Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan ruud bruijnis voormalig directeur amateurvoetbal knvb

5 vragen aan Ruud Bruijnis, voormalig directeur amateurvoetbal KNVB

29 oktober 2013

Nieuws

door: Leo Aquina | 29 oktober 2013

1. Hoe ben je ooit bij de voetbalbond terechtgekomen en hoe werd je uiteindelijk directeur amateurvoetbal?
“Als de KNVB niet naar Zeist was gekomen, had ik er waarschijnlijk nooit gewerkt. Toen ik op mijn zeventiende van de HBS kwam, had ik niet zoveel ideeën over studeren. Ik ben aan het werk gegaan, eerst bij de spoorwegen en later bij een bedrijfsvereniging. Toen de KNVB naar Zeist verhuisde, kwamen er veel bondsmedewerkers mee en die liepen ook bij mijn voetbalclub rond. Op een gegeven moment stond er een vacature in de krant voor een competitieleider. Toen heb ik op de club aan Joop Wagenaar - destijds een boegbeeld van het amateurvoetbal bij de bond - gevraagd wat dat inhield. Hij dacht dat het wel wat voor mij zou zijn. Dus heb ik gesolliciteerd en ik ben het uiteindelijk geworden. Als competitieleider moest ik ervoor zorgen dat alle competitieprogramma’s goed verliepen. Dat was een enorme klus met twintig verschillende afdelingen en landelijke competities vanuit Zeist.”

“Ik trad op 1 december 1978 in dienst en diezelfde middag om vier uur kwam er een algehele afgelasting vanwege de vorst. Toen de directeur na mijn twee maanden proeftijd vroeg hoe het ging, was er nog altijd geen wedstrijd gespeeld. Het was een enorm strenge winter en er is ruim drie maanden niet gevoetbald. Op het moment dat we de velden weer op konden in maart, begon het pas echt. Dat was natuurlijk een drama want er waren ontzettend veel wedstrijden in te halen. Dat was dag en nacht doorwerken. Het was een hectische periode waarin ik veel fouten heb gemaakt en dus veel heb geleerd.”

“Toen ik het reilen en zeilen rond de competities onder controle begon te krijgen, werd ik meer betrokken bij andere kwesties. Er waren allerlei commissies die zich bezighielden met beleidszaken en daar werd vaak iemand vanuit het bureau aan gekoppeld. Geleidelijk aan was ik steeds minder bezig met de uitvoerende taken rond de competitie en steeds meer met beleidskwesties. Zo ben ik langzamerhand toegegroeid naar de functie waar ik vanaf 1993 in terecht kwam als directeur amateurvoetbal. Ik ben daarnaast altijd actief gebleven bij mijn eigen club SV Saestum in Zeist. Je moet gevoel hebben bij de mensen die zich inzetten als vrijwilliger. Dat vind ik een must voor bondsmedewerkers. Iemand die bij de KNVB werkt, moet het zweet van de kleedkamer hebben geroken.”

2. Wat is er allemaal veranderd in het Nederlandse voetballandschap sinds 1978?
“Dan denk ik meteen aan het mannenbolwerk, de verandering naar open clubs, en de jeugdopleiding. Dertig jaar geleden was het voetbal nog echt een mannenwereld. Dat is het nog wel een beetje, maar in de loop der jaren is daar geleidelijk aan steeds meer verandering in gekomen. Ik herinner me nog wel dat we jaren geleden bij mijn eigen club met vrouwenvoetbal begonnen. Ze konden met rechts niet schieten en met links niets raken. Als je op nul begint gaat het heel snel vooruit en dat zie je nu ook. Er is steeds meer vrouwen- en meisjesvoetbal en het wordt ook steeds beter. Hoewel het nog altijd hoofdzakelijk een mannenwereld is, zit er in het bestuur van het amateurvoetbal tegenwoordig ook een vrouw.”

“Een ander verschil met tegenwoordig is dat de voetbalwereld in de jaren zeventig heel gesloten was. Voetbal was een doel op zich en niemand bemoeide zich met wat daar verder nog omheen gebeurde. Tegenwoordig is de KNVB zich veel meer bewust van zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid. Met name staatssecretaris Margo Vliegenthart heeft vanuit de overheid gezorgd dat de sportbonden in het algemeen zich daar veel meer bewust van zijn geworden, ikzelf ook. Het werd en wordt niet altijd even gemakkelijk omarmd door met name de voetbaltechnische mensen bij de KNVB. Die krijgen toch vaak het gevoel dat het voetbal wordt gebruikt als afvoerputje van de maatschappij. Allerlei maatschappelijke problemen worden bij de verenigingen gelegd en die kunnen dat niet altijd aan. Maar ik denk dat het anders ligt. Je kunt ervoor zorgen dat je de verenigingen de middelen geeft om ook op maatschappelijk gebied iets te betekenen. De gemeente investeert vaak mee dus op die manier profiteer je er heel direct van. Je helpt als club bovendien mee aan een veiliger klimaat in de wijk en dat is ook in je eigen voordeel.”

“Verder is er ten opzichte van vroeger veel veranderd in de opleiding van de jeugd. Dat was vroeger het domein van het amateurvoetbal. Betaald voetbalclubs waren stichtingen en die hadden geen jeugdafdelingen. De jeugdopleiding van verenigingen in het betaalde voetbal - zoals bijvoorbeeld Ajax - waren uitzonderingen. Indertijd was er geen sprake van een landelijke A-juniorencompetitie waar alle clubs in het betaalde voetbal aan deelnamen. Daar is geleidelijk aan verandering in gekomen. Ik kan me de discussie nog wel herinneren of stichtingen mee mochten spelen in een landelijke A-juniorencompetitie. Toen dat mocht, volgden een paar jaar later de B-junioren en weer later de C-junioren. Tegenwoordig zie je veel profclubs met jeugdopleidingen.”

3. In de afgelopen decennia heb je gewerkt aan grote organisatorische veranderingen binnen de KNVB. Wat is er veranderd, wat is jouw bijdrage geweest en in hoeverre sluiten de veranderingen aan bij de doelen die jij je had gesteld?
“1996, 2001, 2005 en 2007 zijn belangrijke jaartallen. Ik heb altijd drie doelen voor ogen gehad. De organisatie moest beter, er moest méér worden gevoetbald en er moest béter worden gevoetbald. In de organisatie zijn we van twintig autonome afdelingen naar één organisatie met zes districten gegaan. Dat ging niet zonder slag of stoot, maar het was noodzakelijk om de organisatie te professionaliseren en de kwaliteit van de dienstverlening omhoog te krikken. In de oude situatie had je kleine afdelingen met weinig leden, die simpelweg niet het volume hadden om competities in te richten met gelijkwaardige teams. Die twintig afdelingen zijn teruggebracht tot negen districten in 1996 en zes in 2001.”

“In 2005 is de financiële zelfstandigheid van de districten ingeruild voor één sterke financiële eenheid. Vanaf dat moment was het mogelijk de financiële middelen van het amateurvoetbal nog gerichter in te zetten. In 1997 is er een bedrijfstakonderzoek voetbal van de KNVB gedaan en een van de conclusies was dat de scheidslijnen tussen het amateurvoetbal en het profvoetbal vager moesten worden. Dat is voor een groot deel gebeurd, maar dat is een moeizaam proces. Het accent wordt te vaak gelegd op de verschillen en op het eigenbelang van de secties amateurvoetbal en betaald voetbal. Voorbeelden? De amateursectie leidt jeugdspelers op en wil betere afspraken over vergoedingen, de profsectie wil niet dat de amateurs meepraten over play-offs in het betaalde voetbal, noem maar op. Maar er is een gezamenlijk belang, en dat is veel groter. Als het goed gaat met de amateurs, gaat het goed met de profs en vice versa. In 2005 is een organisatiewijziging doorgevoerd, als gevolg waarvan amateur- en betaald voetbal gezamenlijk verantwoordelijk zijn geworden voor alle overkoepelende zaken. Dat is een grote stap vooruit. We hebben nu een topklasse en daarmee hebben we een van de scheidslijnen tussen de amateurs en de profs doorbroken. Ik wil het geen kroonjuweel noemen, maar dat is wel een van de dingen waar ik erg blij mee ben. We hebben nu nog steeds een aparte sectie amateurvoetbal en profvoetbal en eigenlijk wilde ik op termijn toe naar één organisatie, maar we zijn al heel ver gekomen. Ik heb tot mijn vertrek met Bert van Oostveen (directeur betaald voetbal, red.) gepraat over manieren om elkaar te versterken.”

“Bij de organisatorische veranderingen had ik altijd mijn twee andere achterliggende doelstellingen voor ogen: meer en beter voetbal. Ik ben dus altijd om me heen blijven kijken naar andere vormen van voetbal. We hebben nu vier takken: veld- en zaalvoetbal, beach soccer en als aparte tak G-voetbal omdat dat ook weer heel specifieke eisen stelt. Daarbinnen hebben we jeugd, senioren, veteranen, mannen en vrouwen. Zo’n divers aanbod leidt tot meer voetbal. Daarnaast hebben we enorm geïnvesteerd in kwaliteit. Toen ik als jongen begon met voetballen bij de aspiranten speelde je op tienjarige leeftijd meteen 11 tegen 11. Als je dan linksbuiten was en het was koud, dan had je het op zo’n ochtend ook echt koud. Tegenwoordig hebben we 4x4 bij de mini’s, 7x7 bij de pupillen en dat groeit door naar 9x9 en 11x11. Er is een geweldige ontwikkeling geweest in vormen om kinderen het spel makkelijker aan te leren en daarbij is ook veel gedaan aan de opleiding van begeleiders en trainers en een doelgroepgerichte benadering.”

4. Je hebt als directeur amateurvoetbal van de KNVB altijd veel belangstelling getoond voor en contact gehad met andere sportbonden binnen NOC*NSF. Je hebt in 2010 ook deel uitgemaakt van een task force die ‘die het proces om te komen tot een goede invulling van de kerntaken, de professionaliteit en de bestuurlijke invulling van NOC*NSF aanstuurde’. Hoe kijk je daarop terug?
“In mijn beginperiode werd bij de KNVB regelmatig de vraag gesteld waarom we eigenlijk lid waren van NOC*NSF. Voetbal was zo groot, wij konden onze eigen boontjes wel doppen. Dat is wel veranderd en daar heb ik ook wel aan bijgedragen. Ik vind dat je als grote sportbond best iets mag en kan doen voor andere bonden. Aan de ene kant is dat gewoon je verantwoordelijkheid, maar je krijgt er ook wel wat voor terug. Als je meedenkt en meehelpt op allerlei dossiers die de sport aangaan, zit je vaak aan tafel bij NOC*NSF en bij de overheid. Op die manier bepaal je mede de regie. Dat is niet je doel, maar het is wel een mooi neveneffect.”

“Ik heb inderdaad in die task force gezeten. Wat er toen bij NOC*NSF aan de hand was, zie je wel meer bij organisaties als het lang goed gaat. Het wordt groter, er komen projecten en er worden projectmanagers aangenomen. Dat zijn goede mensen, die zelf ook weer eigen initiatieven ontplooien. Op een gegeven moment heb je zoveel projecten en mensen lopen dat je jezelf moet afvragen of je daar eigenlijk wel voor was opgericht. We waren er als bonden niet op uit verwijten te maken, want we waren er zelf bij geweest toen NOC*NSF steeds groter werd, maar we vonden wel dat er iets moest gebeuren. En op dat moment gaf het toenmalige bestuur niet thuis. Toen hebben we als bonden in de ledenvergadering de poot stijf gehouden en is die task force in het leven geroepen. André Bolhuis en Gerard Dielessen maakten daar als nieuwe voorzitter en directeur ook deel van uit en met de adviezen is veel gebeurd.”

5. Je bent vervroegd met pensioen gegaan om gezondheidsredenen. Viel het je zwaar om afscheid te nemen? Hoe kijk je nu naar de KNVB en hoe ziet je leven er nu uit?
“Als je ziek wordt heb je geen keus. Je staat midden in het leven en dan hoor je van de ene dag op de andere dat het wel eens snel afgelopen zou kunnen zijn. Ik weet nog dat ik op weg was naar een Europa Cup-wedstrijd van FC Utrecht tegen Napoli toen de huisarts mij belde. Binnen een paar weken bleek dat het echt ernstig was en toen heb ik in de kerstvakantie mijn bureau opgeruimd en overdrachtsdocumenten gemaakt.”
 
“Het heeft mijn kijk op het werk niet echt veranderd, maar het werd opeens een stuk minder belangrijk. Ik ben al lang met dezelfde vrouw getrouwd, ik heb kinderen. De berichten waren op een gegeven moment zo slecht dat ik echt dacht dat ik afscheid moest nemen. Dat verandert de volgorde van je prioriteiten. Waar vroeger werk misschien op de eerste plaats stond, was nu thuis het allerbelangrijkst. In dat opzicht geeft het je ook wel wat. Ik heb de stinkende mazzel gehad dat ik hier vandaag gewoon nog koffie voor jou kan zetten. Je gaat anders naar dingen kijken, je gezin, de aandacht die je voor elkaar hebt en hoe je met elkaar omgaat. Dat is ook vernieuwend.”
 
“Begin 2011 kwam ik er weer bovenop en toen ben ik ook weer aan het werk gegaan, maar dat kon niet meer zoals vroeger. Voorheen was ik er zeven dagen per week mee bezig, maar daar had ik simpelweg de energie niet meer voor. We hebben toen afgesproken dat ik drie dagen aan de week aan de slag zou gaan. Al snel werd duidelijk dat het niet ideaal was. Dat had twee kanten. Op de dagen dat ik vrij was werd er toch nog vaak een beroep op me gedaan en dat was voor mij gewoon te zwaar. Andersom kon ik ook niet brengen wat nodig was met name in de externe contacten. Organisaties willen toch vaak dat de directeur bij gesprekken zelf aan tafel zit, al was het maar om het belang van een onderwerp aan te geven. Daar was gewoon geen ruimte voor. Mij is toen wel aangeboden om te blijven in een soort adviseursrol, maar dat wilde ik niet. Als er een nieuwe directeur komt, moet die de volledige vrijheid en verantwoordelijkheid krijgen. Anton Binnenmars - die mij tijdens mijn ziekte al had vervangen - was een goede opvolger. Waarom hij na een jaar weer is opgestapt, weet ik niet. Ik vind het wel jammer, want ik weet zeker dat Binnenmars zijn uiterste best heeft gedaan.”

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.