Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan ruud vreeman voorzitter nederlandse ijshockeybond

5 vragen aan Ruud Vreeman, voorzitter Nederlandse IJshockeybond

9 december 2014

Nieuws


door: Leo Aquina | 9 december 2014

1. We gaan even terug in de tijd. Eind 2012 tekende u als voorzitter van de ijshockeybond formeel protest aan tegen de consequenties van de verdeling van de topsportgelden door NOC*NSF. Wat waren uw voornaamste bezwaren?
“Bij de verdeling van de topsportgelden moet je kijken naar de verhouding in de Nederlandse sport. De focus op medailles mag nooit ten koste gaan van de verscheidenheid in het sportlandschap. Elke bond moet een minimumbijdrage behouden om zijn taken te kunnen blijven doen. Een aantal bonden, waaronder de ijshockeybond, kreeg helemaal geen steun meer. Het gaat over ons voortbestaan. In het ijshockey speel je ieder jaar een WK. Als onze vrouwen naar China moeten, gaat het om een ploeg van 26 personen. Zulke toernooien kosten veel geld, maar als je afhaakt bij het internationale ijshockey verlies je je bestaansrecht. En naast de senioren-WK’s zijn er ook nog toernooien onder 20, onder 18 en onder 16 jaar.”

“Naast de pluriformiteit in het sportlandschap moet je bij de verdeling van de topsportgelden ook rekening houden met de verschillen die er tussen sporten bestaan als het gaat om opleiding. Die eenzijdige focus op olympische medailles is in het nadeel van veel teamsporten, zoals ijshockey, maar ook bijvoorbeeld handbal, volleybal of basketbal. In die sporten moet je heel jong beginnen om überhaupt kans te maken om aan de internationale top te komen. Dat geldt niet voor bijvoorbeeld BMX-en of roeien. Daar komt bij dat ijshockey, in tegenstelling tot bijvoorbeeld schaatsen, een wereldsport is met enorm sterke internationale concurrentie.”

"Toen puntje bij paaltje kwam, was er helemaal niets voor de ijshockeybond"

“In het ijshockey is het voor Nederland volstrekt onmogelijk om medaillekandidaat te zijn. De sport is internationaal zo sterk. Landen als Rusland, Canada, Zweden, Tsjechië komen allemaal met ijshockeymiljonairs het ijs op. Rusland heeft één miljoen actieve ijshockeyers. Aan de Olympische Spelen doen alleen de beste twaalf landen ter wereld mee. Als wij bij de beste zestien zouden komen, zou dat al een wereldprestatie zijn. Met de huidige middelen red je dat sowieso niet. Wij hebben zoals alle bonden een ambitienota opgesteld voor NOC*NSF. Zij zeiden dat ze onze problemen begrepen en ze hebben eigenlijk ook de verwachting gewekt bij te willen dragen aan onze langere termijnvisie. Toen puntje bij paaltje kwam, was er echter helemaal niets voor de ijshockeybond.”

“Wij krijgen nauwelijks steun van NOC*NSF. Eigenlijk worden we zelfs tegengewerkt. Onze hoofdsponsor is Jack’s Casino en dat botst met de Lotto want het zijn allebei gokbedrijven. Tot nu toe hebben we elk jaar toch onze bijdrage via NOC*NSF gekregen, maar het is iedere keer weer discussie. Een ander voorbeeld is het B-WK. Wij hebben bij de rijksoverheid geld gevraagd voor de organisatie van het WK voor B-landen in april 2015 in Eindhoven. De rijksoverheid legt dat voor aan NOC*NSF en zij zeggen vervolgens dat het niet bij de toptien bonden hoort, dus krijg je nul op rekest.”

2. Het 'medaillecriterium' werd volgens u ook niet consequent toegepast. Kunt u dat uitleggen?
“Onze dames horen bij de beste vijftien landen van de wereld en onze heren moet je inschatten tussen de 22ste en de 28ste plek op de wereldranglijst. Het moet mogelijk zijn om bij de beste twintig van de wereld te komen. Landen waar wij nog niet zo heel lang geleden van hebben gewonnen, zoals Zwitserland en Denemarken, zitten tegenwoordig bij de beste zestien. De plek die we met het Nederlandse ijshockey internationaal innemen, is vergelijkbaar met die van het volleybal of het basketbal. Toch krijgen die bonden wel topsportgeld en wij niet. Ik heb dat aangekaart bij NOC*NSF. Volgens hen is er in het basketbal een heel talentvolle lichting. Dat is natuurlijk moeilijk hard te maken. Wij hebben er nog een rechtszaak over gevoerd, maar die hebben we verloren. Er werd heel procedureel gekeken met het argument dat we in de algemene ledenvergadering akkoord zijn gegaan met de procedure. NOC*NSF wil geen uitzondering maken.”

3. NOC*NSF bepaalt de verdeling van de topsportgelden. Zou dat op een andere manier moeten of kunnen?
“Op dit moment maakt het ministerie een lumpsum over aan NOC*NSF, dat het geld vervolgens naar eigen inzicht tussen de verschillende sporten verdeelt. De overheid gebruikt NOC*NSF als een soort ministerie en ik vind dat de rijksoverheid zelf verantwoordelijkheid moet nemen als het gaat om de pluriformiteit van het Nederlandse sportbeleid. Daarbij moet méér worden gewogen dan alleen de topsportambitie van NOC*NSF. Het is geld van belastingbetalers en verscheidenheid van het sportaanbod is een algemeen belang. Die eendimensionale benadering gericht op topsport gaat ten koste van de diversiteit.”

 “Het ministerie van VWS heeft, als compensatie voor het wegvallen van de topsportgelden, onlangs wel een nieuwe subsidie aan NOC*NSF verstrekt die speciaal bedoeld is voor de bonden die buiten de boot vallen. Ik weet niet precies hoe dat fonds heet, maar in de wandelgangen wordt het ook wel het verschralingsfonds genoemd. NOC*NSF moet dat geld inzetten bij bonden die buiten de toptien vallen. Ik ben benieuwd wat we daarvan terug gaan zien.”

"Als het voortbestaan van een sport wordt bedreigd, schiet je te ver door"

“Het focusbeleid van NOC*NSF heeft ertoe geleid dat de ijshockeybond langs het randje wordt geduwd. Het is vreemd dat NOC*NSF de partij is die dat moet corrigeren. Ik heb dat tegen de ambtenaar van het ministerie van VWS gezegd. Het gaat ook om het democratisch gehalte. De grote bonden die het geld krijgen zijn in de meerderheid. Die bonden kunnen zichzelf vaak al bedruipen dankzij de inkomsten via de leden. De ijshockeybond heeft maar vijfduizend leden. Daar kunnen we de bond niet van financieren. Onze inkomsten komen uit recettes van wedstrijden. Het is een semiprofessionele sport, vergelijkbaar met het amateurvoetbal. Het is scharrelen met sponsors in het MKB. Ik begrijp de focus op topsport en medailles van Maurits Hendriks, maar je moet de verhoudingen niet uit het oog verliezen. Als het voortbestaan van een sport wordt bedreigd, schiet je te ver door.”

4. In de jaren tachtig speelde Nederland mee met de A-landen. Dat lijkt met de financiële middelen van dit moment niet meer haalbaar. Hoe staat het Nederlandse ijshockey er op dit moment voor en wat zijn – binnen de beperkte financiële mogelijkheden – de ambities voor de toekomst?
“We hebben in Lake Placid (1980) meegedaan met de Olympische Spelen. Dat was natuurlijk nog wel in de tijd van de Canadese Nederlanders. Destijds betaalde het NOC alle reizen voor de nationale ploegen. Dat is tegenwoordig niet meer zo. Dat maakt het voor het ijshockey moeilijk om internationaal mee te blijven doen. Er zijn in het verleden veel zaken misgegaan. Clubs hebben in het verleden te veel geleund op buitenlandse spelers, er is roekeloos omgegaan met geld, er waren faillissementen. Op dit moment is er sprake van een tweedeling. De twee beste clubs, Heerenveen en Tilburg, zijn het niveau van de Eredivisie ontstegen. Zij gaan volgend jaar meespelen in de Duitse competitie. Ze beginnen op het derde niveau. Dat geeft in Nederland ruimte voor een bredere Eredivisie op een iets lager niveau. Er kunnen weer clubs meedoen uit alle landsdelen.”

“We willen in de nationale competitie minder buitenlanders, meer nadruk op de jeugdopleiding en stabielere clubs die niet meer geld uitgeven dan ze hebben. De ambitie van de bond zit in de opleiding. We hebben in Eindhoven een ijshockeyacademie, waar de jongens acht keer per week trainen, waar ze wonen en op school zitten. Dat staat op de tocht. We hadden de ambitie om op het WK voor B-landen in Eindhoven te promoveren uit onze poule, waardoor we bij de beste 22 van de wereld zouden komen. Dat zou een keer moeten kunnen, maar de concurrentie is groot en wij zijn inmiddels ingehaald door landen die meer faciliteiten hebben.”

5. Tot slot iets heel anders. U heeft zich in het verleden sterk gemaakt voor het Olympisch Plan 2028, dat door het kabinet is afgeblazen. Wat vindt u daarvan?
“Ik vind dat een onbegrijpelijk besluit van het kabinet. Het was ook helemaal nergens voor nodig. Het was een richting die we als land op wilden en daar zat een hele filosofie achter. Het ging om de weg er naartoe, het versterken van de sportinfrastructuur en het verhogen van de sportparticipatie. Er was een stip aan de horizon in 2028 en er hoefde nog helemaal niets te worden beslist. Ik heb dat echt nooit begrepen, ook niet van mijn eigen partij.”

“Op gemeentelijk niveau worden nog altijd wel de vruchten van het Olympisch Plan geplukt. Je vindt nog veel van de gedachten terug op scholen, die bijvoorbeeld verbindingen aangaan met accommodaties in de buurt om zo problemen en overgewicht en obesitas aan te pakken. Er zijn nog wel initiatieven, maar niet meer met die vlag erboven en dat was wel een heel krachtig symbool. We hadden de ambitie om als land sportiever te worden. Dat vind ik zelf wel een mooie gedachtegang.”

"Voetballen in Qatar, dat is natuurlijk allemaal onzin"

“Of het plan nog ooit nieuw leven wordt ingeblazen? Ik denk dat toekomstige Olympische Spelen steeds meer het karakter krijgen van duurzaamheid. Er zijn zoveel slechte voorbeelden uit het verleden. Kijk hoe de stadions er in Athene bijstaan, of in Beijing. Sotsji was natuurlijk ook geen lichtend voorbeeld. Voetballen in Qatar, dat is natuurlijk allemaal onzin. Als de Olympische Spelen geen megalomaan prestigeproject zijn, denk ik dat we er in de toekomst best wat mee kunnen.”

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.