Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan rené van den burg tot 1 juni 2014 directeur van de wos

5 vragen aan René van den Burg, tot 1 juni 2014 directeur van de WOS

18 maart 2014

Nieuws

door: Leo Aquina | 18 maart 2014

1. In de aankondiging van je afscheid bij de WOS lezen we dat je vertrekt vanwege 'fysieke beperkingen'. Wat zijn je plannen na 1 juni?
 “Er is een woord waar ik echt allergisch voor ben en dat is pensioen. Ik wil nog zeker tien jaar werken, want ik vind werken geweldig. De laatste jaren heb ik freelanceklussen gecombineerd met mijn werkzaamheden bij de WOS. Ik werk voor het tijdschrift Sport, Bestuur & Management en doe verschillende dingen als onderhandelingstrainer. Daar ga ik mee verder, maar mijn werkzaamheden bij de WOS houden per 1 juni helemaal op. Dat is jammer want ik heb fantastisch gewerkt bij de WOS. We gaan dan ook op een hele goede manier uit elkaar. Voor mij is het prettig om als zelfstandige mijn eigen tijd beter in te kunnen delen. Ik heb de laatste tien jaar een aantal rugoperaties gehad en dat heeft schade toegebracht. Ik mankeer niets en ik kan er honderd mee worden, maar ik moet wel rekening houden met het lichaam. Als directeur van een organisatie heb je je agenda voor een groot deel niet in eigen hand, want er zijn toch vaak bijeenkomsten waarop je moet verschijnen. Als zelfstandige heb ik veel meer flexibiliteit en kan ik mijn werk- en rustmomenten beter kiezen.”

2. Als je terugkijkt naar jouw periode als WOS-directeur, wat is dan in die pakweg twaalf jaar de belangrijkste ontwikkeling geweest in de sportsector?
“Voor mij staat het bewustzijn centraal dat de mensen de sport samen maken. In het verleden was alles puur op de sportieve prestaties gericht, maar je moet als organisatie ook faciliteren waartoe die hebben geleid en dat wordt nogal eens onderschat. De werknemers van je organisatie maken de sport en ze vormen je grootste kapitaal. Die mensen moet je als sector iets te bieden hebben, anders raak je ze kwijt. Daarvan is men zich in de sport steeds meer bewust geworden. Wellicht komt dat ook doordat sportbonden steeds meer maatschappelijke taken krijgen.”

“Dat bewustzijn komt tot uitdrukking in een goed arbeidsvoorwaardenpakket. Daar heeft de WOS zich heel sterk voor gemaakt. Toen ik bij de WOS kwam was de cao voor de sport een allegaartje van regelingen. De meeste regelingen hadden niet zozeer betrekking op de sport maar waren gewoon bijeengeraapt uit andere sectoren. De afgelopen tien jaar hebben we de cao helemaal toepasselijk gemaakt op de sport. Ik durf wel te zeggen dat er op twee à drie artikelen na geen enkel artikel in de cao hetzelfde is gebleven. Al die ontwikkelingen hebben te maken met de investering die je in mensen doet. Dat doen de werkgevers niet alleen omdat ze zo aardig zijn, maar ook vanuit een welbegrepen eigenbelang. De werkgever heeft er immers baat bij dat een organisatie maximaal presteert.”

“Een voorbeeld van die verbeteringen op het gebied van arbeidsvoorwaarden is het jaar-urensysteem. We rekenen in de sport niet meer vanuit een 38-urige werkweek, maar vanuit een bepaald aantal uren per jaar en die uren zijn flexibel inzetbaar. Sport is vaak seizoensgebonden en werkgevers vragen op sommige momenten meer van hun werknemers dan op andere momenten. We werken ook met dagvensters en we rekenen geen toeslag voor avonduren en weekenddagen. In de sport zijn dat normale werktijden. Dat is een voordeel voor de werkgever, maar de werknemer heeft er ook baat bij want die krijgt het recht om mee te praten bij de indeling van de roosters. Daardoor kan een werknemer zijn werk- en privétaken beter indelen. Een ander voorbeeld is het belonings- en beoordelingssysteem. We hebben een hele bibliotheek opgebouwd met sportcompetenties. Daarin kunnen we mensen via opleidingstrajecten en trainingen ook echt beter maken.”

“De werknemer heeft door dit alles betere mogelijkheden om zich in de sportsector te ontplooien. Ik denk dat er ook een soort emancipatie van de sportwerknemer is ontstaan. Vroeger werd iemand die in de sport werkte toch vooral gezien als een hobbyist of als een betaalde vrijwilliger. Tegenwoordig worden de werknemers meer gezien als professionals en ook bij de werknemers is meer zelfbewustzijn.”

3. Het lijkt erop alsof er de laatste jaren veel minder bondsdirecteuren zijn ontslagen dan in de periode daarvoor. Hoe komt dat?
“Dat heeft te maken met een professionalisering van de werkorganisaties. Als een organisatie beter presteert, heeft het bestuur minder neiging om zich overal mee te bemoeien. Aan de andere kant is er ook binnen de besturen een professionaliseringsslag gemaakt. Natuurlijk is het met name rond ontwikkelingen in de topsport nog altijd gevoelig en dat is ook inherent aan de sport. Maar dankzij verdergaande professionalisering is er minder sprake van opportunistische beslissingen. Topsportbeleid is tegenwoordig bijna altijd goed geborgd met een technisch directeur en ook het technisch kader is geprofessionaliseerd. Vroeger moest een bondsdirecteur het topsportbeleid er zelf gewoon maar even naast doen.”

“Als je me vraagt naar betaald-voetbalorganisaties (BVO’s) dan zie ik wel verschillen. Ik kijk er van de zijkant tegenaan. Ik heb wel regelmatig contact met onze zusterorganisatie Federatie Betaald Voetbalorganisaties (FBO), maar de WOS is niet actief in het betaalde voetbal. Waar we in de sportsector veel vooruitgang hebben geboekt met de cao, hebben BVO’s nog altijd geen arbeidsvoorwaardenregeling. Ik zeg niet dat een cao heilig is, maar er zijn in het betaalde voetbal toch echt grote ondernemingen en de arbeidsvoorwaarden voor het personeel - voetballers uitgezonderd - zijn houtje-touwtje. Op dat gebied loopt het betaald voetbal achter, maar op een ander gebied lopen ze ook weer voor. Tot mijn grote teleurstelling zijn we er in Nederland nog altijd niet in geslaagd om een fatsoenlijke regeling voor de arbeidsverhoudingen van de topsporter op te zetten. Vorig jaar hebben is er voor eerst een arbeidsongeschiktheidsregeling voor stipendiumsporters van de grond gekomen, maar dat heeft wel heel lang geduurd. In het betaalde voetbal echter zijn de arbeidsvoorwaarden van voetballers - in tegenstelling tot die van het overige personeel - al jarenlang prima geregeld. De sportsector heeft het goed geregeld voor het personeel, maar niet voor de topsporters. In de voetbalwereld is dat precies andersom.”

4. Is de sportsector voor potentiële werknemers - los van hun passie voor sport - een aantrekkelijke plek om te werken?
 “Het pakket aan arbeidsvoorwaarden is redelijk. We zitten niet aan de bovenkant, maar ook niet aan de onderkant. Met de landelijke, regionale en lokale sportondersteuningsorganisaties en de sportbonden beslaat de arbeidsmarkt ongeveer vierduizend werknemers. Dat is relatief weinig en daardoor is de mobiliteit in de arbeidsmarkt beperkt. We moeten de komende jaren toewerken naar een cao sport en bewegen, waardoor we de arbeidsmarkt groter maken met bijvoorbeeld sportcoaches, combinatiefunctionarissen en wellicht ook de fitnessbranche. Een grotere arbeidsmarkt biedt meer horizontale en ook verticale mobiliteit. Dat is goed voor de werknemers en de werkgevers.

“Op financieel gebied hebben we onderzoek laten doen. Ook hier zitten we niet bovenin en niet onderin. We bieden geen topsalarissen, maar er is wel veel geregeld in secundaire arbeidsvoorwaarden. Het is een mooie sector om in te werken en financieel is het niet slecht. We moeten wel een moderniseringsslag maken als het gaat om loonschalen en groeimogelijkheden. Dat zou iets meer prestatiegericht mogen zijn en dat past ook wel bij de sport.”

“Verder wijken de man-vrouwverhoudingen in de sportsector niet echt af van de rest van de samenleving. Met name in de directeursfuncties zijn vrouwen ondervertegenwoordigd. Daarnaast blijkt uit de cijfers dat de sportsector relatief jong is. Dat is enerzijds prettig omdat het past bij de sport, het is vernieuwend en fris. Anderzijds is er dus ook veel uitstroom. Mensen gaan weg en dat kan leiden tot verlies aan kwaliteit. Gek genoeg blijkt dat er in die relatief jonge sportsector ook een groot aantal oude mensen werkt. Dat zijn mensen die blijkbaar zo verknocht zijn aan die sport dat ze op een bepaalde manier zijn vastgegroeid. Ook dat is niet altijd goed. Het is de vraag hoe productief zij nog zijn binnen een organisatie en het is ook de vraag of het voor de ontwikkeling van die werknemers zelf wel zo goed is. We hebben in het verleden nooit echt over dit soort dingen nagedacht, maar we maken nu voor het eerst analyses van dit soort cijfers. We hebben bijvoorbeeld een mobiliteitscentrum voor de sport ingericht in Nieuwegein om mensen van werk naar werk te helpen in de sport.”

5. Wat zal je het meest missen als je bent vertrokken bij de WOS, en wat het minst?
“Mijn collega’s ga ik absoluut missen. Ik had een geweldig team met heel veel energie en talent. Buiten dat hoop ik in de sport te blijven werken. Ik kwam niet uit de sport toen ik dertien jaar geleden bij de WOS begon, maar ik vind het een van de mooiste sectoren die bestaan. Bij mijn eerste kennismaking ging ik op werkbezoek naar de Jeu de Boules Bond. Toen ik binnenkwam, was er gebak en champagne op kantoor. Wat bleek: Nederland had net Frankrijk verslagen met Jeu de Boules. Ik wist dat niet eens, maar ik werd meteen gegrepen door de beleving en de bevlogenheid. De beleving daar op kantoor was vergelijkbaar met wat je nu ziet bij de hockeybond op weg naar het WK in Den Haag. De passie voor sport maakt de sector voor werkgevers en werknemers heel bijzonder. Dat zal ik zeker missen.”

“Wat ik niet zal missen? Van nature ben ik nogal ongeduldig en ik heb gemerkt dat je in de sport behoorlijk wat geduld moet betrachten voordat je een verandering hebt doorgevoerd. Ik heb in veel sectoren gewerkt en de sport is uitgesproken traag in zijn veranderingsmogelijkheden. Ik zou het geen conservatisme willen noemen. Het is een soort trots. Mensen hebben vaak veel energie gestoken in iets wat zij hebben gedaan en dan wordt het steeds moeilijker om zo’n kindje weg te gooien. Dat begrijp ik best.

“Een tweede oorzaak voor die traagheid is de verenigingsstructuur. Dat heb ik vaker geroepen en ik blijf het volhouden. Ik ben helemaal niet tegen de verenigingsstructuur, de WOS is zelf ook een vereniging. Maar binnen een vereniging moeten ingrijpende besluiten vaak langs allerlei geledingen. Toen ik bij de WOS begon had ik een contract voor drie jaar en toen dat bijna ten einde was, zei ik tegen voorzitter Rob Uijen dat ik ermee op wilde houden. Ik wilde zoveel doen en ik had het gevoel dat het allemaal vee te lang duurde. ‘Vergis je niet’, zei Rob toen tegen me. ‘Wat voor jou kleine stappen zijn, zijn voor de sport reuzenstappen.’ Hij heeft me destijds overtuigd om toch te blijven. Ik ben in de loop der jaren misschien wel iets geduldiger geworden. Aan de andere kant denk ik dat zonder mijn ongeduld er ook veel veranderingen in de sport niet zouden zijn doorgevoerd. Maar we zijn er nog lang niet. Er komt een nieuwe fase aan en de noodzaak om naar een bredere sector sport en bewegen te gaan is groter dan ooit.”

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.