31 mei 2011
Nieuws
1. Je begon op 1 januari 2000 als nieuwe algemene directeur van NOC*NSF. Je was destijds een grote onbekende voor de sportwereld. Wat waren je overwegingen om die gewaagde stap te maken?
“Ik vond de mogelijkheid om bij NOC*NSF te gaan werken intrigerend om een paar redenen. Ten eerste omdat er grote veranderingen bij NOC*NSF aan het plaatsvinden waren, interim-voorzitter Joop van der Reijden was aan het puinruimen na het vertrek van Wouter Huijbregtsen. Daarnaast omdat Hans Blankert de nieuwe voorzitter van NOC*NSF zou worden na zijn vertrek als voorzitter van VNO-NCW. Bovendien zou ik in een geheel nieuw netwerk terecht zou komen. Tot dan toe had ik alleen bij overheidsbedrijven gewerkt. En ik vond sport gewoon hartstikke leuk, zowel om te doen als om naar te kijken. Tegelijkertijd dacht ik: ‘Waar ga ik aan beginnen? Als ik die functie aanvaard, kom ik meteen in het topje van de piramide terecht, maar wat daarna?’ Het leek mij eigenlijk vooral een mooie baan voor aan het einde van mijn carrière. Bovendien was ik mij heel goed bewust van het afbreukrisico die de functie met zich meebracht. Ik zou de zevende directeur in negen jaar tijd worden. Daarentegen had ik veel vertrouwen in Hans Blankert als nieuwe voorzitter. Bovendien dacht ik: ‘veel slechter dan nu kan het bij NOC*NSF niet worden’. Ik besloot in ieder geval het gesprek aan te gaan op uitnodiging van interim-directeur Bas Vos.”
“Uit dat gesprek bleek dat ze de nieuwe directeur zochten buiten de sport, iemand met ervaring in bestuurlijke netwerken en die vooral inhoudelijk gedreven was. Dat sprak mij aan en het klikte trouwens ook goed met Bas Vos. Vervolgens moest ik met interim-voorzitter Joop van der Reijden gaan praten. Dat werd een kort gesprek. Hij stelde mij eigenlijk maar twee vragen. Of ik besefte dat Papendal een eind rijden was vanaf mijn woonplaats en wat mijn vrouw ervan vond. ‘Zo, hij is veel verder dan ikzelf’, dacht ik op dat moment. Daarna volgden gesprekken met het managementteam – Hans Gootjes en Marcel Sturkenboom – met een vertegenwoordiging van het personeel en tot slot met het bestuur. Dat laatste gesprek vond op Papendal plaats. Mijn vrouw zette mij af bij het kantoor van NOC*NSF en reed meteen weer weg. Maar het kantoor bleek potdicht. Toen ben ik in het pikkedonker naar het nabijgelegen Instituut voor Sport Accommodaties gelopen, trof daar gelukkig een medewerker en legde uit dat ik een afspraak had met het bestuur van NOC*NSF. Vervolgens heeft hij mij met een onderhoudsauto naar Hotel- en Congrescentrum Papendal gebracht. Daar bleek Van der Reijden – met zijn been in het gips – en het voltallige bestuur op mij te wachten. En terwijl ik verwachtte dat het een kennismakingsgesprek zou worden, werden er allerlei pittige vragen op mij afgevuurd. Het werd een zwaar sollicitatiegesprek. Ik weet nog dat Anton Geesink aan mij vroeg: ‘U krijgt als directeur te maken met het slechtste bestuur dat NOC*NSF ooit gehad heeft. Wat denkt u daaraan te gaan doen?!’ Een bijzonder ervaring maar ik heb de baan geaccepteerd.”
2. Wat viel jou in de begintijd bij NOC*NSF als nieuwkomer het meeste op, als zijnde karakteristiek voor de sportwereld? En hoe zagen je eerste stappen eruit?
“Ik had daarvoor bij de provincie Drenthe als algemeen directeur gewerkt. Daar was men vooral bezig met de lange termijn, alles gebeurde goed doordacht, processen werden zorgvuldig doorlopen. Een groot contrast met de wereld van de sport. Ik merkte al gauw dat het er in de sport vooral ad hoc aan toeging, impulsief, intuïtief, met veel emotie, weinig gestructureerd. Maar ook: vol enthousiasme, men wilde ergens voor gáán. En relaties waren erg belangrijk. Ik merkte verder dat de organisatie van NOC*NSF weinig structuur had. Er was een managementoverleg van maar liefst twaalf personen, er waren zo’n 25 mensen die direct aan de algemeen directeur rapporteerden. Wat nog een grote verrassing was voor mij: vlak voor mijn komst waren Hans Gootjes en Marcel Sturkenboom als respectievelijk directeur breedtesport en directeur topsport benoemd. Daar was mij niets over verteld van tevoren! Ik zag het als de nalatenschap van Bas Vos, die op deze manier kon laten zien dat-ie iets wezenlijks aan de nieuwe organisatiestructuur van NOC*NSF had bijgedragen. Achteraf bezien was het ook kenmerkend voor de minder duidelijke manier waarop het bestuur en de directie van NOC*NSF in die tijd met elkaar omgingen.”
“Ik wilde snel aan tafel met de twee nieuwe directeuren waarmee ik als algemeen directeur zou samenwerken. De kunst was om zo snel mogelijk een hecht directieteam te gaan vormen en de onderlinge posities helder te krijgen. Dat lukte vrij aardig. Marcel had vooral belangstelling voor topsport, hij had niet zo’n zin in bestuurlijke taken. Dat lag ook vooral op mijn bordje, dus die afbakening was helder. En Hans moest weliswaar eerst de teleurstelling verwerken dat hij geen algemeen directeur was geworden, maar verder had hij – in eerste instantie - echt zin in zijn nieuwe functie. Toch hebben we een kleine twee jaar later al afscheid van hem moeten nemen. Het lukte hem niet goed breedtesport op de kaart te zetten en hij raakte steeds meer verwijderd van zijn eigen mensen.”
3. Het is geen geheim dat je bepaald niet door één deur kon met Marcel Sturkenboom die uiteindelijk eind 2008 ontslagen werd. Het heeft zelfs geleid tot grote commotie binnen én buiten NOC*NSF. Hoe heeft het in jouw ogen zo ver kunnen komen?
“Aan de ene kant konden wij prima samen optrekken. Allebei wilden we de sport verder ontwikkelen en gingen er voor. En we hebben tenslotte bijna acht jaar samengewerkt. Maar Marcel vond het moeilijk verantwoording af te leggen. Hij zag zichzelf als dé expert op het gebied van topsport en vond dat ik daar minder verstand van had en vooral met het bestuur en op kantoor zaken moest organiseren en regelen. Dus als ik iets op te merken had over zijn functioneren, dan viel dat gauw verkeerd. Dat gaf over en weer irritaties en die konden we allebei niet altijd goed kanaliseren. Ik denk dat die spanning vanaf 2004 nog sterker aan de oppervlakte kwam doordat NOC*NSF vanwege bezuinigingen na het aantreden van een nieuw kabinet flink moest inkrimpen en we van drie naar twee directeuren gingen; hij en ik bleven over.”
“Het was in de tijd dat toenmalig staatssecretaris Clémence Ross de instellingssubsidies van tien miljoen euro bij de bonden ging schrappen. NOC*NSF besloot toen op mijn initiatief om het goede voorbeeld te geven en v??r de bonden uit de tering naar de nering te zetten. Om daar richting aan te kunnen geven is er een extern adviseur bijgehaald - Rob Thijsse - die een scherpe analyse maakte van onze organisatie. Hij karakteriseerde NOC*NSF als een poppetje met een veel te groot hoofd - ofwel veel mooie plannen - , met kleine handjes – waarmee de bonden te weinig ondersteund werden – en een heel dun beentje aan de ene kant – dat was breedtesport – en een stevig, goed ontwikkeld been aan de andere kant, topsport. Naar aanleiding van die analyse hebben we het accountmanagement richting bonden ingevoerd; een aantal medewerkers kreeg een x-aantal bonden onder zijn of haar hoede. Dat is nog steeds de club overigens die het meest gewaardeerd wordt door de bonden. In die tijd zijn we ook begonnen met consultancy bij wijze van betaalde dienstverlening; voorheen verrichtten we diensten voor niks. En we hebben in die tijd voor het eerst de Sportagenda opgesteld; een programma voor vier jaar waarin het Lottogeld op basis van drie heldere doelen werd toegedeeld. Dit gaf een gemeenschappelijke richting aan de sport en verschafte bonden zekerheid over de gelden die ze konden verwachten. Op organisatorisch niveau werden binnen NOC*NSF ook maatregelen genomen. Eilandjes werden in elkaar geschoven en de functie van directeur breedtesport - op dat moment vervuld door Ronald Kramer - verdween. Er kwam een ‘hoofd breedtesport’ - Theo Joosten - voor in de plaats. En er ontstond dus een twee- in plaats van driehoofdige directie; Marcel werd ‘directeur sport’ in plaats van ‘directeur topsport’. We waren meer dan voorheen als de twee overgebleven directieleden op elkaar aangewezen.”
“Marcel had grote ambities. Dat is op zich een kwaliteit, maar hij slaagde niet steeds in het realiseren ervan en liet zich tegelijkertijd heel moeilijk sturen. Uiteindelijk hebben we onder leiding van een onafhankelijke mediator - een buitenstaander - een aantal indringende gesprekken gevoerd over onze relatie en manier van werken. Dat gebeurde vijf of zes keer, ik denk in een periode van pakweg zes maanden. Die sessies verliepen goed, ik denk volgens ons allebei. Toch liep het uiteindelijk verkeerd af. De belangrijkste oorzaak daarvan hangt samen met het Olympisch Plan. Marcel was vooral bezig het plan te verkopen, hij concentreerde zich op de marketing. Terwijl ik hamerde op de realisatie van het plan: hoe maken we waar wat we beloven, hoe gaan we het aanpakken, wat gaan we d?en. In essentie was en is het een uniek plan, maar de concretisering ervan vond ik te zwak. Het moest ook niet de ambitie van een paar mensen zijn, het moest het plan van heel Nederland worden. Ik wilde er daarom mensen bij halen om het plan verder te ontwikkelen. Marcel zag dat als ondermijning van zijn positie. Het Olympisch Plan zat immers in zijn portefeuille. Tegelijkertijd was hij ook nog directeur ‘sport’, waar hij echter veel minder aandacht aan gaf. Ook daarop heb ik hem aangesproken. Feitelijk was ik er voorstander van zijn twee functies te scheiden: in mijn ogen moest er een ‘directeur Olympisch Plan’ komen naast een ‘directeur sport’. Die directeur Olympisch Plan zou leiding moeten gaan geven aan een team en zou de kar moeten gaan trekken. Hij zou bijvoorbeeld departementen moeten proberen warm te maken voor het plan, bonden erbij gaan betrekken, andere mensen en organisaties uit de buitenwereld, et cetera. Ik heb Marcel de functie van directeur Olympisch Plan aangeboden. Maar hij weigerde het directeurschap ‘sport’ op te geven. Hij vond dat beide functies onlosmakelijk met elkaar verbonden waren, ik vond het twee totaal verschillende functies. Tijdens de Olympische Spelen van Beijing in de zomer van 2008 is het vervolgens echt misgelopen. Daar heeft hij voor zichzelf lopen lobbyen. Het werd een sfeer van ‘hij eruit of ik eruit’.”
“In die tijd was extern adviseur Dirk van Raalte in opdracht ons als directie al bezig om een rapport over de toekomst van NOC*NSF op te stellen. We wilden onze organisatie op een hoger niveau brengen. Gaandeweg veranderde het bestuur de opdracht, eerst moest Van Raalte de toenmalige situatie analyseren. Het bestuur wist natuurlijk van de problemen en wilde nu precies weten wat er allemaal aan de hand was. Het rapport van Van Raalte legde vervolgens onder meer bloot dat er in de organisatie een te grote afstand was ontstaan tussen de directie en de rest van NOC*NSF, met name de negen à tien afdelingshoofden. Uiteindelijk is dat rapport de directe aanleiding geweest voor het vertrek van Marcel Sturkenboom. Daarna - voorjaar 2009 - werd er een Management Team ingesteld, met daarin Maurits Hendriks, Jeroen Bijl, Erik Lenselink en Joost Rombouts en Gerben Eggink als interim-directeur Olympisch Plan. Ton van de Wiel fungeerde - na een tijdje vanuit de vacante plek van Marcel te hebben gewerkt - als interim manager bedrijfsvoering. Ik werd - als algemeen directeur - voorzitter van dat team.”
“Achteraf moet ik constateren dat ik het conflict met Marcel niet goed gemanaged heb. Ik heb van tevoren de taken niet goed afgebakend. Marcel stortte zich op het Olympisch Plan en ging ermee aan de haal. Ik heb onderschat welke schade dat in de rest van de organisatie met zich meebracht, doordat zijn andere taken er onder gingen leiden. Dat heb ik te laat gesignaleerd.”
4. Zelf kreeg je eind 2009 te horen dat NOC*NSF verder wilde met een andere algemeen directeur. Hoe is dat proces verlopen? En hoe kijk je terug naar die tien jaar als algemeen directeur van NOC*NSF?
“In de loop van 2009 zou duidelijk worden wie de nieuwe voorzitter werd van NOC*NSF als opvolger van Erica Terpstra. Langzamerhand gonsde ook rond dat de beoogde nieuwe voorzitter met een schone lei wilde beginnen, dat wil zeggen met een nieuwe algemeen directeur. Misschien vond men dat Erica en ik te veel twee handen op één buik waren. Ik kon het met haar heel goed vinden. Jazeker, beter nog dan met Hans Blankert. Ik waardeerde hem wel om zijn strategisch optreden en zijn bestuurlijk overwicht, maar het accent lag bij hem op voorkomen en beheersen van risico’s. Ik had meer met het enthousiasme van Erica, haar optimisme, vertrouwen en de manier waarop zij anderen inclusief mijzelf wist te stimuleren.”
“Pas heel laat werd echt duidelijk dat André Bolhuis kandidaat-voorzitter was. Ik kreeg het gevoel dat het bestuur achter mij om al bezig was met mijn opvolging. En ik ging daar ook naar handelen. Dat gaf een rare spanning. Uiteindelijk ben ik met het bestuur mijn vertrek overeengekomen. We zijn goed uit elkaar gegaan, ik heb nog een aantal maanden zaken afgerond en ben behulpzaam geweest bij het vinden van een opvolger”.
“Als ik terugkijk naar die tien jaar, zie ik ten eerste dat NOC*NSF als organisatie enorm veel veranderingen heeft doorgemaakt. Ten tijde van mijn aantreden een nieuwe voorzitter, geheel nieuw bestuur en een nieuwe directie. En daarna regelmatig flink wat organisatieaanpassingen zoals in 2005 en 2009. Dat had vooral te maken met onze ambitie om sport steviger op de kaart te zetten. En dat is zeker gelukt. Ik kijk terug op goede ontwikkelingen zoals de Sportagenda en de versterking van de samenhang tussen Sport en Onderwijs en natuurlijk het Olympisch Plan. Met dat plan waren we op de goede weg, maar momenteel staat het nog te veel op de waakvlam ben ik bang. Het plan heeft meer power nodig. Dat was in het begin al de behoefte en dat is nog steeds het geval. Nederland gaat nog niet vibreren, hoewel er in steden en provincies mooie initiatieven zijn. De nieuwe organisatie Olympisch Vuur opereert veel achter de schermen, en doet daar met NOC*NSF en de sportbonden veel goeds, maar is er nog niet in geslaagd het grote publiek er warm voor te krijgen. En er is bijvoorbeeld nog steeds geen voorzitter van Olympisch Vuur en nog geen besluit genomen over de host city. Volgens het oorspronkelijke plan had dat medio 2010 al gebeurd moeten zijn. Het nieuwe kabinet omarmt het plan wel, maar er is geen echte prioriteit en geen financiering. Door de verandering van de Wet op de Kansspelen – waar ik in die tien jaar erg hard aan getrokken heb, nog een voorbeeld van iets waar ik gezien het uiteindelijke resultaat tevreden op terugkijk – komt er dan nu eindelijk nieuw geld vrij, maar pas in 2012 à 2013.”
“Er is in positieve zin heel wat gebeurd met de sport in die tien jaar. En ik ben denk ik een van degenen die een steentje daaraan heeft bijgedragen. Sport is bijvoorbeeld sinds enkele jaren veel meer dan vroeger een bindende factor in de samenleving geworden. Maar ik denk dat het nog veel beter kan. Nederland kan als land ook nog meer profiteren van de sport dan het nu al doet. We hebben internationaal gezien heel veel breedtesporters, doen het goed in de topsport en we kunnen heel goed evenementen organiseren. Zoals de wereld een positief beeld heeft van onze voetbaltrainers die in alle uithoeken aan de slag zijn gegaan, zo zou Nederland internationaal ook als uitmuntend sportland bekend moeten worden. Die potentie hebben we.”
“Uiteraard zijn er in mijn tijd ook dingen misgegaan. Wat het meest in het oog springt is de Nationale Sport Pas, als onderdeel van het grotere project Nederland Sportland Digitaal. Met de ontwikkeling van de sportpas zijn we begonnen onder de voorwaarde dat de voetbalbond en tennisbond - als grootste bonden - mee zouden doen. Ze steunden het initiatief, maar achteraf gezien niet echt van harte en al gauw stuitten we op allerlei problemen. Zo is het bijvoorbeeld niet gelukt om grote partijen aan de pas te binden. We hadden geen Albert Heijn, geen Shell. Wel Total, Perry Sport, Expert en Orange. Ook bleek de sportwereld niet eensgezind achter de pas te staan, er was verdeeldheid. Ondanks alle voordelen: gratis ledenkaarten voor de bonden en veel voordelen voor de leden, vond men bij de bonden dat men er zelf te weinig grip op had en gaf het spanning met de eigen marketing. De hockeybond deed sowieso niet mee en de tennisbond vond dat we te snel gingen. En zo langzamerhand kreeg ik bij de KNVB steeds meer het gevoel dat ze vooral meededen om te zien hoe ze er eventueel zelf wijzer van konden worden. Al met al is het hele project gestrand op de verdeeldheid in de sport. Er ontstond ook veel negatieve publiciteit, onder meer over de financiële tekorten - eigenlijk vooral aanloopverliezen - en dat hielp niet om het proces ten goede te keren. Uiteindelijk is de stekker eruit getrokken, wat veel geld heeft gekost. Maar ondertussen is toch - door de uitrol van Nederland Sportland Digitaal – de ledenadministratie van de bonden op orde gekomen.”
5. Je bent inmiddels ruim een jaar geleden vertrokken bij NOC*NSF. Wat heb je sindsdien gedaan en hoe luiden je plannen?
“Ik heb een paar keer gesolliciteerd, maar dat leidde niet tot een match. Ondertussen heb ik Fledderus Advies opgericht en voer ik adviesopdrachten uit, vooral buiten maar ook binnen de sport. Voor bijvoorbeeld het handbalverbond heb ik de bestuurlijke organisatie doorgelicht. Binnen deze bond is er verdeeldheid tussen de acht districten en het centrale bondsbureau, door die districten afstandelijk ‘Oosterbeek’ genoemd. Mijn conclusies – heel kort samengevat kan je stellen dat er bij het handbalverbond een andere structuur maar vooral een andere cultuur nodig is - en aanbevelingen heb ik aan de bond aangeboden en daarover gaat in juni vergaderd worden. Ook ben ik voorzitter geworden van de Raad van Commissarissen van SRO. Dat is de voormalige uitvoeringsorganisatie voor de sport van de gemeente Amersfoort maar in 1997 verzelfstandigd tot een NV en nu actief in de regio’s Eemland en Kennemerland. Verder adviseer ik de provincie Gelderland over het Olympisch Plan en over de vervolgstrategie voor hun sportnota, coachte ik een directeur die tegelijkertijd partner/aandeelhouder is van een bedrijf en adviseer ik over een uitkoop van een aandeelhouder. Bij dit soort vraagstukken komen mijn ervaring in organisaties en juridische achtergrond goed van pas. Ik heb al met al genoeg te doen en ik vind het leuk werk. Maar ik sta tegelijkertijd open voor een hele mooie baan als deze zich voordoet. Nee, niet bij een sportbond, dat is denk ik niet handig op het moment.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.