Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan theo hoex de nieuwe voorzitter van de atletiekunie

5 vragen aan Theo Hoex, de nieuwe voorzitter van de Atletiekunie

26 mei 2009

Nieuws


door: Peter Hopstaken | 26 mei 2009

1. Hoe is de match ‘Atletiekunie - Theo Hoex’ tot stand gekomen?
“In november 2008 had ik bij de opening van het Omnisportcentrum in Apeldoorn voor het eerst contact met de Atletiekunie. Ik was daar uitgenodigd vanwege mijn eerdere betrokkenheid bij de realisatie van dat centrum vanuit mijn toenmalige functie bij het ministerie van VWS en later als directeur van de KNWU. Ik kwam in Apeldoorn diverse bekenden tegen waaronder Rien van Haperen, de directeur van de Atletiekunie. Hij vroeg mij of ik – als ik daarvoor benaderd zou worden – in de toekomst eventueel een bestuurlijke functie in de sport zou willen bekleden.

Daar stond ik voor open en in december werd ik gebeld door Rien: de Atletiekunie zocht een bestuurslid voor de portefeuille communicatie en marketing. Eind december heb ik na enig beraad positief geantwoord. Ik zou worden voorgedragen en op 25 april zou de unieraad een beslissing nemen. Zoals je weet stapte begin januari Wim Slootbeek op als voorzitter van de Atletiekunie, vanwege de ‘dopingaffaire Vroemen’. Medio maart heeft het bestuur mij gevraagd of ik beschikbaar zou willen zijn voor het voorzitterschap. In principe had ik daar wel oren naar, want ik heb graag enige inbreng en ben niet bang om verantwoordelijkheid te nemen. Ik heb echter wel eerst overlegd met mijn werkgever en ook in huiselijke kring. Toen ik daar geen belemmeringen aantrof, heb ik voorgesteld een gesprek te voeren met de unieraad.

Door de zaak Vroemen was er de nodige frictie ontstaan tussen het bestuur en de unieraad. Het ging er uiteindelijk vooral over hoe de raad in het vervolg door het bestuur betrokken en geïnformeerd zou moeten worden om adequaat de controlerende en soms ook een adviserende rol te kunnen vervullen. Hoewel ik al de steun had van bestuur en directie wilde ik, alvorens mij definitief kandidaat te stellen, mij graag een goed beeld vormen van de bestuurlijke verhoudingen. Daarnaast was het van mij van groot belang dat de pijnpunten tussen unieraad en bestuur vooraf weggenomen zouden worden. Na een goed gesprek met een delegatie van de unieraad was de weg daarvoor vrij.”

2. Zijn er ook sportbonden waar je geen voorzitter van had willen worden? Welke criteria hanteer jijzelf?
“De Atletiekunie was niet de eerste sportorganisatie die mij benaderde sinds ik werkzaam ben in de gemeente Overbetuwe. In het afgelopen jaar is daar wel zes of zeven keer sprake van geweest. Ik moet in zo’n geval bij de betreffende tak van sport of bij de mensen in die organisatie direct een goed gevoel hebben. Daarnaast moet de cultuur, die iedere sport eigen is, wel bij jezelf als persoon passen en is het bovendien van belang welke ambities en plannen zo’n organisatie heeft. Ik heb vanaf het eerste contact met de Atletiekunie het goede gevoel gehad dat dit wederzijds een succesvolle combinatie zou kunnen worden.

Ik zit in een comfortabele positie, omdat ik in Overbetuwe een goede functie heb. Ik kan het mij permitteren – gebaseerd op een brede ervaring in de sportwereld – om een positieve keuze vanuit mijn eigen bestuurlijke ambitie te maken. Daarom heb ik toen het voorzitterschap van de Atletiekunie aan de orde kwam twee andere opties afgezegd. Je kunt je vrije tijd ten slotte maar één keer benutten en daarom mag je best selectief zijn. Ik ben overigens ook lid van de Raad van Toezicht van de Federatie Betaald Voetbal Organisaties en ik maak deel uit van de ‘Club 28’ die het bestuur van NOC*NSF adviseert over het Olympisch Plan 2028.”

3. In een vorig interview met mij – in september 2007 - zei je dat je het liefste werkt aan het ontwikkelen van een visie en aan veranderingsprocessen; je bent eerder een ontwikkelaar dan een beheerder. Past dit profiel goed bij de nieuwe voorzitter van de Atletiekunie?
“Het beleidsplan van de Atletiekunie – genaamd ‘de inspirerende coach’ – is pas een half jaar geleden vastgesteld en dus nog heel pril. Het plan is erg ambitieus en daarom moet er de komende jaren nog heel veel gerealiseerd worden. We hebben daarin een paar belangrijke speerpunten benoemd, zoals het behulpzaam zijn bij het versterken van de verenigingen, de talentontwikkeling en de verdere ontwikkeling van de loopsport.

De verenigingen vormen de basis van de Atletiekunie en daar moet dan ook een belangrijk deel van de bestuurlijke aandacht naar uitgaan. We willen als hun inspirerende coach meedenken bij bestaande behoeften maar ook bij nieuwe onderwerpen zoals de maatschappelijke positie en betekenis van de vereniging. Daardoor kunnen clubs succesvol zijn bij het ontwikkelen van een innovatief of vernieuwend sportaanbod. Daarmee wordt de vereniging behalve voor de huidige leden ook aantrekkelijker voor nieuwe leden. Daarbij behoeven we zeker niet iedere vereniging hetzelfde aanbod te bieden. Samenwerking op lokaal of regionaal niveau met andere (atletiek)verenigingen of maatschappelijke organisaties zou bovendien best wel eens tot nieuwe impulsen kunnen leiden.

Kort nadat de plannen gepresenteerd zijn, is gebleken dat het afgelopen jaar enkele uitgaven van de Atletiekunie hoger zijn uitgevallen dan vooraf was ingeschat. Ook blijkt dat de ledenaanwas iets is afgevlakt. Gelukkig raken deze tegenvallers nog niet de kern van onze ambities en hoeven we de doelstellingen nog niet fundamenteel bij te stellen. Helaas ontkomen we op korte termijn echter niet aan enkele bijstellingen in de uit te voeren plannen. Natuurlijk is dat jammer, maar we blijven zeer gemotiveerd en treden de (tijdelijke) ongemakken enthousiast en positief tegemoet. Daar rekenen de verenigingen en de leden van de Atletiekunie overigens ook op.”

4. Wat heb je geleerd van je eerdere werk bij de volleybalbond en de wielrenunie als je denkt aan de relatie ‘bestuur-directie’? In welke mate word je nu bijvoorbeeld voorzitter van een toezichthoudend orgaan dat op afstand de directie controleert?
“Het spreekt voor zich dat wij over dit onderwerp zowel met het bestuur, de unieraad als ook met de directie hebben gesproken. Niet dat zij daar oprecht bang voor waren en nu zeker niet meer, omdat ik daar een volstrekt heldere opvatting over heb. Hoewel ik ook jarenlang als directeur van (sport)organisaties heb gefunctioneerd en die kant van de tafel dus goed ken, heb ik in de loop van de jaren ook veel en gevarieerde bestuurlijke ervaringen op kunnen doen. Rien van Haperen hoeft daarom niet bang te zijn dat ik op zijn stoel zal gaan zitten en ik kan je geruststellen dat hij daar vanaf het eerste contact in het geheel niet bevreesd voor is geweest.

Behalve mijn gedachte op dit punt is de beste garantie voor een goede rolduiding dat ik een volledige baan heb als secretaris/directeur in een gemeente met 45.000 inwoners en zelf ook een organisatie moet aansturen met bijna 350 mensen. Ik ben mij bovendien voortdurend bewust van de valkuil dat ik door iemand in het land aan mijn jasje wordt getrokken alsof ik de directeur ben en mij daarom ook met uitvoerende zaken zou moeten bezighouden. Steeds zal ik die contacten moeten doorverwijzen naar ons bureau.

Als voorzitter moet je jezelf niet belangrijker maken dan de functie in beginsel is. De focus van voorzitter en het bestuur ligt met name op het ontwikkelen van een visie, het steunen van de organisatie en de controle op uitvoering. Een bestuur moet primair besturen én bijsturen en een werkorganisatie moet mede daardoor kunnen werken.”

5. Wat vind je van de dubbele rol die NOC*NSF heeft: belangenvertegenwoordiger én subsidieverdeler? Vind jij dit een wenselijke situatie?
“In mijn ogen is een koepelorganisatie primair een belangenorganisatie. Alle leden zouden de koepel even lief moeten zijn. Daarom zou de koepel haar leden niet gedifferentieerd moeten behandelen. Hooguit kan de koepel – mede ingegeven door de behoefte van de leden – een gedifferentieerd pakket van dienstverlening aanbieden, omdat het ene pakket aan diensten nu eenmaal geschikter is voor het ene lid dan voor het andere.

De Tweede Kamerleden Joop Atsma en Jan Rijpstra hebben zich eerder al als groot voorstander laten gelden van een onafhankelijke sportautoriteit die in plaats van koepelorganisatie NOC*NSF de financiële middelen voor de sport verdeelt. Ik was daar destijds ook voorstander van en dat voorstel spreekt mij persoonlijk nog steeds aan. Maar als de bonden samen democratisch hebben ingestemd met het huidige verdeelmodel – waarin NOC*NSF deze rol vervult – en wij samen daarvoor de spelregels hebben kunnen vaststellen, dan moeten wij daarover en over de uitkomsten van deze werkwijze niet zeuren. Bovendien kun je niet beweren dat NOC*NSF – geadviseerd door werkgroepen en commissies waarin de bonden zelf ruim zijn vertegenwoordigd – de middelen niet nauwkeurig en goed gemotiveerd verdeelt.

Tussen deze feiten en het gevoel van sommige bonden en andere betrokkenen zit zoals regelmatig blijkt nog een hele wereld. Ik kan mij dus best voorstellen dat er bonden zijn die een ongemakkelijk gevoel blijven houden bij de huidige procedure. Mede daardoor sluit ik op enig moment de komst van zo’n onafhankelijke autoriteit dan ook zeker niet uit.”

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.