15 september 2015
Nieuws
1. Je hebt een uitgebreid cv met directie- en bestuursfuncties in de sport- en de entertainmentwereld. Wat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen die twee werelden?
“Mijn carrière is een beetje merkwaardig verlopen. Al op jonge leeftijd werd ik directeur sport en recreatie bij de gemeente Utrecht. Dat was destijds nog een gemeentelijke dienst, die later verzelfstandigd is. Het waren mooie en spannende tijden. We organiseerden in samenwerking met Johan Wakkie van de hockeybond en burgemeester Ivo Opstelten het WK hockey in 1998, het mannentoernooi en het vrouwentoernooi samen in een voetbalstadion. Afgelopen jaar in Den Haag was dat nog mooier en groter, maar in die tijd was het helemaal nieuw.”
“Daarna werd ik directeur bij Wolff Cinema Groep. Mensen zagen dat als een enorme verandering. Enerzijds was het dat ook wel, van een gemeentelijke dienst naar een familiebedrijf in een commerciële omgeving, waarin de lijnen veel korter zijn en beslissingen acuut kunnen worden genomen. Anderzijds is de achterliggende gedachte in de sport- en de entertainmentwereld hetzelfde. Je richt je op wat mensen in hun vrije tijd willen doen. Een gezin stelt zich op zondagochtend de vraag of ze naar het zwembad zullen gaan of naar de bioscoop. Op dat gebied kan de sport nog wel wat leren van de entertainmentwereld. Als je naar een concert gaat, is alles in die moderne zalen goed geregeld: je hebt een mooie plek, je kunt makkelijk parkeren, de catering en het sanitair zijn goed. Sport biedt de mensen ook vermaak, maar daar is de organisatie vaak niet op ingericht. Bovendien is het geboden product niet altijd goed. De sportwereld moet meer nadenken over de behoeften van de klant."
“Het grote verschil met de entertainmentwereld is dat je sport niet alleen passief beleeft, maar vooral ook actief kan doen. Veel mensen ontlenen daar plezier aan, anderen doen het omdat het gezond is en weer anderen doen het vanwege de sociale contacten. Meestal is het een combinatie. Sport spreekt bovendien enorm tot de verbeelding. Als Dafne Schippers op het WK Atletiek goud wint of Tom Dumoulin uitzonderlijk presteert in de Vuelta, vinden we dat allemaal prachtig. Dat werkt trouwens ook andersom. Ik ben een enorme voetbalfan. Tot vorig jaar heb ik zelf actief gevoetbald en ik heb nog altijd een seizoenkaart bij Feyenoord, maar met Oranje ben ik op dit moment helemaal klaar, vanwege de belachelijke beslissingen van Bert van Oostveen met Guus Hiddink en Danny Blind en het feit dat ze ook niet willen toegeven dat het fout was. Het heeft ook te maken met de spelers. Ze spelen niet meer in Nederland, ze komen overal vandaan vliegen en gedragen zich als filmsterren. Laat ze eerst maar eens presteren voordat ze zo’n grote mond opzetten. Maar goed, als ze zich alsnog kwalificeren voor het EK zit ik volgend jaar natuurlijk wel weer gewoon te kijken.”
2. Je bent na het uitstapje in de entertainmentwereld toch weer teruggekeerd in de sport, eerst als consultant bij BMC en later als directeur van het Huis voor de Sport in Groningen. Wat doet Huis voor de Sport Groningen?
“Voordat ik bij BMC terechtkwam, heb ik ook nog even in de zorg gewerkt, maar die terugkeer in de sportwereld voelde een beetje als thuiskomen. Ik herkende de problematiek en ik kwam allerlei mensen tegen die ik al tien jaar niet meer had gezien. Dat was voor mij de bevestiging dat ik in de sportwereld verder wilde, maar eigenlijk niet als adviseur. Ik heb in die rol enorm veel geleerd, maar het zijn altijd losse projecten en je kunt je nergens echt binden. Toen kwam die vacature langs van Huis voor de Sport en heb ik een brief gestuurd.”
“Huis voor de Sport Groningen komt voort uit wat vroeger de Groninger Sportraad was. Iedere provincie had zo’n sportraad. Die raden zijn op een gegeven moment verzelfstandigd. In Groningen werd het een zelfstandige stichting die via een instellingssubsidie nog verbonden was aan de provincie. Alle provincies kennen een soortgelijke organisatie en al die organisaties zijn verenigd in Sportkracht 12."
“Toen ik vijf jaar geleden solliciteerde bij Huis voor de Sport in Groningen, had de provincie juist besloten om met die instellingssubsidie te stoppen. De gedachte was dat sport geen provinciale, maar een gemeentelijke taak is. In feite was het een verkapte bezuinigingsmaatregel, want er ging geen geld meer naar de gemeentes. Mijn voorganger Tjaart Kloosterboer had zich daar heftig tegen verzet, maar mijn gedachte was om dan maar ergens anders geld vandaan te halen en dat is gelukt. We werken nu veel met opdrachten vanuit de Groninger gemeenten en projectsubsidies bijvoorbeeld vanuit SportImpuls. Dat heeft als voordeel dat we veel onafhankelijker zijn van de provincie. Met een intensieve lobby hebben we na de laatste provinciale statenverkiezingen ook weer geld toegewezen gekregen bij de provincie als bijdrage aan gezondheid, leefbaarheid en duurzaamheid, maar dat is ook op projectbasis.”
“Doelstelling van Huis voor de Sport in Groningen is om zoveel mogelijk Groningers in beweging te krijgen en te houden. Maar we hebben eigenlijk een veel breder werkveld dan alleen de sport. We hebben ook toegevoegde waarde als het gaat om gezondheid, leefbaarheid en duurzaamheid in de provincie. De organisatie bestaat uit twee takken. Enerzijds hebben we een project- en adviestak. Daar werken 45 mensen, veelal buurtsportcoaches en sportconsulenten. Van de ruim twintig aanvragen voor de SportImpuls zijn er met onze steun in de provincie nu veertien gehonoreerd. We ondersteunen gemeenten en verenigingen, we schrijven notities als het gaat om zaken zoals sporthallen of zwembadproblematiek, verzelfstandigingsvraagstukken, sponsoring, project Open Club, ledenwerving, noem maar op. Anderzijds hebben we het Arbeidsloket. Dat is het vroegere STK (sporttechnisch kader, red.). Verenigingen hebben trainers nodig en die moeten allemaal een contract hebben met allerlei haken en ogen. Met het Arbeidsloket nemen wij de verenigingen al die rompslomp uit handen. Het is een soort payroll-organisatie, maar dan wel tegen een maatschappelijk tarief. Achterliggende gedachte is niet winst maken, maar zoveel mogelijk mensen aan het bewegen krijgen.”
3. In je vorige antwoord viel de term al: bezuinigingen. Sportorganisaties lijken altijd te kampen met geldgebrek. Hoe komt dat en wat valt daaraan te doen?
“Er wordt eigenlijk altijd bezuinigd op sport. Dat beschouw ik als een gegeven en laten we eerlijk zijn, sport is ook geen wettelijke taak van de overheid zoals bijvoorbeeld zorgen voor veiligheid, onderwijs en dat soort zaken. Gemeenten geven veel geld uit aan sport, maar ook de gemeenten kijken ieder jaar weer waar zij kunnen snijden in de kosten. De sport moet enerzijds kijken wat we nog wel kunnen doen en anderzijds uitgaan van eigen kracht bij het zoeken van andere bronnen van financiering. De sport kan veel leren van de culturele sector, de cultuur heeft het veel beter voor elkaar. Kijk maar eens hoeveel geld daarheen gaat. Niemand doet moeilijk over de miljoenen voor de verbouwing van het Rijksmuseum. Wij hebben natuurlijk ook geen sportcultuur. De lobby van de cultuurwereld is veel sterker verweven met de politiek. Ze spreken de taal van de politiek beter. Als je kijkt naar de manier waarop de Europese Spelen in Den Haag zijn afgeketst, dan moet je constateren dat de Haagse antenne van NOC*NSF niet het juiste signaal heeft opgevangen.”
“Ik denk dat de sportwereld eens goed moet nadenken over een goede strategie voor de komende jaren. De afstand tussen Papendal en Den Haag is groot, letterlijk en figuurlijk. Je moet echt in Den Haag aanwezig zijn. En je moet niet alleen naar de politiek kijken, maar ook naar andere maatschappelijke verbindingen. Het heeft geen zin om af en toe Cruijff of Gullit ergens op een fiets te zetten. Wij denken altijd dat we er zijn als we even een boegbeeld naar voren schuiven, maar dat moet je goed timen en je moet het voorbereiden. Je moet zorgen dat je overal warme contacten hebt. De sportlobby is niet goed genoeg en de oplossing is niet eenvoudig. Het is een project voor de lange adem.”
4. Sportbonden en sportverenigingen zien ledentallen en subsidies teruglopen. Wat moeten zij doen om het hoofd boven water te houden en toekomstbestendig te worden?
“Als je wilt overleven moet je veranderen. Er wordt tegenwoordig heel anders gesport dan vroeger. Mensen hebben niet altijd een vereniging meer nodig. Als jij op zondagochtend wil gaan fietsen ga je met je eigen groepje op pad. Bonden en verenigingen hebben dat te laat onderkend. Ze moeten meer kijken door de ogen van de potentiële klant. Sportverenigingen hebben ook die losse zondagochtendfietsers veel te bieden. Ze hebben een accommodatie, kennis van zaken, een organisatie en mensen. Stel nou dat je het als vereniging voor elkaar krijgt dat jij met je fietsgroepje op zondagochtend bij hen afspreekt. Dan heb je een ontmoetingsplaats met een kopje koffie en eventueel een douche na afloop.”
“Bonden en verenigingen denken nog veel te veel in termen van leden en die lidmaatschappen liggen heel erg vast. Je betaalt voor een halfjaar of een jaar en dan mag je twee keer per week trainen. Dat moet je ter discussie stellen. Je kunt denken aan verschillende soorten lidmaatschappen, maar je kunt ook mensen op andere manieren aan je binden door hun sport te faciliteren. We hebben in Nederland een verenigingsstructuur die uniek is in de wereld, maar die staat wel onder druk. Bonden en ook NOC*NSF zouden zich dat meer moeten aantrekken.”
“Of ik hier zelf nog eens mee aan de slag zou willen als directeur van een sportbond? Ik weet niet goed of ik bij een bond pas. Ik zou er goed over na moeten denken en ik kan het alleen doen als ik de ruimte krijg om ook echt te vernieuwen. Maar ik zal het zeker niet doen ten koste van mijn huidige baan. Bij Huis voor de Sport heb ik een geweldige baan, met een heel fijn team, ik ben betrokken bij nieuwe ontwikkelingen en ik krijg veel vrijheid om allerlei zaken in gang te zetten. Ik ben 59 en ik heb net voor vier jaar bijgetekend. Ik wil vooral doen wat ik leuk vind en ik vind mijn huidige baan geweldig.”
5. Je bent een groot voorstander van meer bewegingsonderwijs. Hoe krijgen we dat in Nederland voor elkaar?
“Dat is een beetje mijn stokpaardje. Het leidt tot aantoonbare betere leerresultaten, kinderen maken eerder gezonde keuzes en zijn ook op latere leeftijd meer en vaker actief. Iedereen roept altijd maar dat we de problematiek weer heel gemakkelijk op het bordje van het onderwijs leggen. Scholen roepen dat ze tijdgebrek hebben, maar dan moet je meer ruimte creëren. Kinderen hebben twaalf weken per jaar vrij, als ze straks gaan werken hebben ze opeens nog maar vijf weken per jaar vrij. Waarom moeten scholen hun hele programma in veertig weken per jaar stoppen? Als je dat oprekt, ontstaat er ook meer ruimte voor sport en bewegen.”
“Er zijn altijd mitsen en maren, maar ga gewoon eens pilots draaien op plekken waar mensen al enthousiast zijn. Sportaccommodaties worden vaak overdag niet gebruikt, waarom gaan we kinderen vanaf groep 3 en 4 niet één dag in de week lesgeven op een sportaccommodatie. Dan kunnen ze de dag beginnen met sporten en ze krijgen les in de kantine. Dat is toch een prachtige basis, ook voor kinderen die sport en bewegen van thuis uit minder hebben meegekregen, om daarmee in aanraking te komen? Organiseer zoiets nou eens en kijk wat er gebeurt. Met dit soort ideeën zijn we in Groningen wel bezig ja.”
“Natuurlijk kost het allemaal geld, maar ik vind dat de Rijksoverheid het belang hiervan moet benadrukken. Zij hebben de kracht en moeten echt ruimte maken voor meer bewegingsonderwijs. Op dit moment gaat er zo’n 1,2 miljard euro per jaar naar de sport. Negentig procent daarvan gaat via de gemeentes en het leeuwendeel zit in accommodaties. Ik denk dat je vanuit de Rijksoverheid moet kijken hoe je die koek groter kunt maken. Kijk bijvoorbeeld eens naar de zorgverzekeraars. Die hebben enorme reserves en die zou je kunnen benutten voor preventie. Kijk eens naar de banken. Die hebben een slecht imago en die zo hun maatschappelijke betrokkenheid kunnen laten zien. En de voedingsindustrie kan op dit gebied ook meer verantwoordelijkheid nemen.”
“Het is aan de Rijksoverheid om de koepelorganisaties bij elkaar aan de tafel te zetten. Dan creëer je mogelijkheden. Het geld moet vervolgens zo snel mogelijk lokaal ingezet worden, met zo min mogelijk overlegorganen ertussen. Je zou eens moeten uitrekenen hoeveel er van iedere euro die in Den Haag wordt uitgegeven aan sport en bewegen, daar ook daadwerkelijk terecht komt. Ik weet ook wel dat je organisatiestructuren nodig hebt. Ik ben zelf eigenlijk een voorbeeld van datgene waarvan ik nu zeg: kan dat niet een beetje minder. Maar er zijn zoveel organisaties en commissies. Je moet het zoveel mogelijk terugbrengen naar de basis. Sport is vooral leuk om te zien en om te doen en heeft daarnaast een enorme meerwaarde.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.