niet aan een podiumplek in Parijs. Het is al heel knap als hij de Tour beëindigt als nummer 5, 6 of 7. We hebben een goede generatie Nederlanders aan de start, maar er zit dit jaar geen Tourwinnaar tussen. Wij kijken hier nog altijd naar de jaren tachtig van de vorige eeuw, toen we heel succesvol waren. Maar de sport is in de tussentijd enorm veranderd en veel mondialer geworden. Die tijd komt nooit meer terug. Vorig jaar heerste er zelfs een beetje een narrige stemming over de prestaties van de Nederlanders. Maar er was een etappewinst en we hadden twee renners bij de eerste tien. Dat is echt heel goed.”
“Ik lees op Twitter mensen de verwachting uitspreken dat Laurens ten Dam de top 10 gaat halen en dat hij kopman moet zijn van Lotto NL-Jumbo. In de ogen van sommigen kan Ten Dam zelfs de Tour winnen. Ik geloof daar niet zo in. Ik denk wel dat we in de toekomst nog een keer kandidaten voor het podium krijgen, maar dan wel in een Tour met veel tijdritkilometers. Tom Dumoulin is daarin een specialist, hij is daarin wereldtop en dat maakt hem bijzonder. Zoals Niki Terpstra bijzonder is in de klassiekers.”
4. Je hebt iets van een wereldverbeteraar in je. Wat zou je aan de Tour in het bijzonder en het wielrennen in het algemeen willen veranderen?
“Ah, ja, mensen vinden dat ook wel een vervelend trekje aan me, dat ik alles wil verbeteren. Maar goed, als het om de Tour gaat: de organisatie, die van de ASO, is de machtigste partij in het wielrennen. Machtiger in elk geval dan de internationale wielerunie UCI. Wat zo jammer is: ASO neemt alleen verantwoordelijkheid voor zichzelf en niet voor het hele wielrennen. Het probleem van wielrennen is dat iedereen voor zichzelf vecht, terwijl het businessmodel niet klopt. De ploegen, de renners en de meeste wedstrijden profiteren nauwelijks van de commerciële waarde. ASO maakt als enige echt geld, het strijkt met de Tour jaarlijks meer dan dertig miljoen euro op. De rest is aan het overleven en de sport is niet in staat een visie voor de toekomst te maken.”
“ASO moet het financiële model van de ploegen verbeteren door de tv-rechten te delen. De ploegen krijgen nu niks. Bovendien kun je enorme vooruitgang boeken met het tv-product. Denk alleen al aan het monteren van kleine cameraatjes en het live uitzenden van de beelden. Het gebeurt al mondjesmaat, maar de beelden worden niet live uitgezonden. En dat het gebeurt is ook nog te danken aan de ploegen. Zij hebben het initiatief genomen.”
“Formule 1 wordt veel beter in beeld gebracht dan wielrennen. Maar dat is eigenlijk gek. Ze draaien steeds dezelfde rondjes, in principe is het veel saaier dan wielrennen waar het parcours verschrikkelijk afwisselend is en je bijvoorbeeld ook de mogelijkheden hebt de oortjes open te zetten en de gegevens van de hartslagmeters in kaart te brengen. Maar nee hoor, ondertussen blijft die discussie maar voortwoekeren en zitten we naar beelden te kijken van een tv-camera die inzoomt op de trillende snelheidsmeter van een motor. Dat slaat nergens op. Volkomen achterhaald.”
“Wat ook voor verbetering vatbaar is: de veiligheid van de renners. Het blijft een gevaarlijke sport. Je maakt behoorlijk snelheid en je kunt van je fiets op het asfalt vallen. Bij de parcoursen wordt nooit gekeken of het veilig is of niet. Wielrennen zal nooit helemaal zonder risico’s zijn, maar je kunt die risico’s, waar nodig, wel minimaliseren. Ik zat laatst naar de Ronde van Baskenland te kijken. Hadden ze een blinde bocht, achter die bocht stonden paaltjes op de weg. Daar klapte dus een jongen op en die ligt nu voor invalide in het ziekenhuis. Over zulke dingen hoor je als organisatie na te denken. Maar hoe werkt dat? De renners zijn gewend het te accepteren en zo gebeurt er weer niks. Tom Dumoulin had onlangs groot gelijk met zijn kritiek op een etappe bij de Ronde van Zwitserland. Want waarom moet het allemaal erger worden gemaakt? Dat gebeurt soms bewust, om het spektakel te vergroten. Ik kan je zeggen: in de Formule 1 vallen minder doden. Van mijn generatie ken ik zo vijftien tot twintig jongens die nu dood zijn. Niet normaal.”
“Sommige etappes in de Giro waren dit jaar 250 kilometer. Nou, dan gebeurt er dus heel lang niks, want de renners willen niet te vroeg aanvallen. Voor het publiek is het niet leuk. Bij korte ritjes heb je veel meer strijd. Maar op de een of andere manier vinden we het nodig om renners op die manier uit te putten. Volkomen onnodig. Zoals het ook raar is dat de mannen nog steeds in dun lycra fietsen, zonder enige bescherming tegen schaafwonden. Blijkbaar past andere kleding dan niet in het sponsorplaatje. Normaal gesproken zou de UCI dat moeten veranderen. Maar eigenlijk zou er een sterke rennersvakbond moeten komen.”
5. Komt er ooit nog een Tour die honderd procent schoon is?
“Dat is een illusie, dat bestaat niet. Het streven is naar een schonere Tour. Begin jaren negentig van de vorige eeuw was het met een middel als epo volledig uit de klauwen gelopen en had je van die doktoren als Ferrari en Conconi. De UCI - onder leiding van Hein Verbruggen - zei van niks te weten, maar dat was een farce. Vanaf 2008 is het veranderd en daarvoor is de invoering van het bloedpaspoort een goede zet geweest. De testen zijn sterk verbeterd, de pakkans is veel groter en je hebt nu minder gebruikers. De laatste jaren is bij een deel van het peloton de mentaliteit veranderd. Je kunt nu winnen zonder doping en dat zien ze in. De zwakste schakel in het hele verhaal was altijd de renner die voor zichzelf een afweging moest maken. Tachtig tot negentig procent bezweek. Dat percentage ligt veel lager.”
“Toch was ik vorig jaar positiever dan nu. Momenteel wint de oude cultuur weer terrein. Onder meer Astana kende een aantal positieve gevallen, het blijkt wel dat je nog steeds in kleinere hoeveelheden aan doping kunt doen. Die Astana-zaak is funest. Schone renners hadden op dat moment bescherming van de UCI verwacht. Maar er is niet ingegrepen. Heel slecht. De renners worden weer eens aan hun lot overgelaten. Daardoor heb je nu twee stromingen. Met ploegen die het geloofwaardig en transparant proberen te doen en ploegen die een beetje blijven aanrommelen.”
“Zelf heb ik - toen ik bij een Franse ploeg fietste - eens overwogen doping te gebruiken. Een ploeggenoot van me, Aurelien Passeron, moest uit de koers vertrekken en liet epo achter in de mini-bar. Hij zei: ‘Hier, dat is voor jou.’ Man, ik heb een kwartier voor die mini-bar gezeten. Maar ik heb het niet gedaan. Ik wist: als ik het doe, is er geen weg terug. Ik denk er nog geregeld aan. Maar niet omdat het dan mijn geloofwaardigheid als journalist zou aantasten. Misschien begrijp je dan zelfs nog beter waarom mensen pakken. Als journalist telt maar één ding: de waarheid zoeken en, in mijn geval, de waarheid opschrijven. Iemand als tv-commentator Danny Nelissen heeft bekend als renner te hebben gebruikt. Maakt hem dat ongeloofwaardig? Ik denk juist van niet.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.