Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan sylvia barlag ex topatleet en internationaal sportbestuurder

5 vragen aan Sylvia Barlag, ex-topatleet en (inter)nationaal sportbestuurder

29 september 2015

Nieuws


door: Leo Aquina | 29 september 2015

1. U heeft een glansrijke atletiekcarrière achter de rug. Kunt u ons meenemen langs de hoogte- en dieptepunten en kunt u aangeven wat de verschillen zijn tussen de topsport toen en nu?
“Het noemen van een specifiek hoogtepunt is moeilijk. De internationale toernooien waar ik het meeste plezier aan heb beleefd zijn de wereldstudentenspelen in 1977 en 1979, maar 1980 was mijn beste jaar. Toen steeg ik echt boven mezelf uit als het om de prestaties gaat. De Olympische Spelen van 1980 waren geen hoogtepunt. Dat kwam deels vanwege de sfeer in het Oostblok, maar ook vanwege de manier waarop er toen vanuit Nederland mee om werd gegaan. Er waren geen goede faciliteiten en we waren niet aanwezig bij de openings- en sluitingsceremonie. Daar heb ik niet zoveel plezier aan beleefd.”

"In het westen was sport geen beroep. Ik verdiende er ook geen geld mee"

“De verschillen tussen topsport in die tijd en in de huidige tijd zijn groot. Ik heb mijn topsportcarrière altijd gecombineerd met een studie. Tegenwoordig wordt vaak gezegd dat zoiets moeilijk te combineren is, maar in die tijd was het niet anders. Atleten waren sowieso geen professionals. Toen stonden de letters IAAF voor 'International Amateur Athletics Federation’. Tegenwoordig is het International Association of Athletics Federations. Je mocht destijds dus geen prof zijn, al werd daar wel de hand mee gelicht in Oost-Europa, waar atleten militair waren of officieel studeerden, maar ondertussen fulltime aan sport deden. In het westen was sport geen beroep. Ik verdiende er ook geen geld mee. Er werd vanuit de wetenschappelijke wereld ook wel vreemd tegenaan gekeken om er zoiets als topsport naast te doen.”

“Dat ik er geen geld mee verdiende is, vind ik achteraf niet frustrerend. Het was zoals het was en het is zoals het is, maar de ongelijke concurrentiestrijd was wel frustrerend. Alle faciliteiten die ze in het Oostblok kregen, en we weten inmiddels ook wel op welke andere manieren zij nog werden geprepareerd, dat voelde als onrechtvaardig. Ik kon er bovendien niets van zeggen, want dan werd ik gezien als 'slechte verliezer'. Dan zeiden de journalisten dat ik zelf maar harder moest trainen.”

“Tegenwoordig weten we allemaal hoe het echt in elkaar stak en ik vind ook dat de sporters van toen moeten toegeven dat zij ten onrechte overwinningen van anderen hebben afgepakt. Er zijn nog altijd atleten - zoals Marita Koch - die nog altijd trots zijn op die overwinningen. Zij konden zelf misschien ook niet aan het systeem ontsnappen, daar heb ik best begrip voor. Maar geef het gewoon toe, dat is wel zo eerlijk ten opzichte van de anderen. Met de komst van het grote geld in de sport is die dopingproblematiek nog veel erger geworden. In mijn tijd had je het Oostblok en misschien de Verenigde Staten, maar na de 'Coca-Cola Games' van 1984 in Los Angeles konden atleten grof geld verdienen en dat maakte die doping nog veel aantrekkelijker. Dat heb ik allemaal niet meer meegemaakt.”

"Wouter Huibregtsen stelde als eis dat bestuurders twintig uur in de week voor dat werk vrijmaakten"

2. U heeft daarna veel functies besteed in het sportbestuur. Wat was uw drijfveer om altijd maar met die sport bezig te blijven en is het voor een sportbestuurder een voordeel om zelf topsport te hebben bedreven?
“Ik ben niet direct na mijn topsportloopbaan als bestuurder aan de slag gegaan. Tussen 1983 en 1989 heb ik bij het CERN in Zwitserland gewerkt en toen ik terugkwam in Nederland ben ik benaderd om bij de NSF aan de slag te gaan. Daar heb ik de fusie met NOC meegemaakt, maar daarna ben ik er ook weer een tijdje uit geweest. Wouter Huibregtsen (toenmalig NOC-voorzitter, red.) stelde als eis dat bestuurders twintig uur in de week voor dat werk vrijmaakten. Op dit moment is dat inderdaad wel zo ongeveer de tijd die ik eraan kwijt ben, maar destijds zag ik mezelf dat niet doen met twee kleine kinderen.”

“Mijn drijfveer als sportbestuurder kwam voort uit de Olympische Spelen in 1980. Direct na die Spelen werd er aan een groep atleten gevraagd om feedback te geven. Wat was er nou goed en wat niet? Daar konden wij als topsporters onze kennis en ervaring in de praktijk brengen. Dat was in eerste instantie mijn drijfveer: de omstandigheden voor de sporters verbeteren. Later is dat wel breder geworden. Als je zolang in de sport meegaat, weet je dat er altijd genoeg mensen moeten zijn die het leuk vinden om zich als vrijwilliger in te zetten voor de sport. Op die manier kan ik de sport ook iets teruggeven van alles wat ik als topsporter heb gekregen.”

“Of die topsportervaring noodzakelijk is om goed te kunnen functioneren als sportbestuurder? Dat wordt wel eens onderschat. Besturen is een kunstje waar je aanleg voor moet hebben en dat kunnen niet-sporters natuurlijk ook. De ervaring van topsporters is wel belangrijk op het moment dat je als bestuurder iets met of voor die topsport wil doen. Je wordt gewoon niet serieus genomen als je zelf de ervaring niet hebt. Dat geldt trouwens in het bedrijfsleven ook. Als oud-topsporter praat je toch met enig gezag, maar er zijn ook heel veel bestuurlijke functies waarvoor dat een stuk minder uitmaakt. Een penningmeester hoeft echt niet per se een topsportachtergrond te hebben.”

"Als er zich één of twee vrouwen kandidaat stellen worden ze wel gekozen en bij die excuustruzen zit ik dan ook"

3. Na uw bestuursperiode bij NSF in de jaren negentig bent u in 2002 aan de slag gegaan bij de Atletiek Unie en later ook bij European Athletics en de IAAF. Dat zijn internationaal felbegeerde posities. Hoe bent u daarin terechtgekomen?
“Vanuit de Atletiekunie was er een wens om iemand internationaal in het bestuur te hebben om op die manier ook invloed uit te kunnen oefenen. Men heeft toen geprobeerd Roelof Veld naar voren te schuiven en Ellen van Langen voor de atletencommissie, maar dat is allemaal afgeketst. Toen werd gezegd dat ik het zou kunnen en daar is een plan de campagne op bedacht. Ik ben toen vanaf 2005 mee geweest naar allerlei meetings. Je moet je gezicht veel laten zien en ik spreek mijn talen gelukkig goed, dus dan kun je ook echt meepraten. Daarnaast heb ik er voordeel van gehad dat ik vrouw ben. Zowel bij European Athletics als bij de IAAF heb ik baat gehad bij positieve discriminatie.”

“European Athletics heeft weliswaar geen quotum voor het aantal vrouwen, maar als er zich één of twee vrouwen kandidaat stellen worden ze wel gekozen en bij die excuustruzen zit ik dan ook. Het internationale sportbestuur is toch nog een echte mannenwereld. Dat zag je bij de verkiezingen voor de IAAF-council onlangs heel goed. Er is bij de IAAF wel een quotum van zes vrouwen op het bestuur van 27 personen. Er is echter geen regel dat een van de vier vicevoorzitters een vrouw moet zijn. Bij de meest recente verkiezingen had zich een uiterst capabele vrouw kandidaat gesteld, maar zij werd niet gekozen. Vervolgens is er gestemd over een nieuwe regel die verplicht stelt dat minstens één van de vicevoorzitters vrouw is. Die regel werd vervolgens wel aangenomen. Uit zichzelf bleken al die mannen dus niet in staat een capabele vrouw te kiezen. Ik beschouw het toch als een teken van zwakte dat die mannen daar kennelijk een regel voor nodig hebben.”

"Degene die onlangs werd herkozen is een advocaat uit Dubai. Op vergaderingen heeft hij nog nooit iets zinnigs ingebracht, dus hij doet iets anders"

“Ik ben in 2007 verkozen in de council van European Athletics en in 2011 in de council van de IAAF. De campagne om vanuit de Atletiekunie iemand in het internationale bestuur te krijgen is dus geslaagd, maar wij zijn daar in Nederland niet goed in. Dat heb ik onlangs in Beijing ook weer gemerkt. Wij lobbyen veel te veel vanuit de inhoud. Het gaat er gewoon om dat je overal je gezicht laat zien en met iedereen een glaasje drinkt. Dat hoeft geen champagne te zijn want er is onlangs ook een Arabier in de council gekomen en wat die dan heeft gedaan, daar kunnen we alleen maar over speculeren. Degene die onlangs werd herkozen is een advocaat uit Dubai. Op vergaderingen heeft hij nog nooit iets zinnigs ingebracht, dus hij doet iets anders.”

4. Bij diezelfde verkiezingen in Beijing won Sebastian Coe de strijd om het voorzitterschap van Sergey Bubka. U was daar blij mee, want met Bubka zou de oude lijn zijn voortgezet. Wat was die oude lijn en wat verwacht u van Coe?
“Met die oude lijn bedoel ik het gebrek aan transparantie als het gaat om de beleidsprocessen. De IAAF heeft een ethische commissie die onoorbare praktijken zou moeten onderzoeken. Dat doet die commissie op eigen initiatief onafhankelijk van het bestuur. Bubka was er bijvoorbeeld geen voorstander van dat die commissie onafhankelijk zou zijn. Begrijp me niet verkeerd: Bubka is een aardige vent en een sportman in hart en nieren, maar hij heeft ook die ouderwetse Oost-Europese manier van besturen met de hang om alles te willen controleren en af te dekken. Bubka weet ook van mij hoe ik erover denk. We hebben afgelopen jaar in Bulgarije met elkaar gedineerd en toen gingen we uit elkaar met de mededeling: We agree to disagree.”

"Van iedere euro of dollar ontwikkelingsgeld blijft een derde aan de strijkstok van de Afrikaanse bonden hangen"

“In Sebastian Coe heb ik wel het vertrouwen dat hij probeert een cultuuromslag te bewerkstelligen op weg naar meer transparantie. Maar dat zal ook voor hem niet meevallen. Hij zal toch ook met al die mensen moeten besturen. Sergey Bubka is nu een van de vicevoorzitters en daar zal hij wel mee door één deur moeten. Vervolgens is er ook nog een Kameroener vicevoorzitter. Bij de FIFA is er ook een Kameroener vicevoorzitter, daar verdwijnt een groot deel van het ontwikkelingsgeld in andere zakken. Dat hoor ik ook bij de atletiek, van iedere euro of dollar die die kant opgaat blijft een derde aan de strijkstok van de Afrikaanse bonden hangen.”

“Daarnaast heeft Coe een Spanjaard als penningmeester. Dat is een man die nooit een blad voor de mond neemt en hij stelt ook alles aan de orde wat nodig is, dus daar kan hij mee verder. Dan is er nog een Cubaan vicevoorzitter, ook iemand van het oude Oostblokstempel, en een Aziaat uit Qatar die nog nooit een belangrijke bijdrage heeft geleverd. Die Qatarees is gelukkig ook voorzitter van de Aziatische bond dus daar heeft hij het ook druk mee.”

“Hoewel Coe met al die mensen moet werken, heeft hij toch al een aantal zaken in gang gezet. Hij is bezig met een benoemingsprocedure voor een nieuwe general secretary want met de vorige boterde het niet, die zat ook op de oude lijn. De benoemingsprocedure voor diens opvolger is transparant en niet gebaseerd op vriendjespolitiek. Coe is ook op het bureau bezig met de nodige hervormingen en hij heeft twee werkgroepen in gang gezet, een op het gebied van governance en een op het gebied van ethische zaken en doping.”

5. Met doping is een van de grootste problemen van sport in het algemeen en de atletiek in het bijzonder. Onlangs kwamen de Britse Sunday Times en de Duitse ARD/WRD met beschuldigingen dat de IAAF de publicatie van een onderzoek tegenhield waaruit zou blijken dat een derde van de topatleten dopinggebruik toegaf. Wat vindt u van de reactie van Coe en wat moet de IAAF doen aan het doping- en imagoprobleem?
“Ik vind dat Coe uitstekend heeft uitgelegd wat er is gebeurd. Ik weet er het fijne niet van, maar er hebben nu ook twee experts van buitenaf naar gekeken. Coe doet er alles aan om hier op een transparante manier mee om te gaan. Er is gezegd dat de IAAF het allemaal veel beter had kunnen doen, maar dat gaat niet zomaar. Als je al die informatie vrijgeeft, over hoe je te werk gaat en welke landen of atleten je volgt, dan maak je ook slapende honden wakker. De betreffende atleten weten meteen dat zij onder verdenking staan en dat ze beter kunnen stoppen. Bovendien loop je het risico hun privacy te schaden.”

“Aan de ene kant is de oplossing om heel transparant te zijn over je werkwijze, maar aan de andere kant kun je lang niet alle informatie zomaar vrijgeven. Ik denk dat je de werkwijze goed moet vastleggen en dat je die werkwijze ook goed laat auditen door een onafhankelijke en betrouwbare organisatie zoals het WADA (World Anti-Doping Agency, red.). Alleen dat kan je geloofwaardigheid geven. Het is een moeilijke situatie. Het is hetzelfde als aan een beschuldigde vragen zijn onschuld te bewijzen.”

"Bij Dafne Schippers zijn na haar bijzondere prestaties in Beijing inderdaad ook al twijfels geuit. Je kunt daar alleen maar op reageren zoals zij heeft gedaan"

“Bij Dafne Schippers zijn na haar bijzondere prestaties in Beijing inderdaad ook al twijfels geuit. Je kunt daar alleen maar op reageren zoals zij heeft gedaan. Ze wordt vijftig à zestig keer per jaar gecontroleerd en de betreffende organisatie heeft nooit wat gevonden. Daar moet je dan maar op vertrouwen. Dat geldt trouwens ook voor mijzelf. In mijn tijd werd er natuurlijk nog niet zo vaak gecontroleerd, een keer of vier à vijf per jaar. Maar ze pikten mij er wel altijd uit, dat was volgens mij ook doorgestoken kaart. Juist daarom moet je dat soort procedures goed vastleggen en laten controleren door onafhankelijke instanties.”

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.