8 juni 2010
Nieuws
1. Hoe ziet het werk als sportjournalist bij de Volkskrant eruit?
“Sportredacteuren hebben hun eigen disciplines - zoals voetbal, tennis of hockey - en je kunt er van uitgaan dat je zaterdag of zondag naar een wedstrijd wordt gestuurd waarvan je dan uiteraard een mooi verslag maakt. Vervolgens analyseren we op maandag de krant en daarna maken we onze plannen voor de week die komen gaat. En dan is het de agenda die bepaalt of je werkt of niet. Als je de Europacup verslaat en er zijn wedstrijden op dinsdag, woensdag en donderdag werk je in ieder geval die avonden. Na het weekeinde krijg je vaak een compensatiedag, hoewel dat er veelal ook weer bij in schiet. Maar dat geeft niets, want iedereen op de redactie heeft liefde voor de sport en is per definitie niet lui. Waarin wij ons onderscheiden? Door onze maatschappelijke visie op de sport. De meeste andere populaire kranten schrijven bijna uitsluitend over topsport. Logisch, want daar is ook het meest behoefte aan. Maar wij bevinden ons in de luxe positie dat we ook over de maatschappelijke kant kunnen schrijven, en dat doen we graag.”
2. In 1986 bent u als chef sport bij Het Parool aan de slag gegaan, waarna u na tien jaar de overstap naar de Volkskrant maakte. Ook daar was u chef sport. Vervolgens maakte u echter de stap om weer ‘gewoon’ sportredacteur te worden. Waarom heeft u daarvoor gekozen?
“Eigenlijk ging ik als chef aan de slag, omdat ik op dat moment degene was met de meeste ervaring en kunde in huis. Automatisch kreeg ik de rol als de persoon die voor die functie het meest in aanmerking kwam. Toch heb ik daar later weleens mijn twijfels over gehad. Ik kan nu niet zeggen dat ik ook echt de meest aangelezen persoon was om in een managementsfeer te figureren. Een chef sport moet naast jarenlange ervaring ook andere competenties hebben. Zo moet hij of zij leiding kunnen geven aan een redactie van bijvoorbeeld vijftien man. Je moet daarom met mensen kunnen omgaan en hen inspireren. Hoewel het werk me zeker beviel, heb ik altijd de ambitie gehouden om weer te gaan schrijven. Ik wilde niet tot mijn 65e chef blijven; daarvoor miste ik het schrijven te erg. Toen ik op een gegeven moment een hersenbloeding kreeg, ben ik na mijn herstel in 2003 teruggekomen als sportredacteur. Nu schrijf ik vooral over de maatschappelijke kant van sport en dat doe ik het liefst. Uiteraard was het mooi en inspirerend om verslaggeving te doen van de Olympische Spelen of een WK, maar op een geven moment heb je dat kunstje wel gezien. Maar van de maatschappelijke kant van sport krijg ik nooit genoeg, dat blijft inspirerend en vol dynamiek”
3. Waar moet een goede sportjournalist volgens u aan voldoen?
“De basis bestaat uiteraard uit liefde voor de sport. Je moet sportminded zijn en openstaan voor de ontwikkelingen die de sportwereld in zich heeft. Bovendien mag je niets klakkeloos aannemen. Als redacteur moet je je laten overtuigen en daarbij kritische kanttekeningen plaatsen. En uiteraard moet je het vermogen hebben om datgene dat je ziet en waarneemt duidelijk en helder op te schrijven. Een goede sportjournalist heeft vaak ook een eigen specialisme. De één is een ster in het schrijven van columns en de ander blinkt uit in interviews. Al die specialismen kun je niet in één persoon verenigen. Sterker nog, dat moet je ook niet willen. Daarnaast moet je er naar streven om als eerste het nieuws te brengen. Ook al wordt dat tegenwoordig steeds lastiger door de muur van persvoorlichters, zaakwaarnemers en andere belangenbehartigers die proberen om nieuws buiten de openbaarheid te houden. Van luie journalisten houd ik niet. Als de drang tot een primeur er niet is dan doet dat af van de geloofwaardigheid van de pers.”
4. Hoe is de wereld van de sport in uw ogen veranderd in de laatste decennia?
“In de journalistiek is veel veranderd. Toen ik 1970 begon, was ik een eenvoudig waarnemer. Ik registreerde wat er gebeurde en maakte daar een verhaaltje over. Mijn gebied was de regio Groningen en ik beperkte me tot het signaleren en beschrijven van wat er daar gebeurde. De laatste jaren is de sportjournalistiek in een stroomversnelling gekomen. Er zijn zoveel nieuwe ontwikkelingen. Denk bijvoorbeeld aan de uitgebreide televisieaandacht, de commercie en de verzakelijking van de bedrijfsvoering. Eigenlijk is de sportwereld een amusementsindustrie geworden. Er zijn elementen bij gekomen als sponsoring, evenals financiële, juridische en economische zaken. In plaats van een simpel waarnemer die een verslag schrijft, maak je nu verhalen over conflicten bij sportverenigingen en over moeizame spelerscontracten. De sportjournalistiek groeide van een klein naar een heel breed speelveld en dat veld is omringd door grote bedrijven, sportorganisaties en televisie. Op ons vak is een geweldig grote druk komen te staan. Iemand die denkt dat een sportjournalist een makkelijk beroep heeft, moet zich daarom nog maar eens achter de oren krabben. We zijn niet langer alleen verslaggevers, maar ook analytici en recensenten. Er wordt verwacht dat we een gedegen beschouwing schrijven, professioneel commentaar leveren en solide onderzoek doen. We moeten overal met kennis van zaken over schrijven, dat wordt verwacht. Maar juist dat maakt het vak ontzettend interessant.”
5. De laatste weken zoemde het rond dat Theo Fledderus, de oud-directeur van NOC*NSF, een gouden handdruk had gekregen terwijl NOC*NSF en hijzelf deden alsof Fledderus ontslag had genomen. Het AD en De Telegraaf besloten na wekenlange geruchten om daar – op dezelfde dag - over te publiceren. De Volkskrant heeft dat niet gedaan. Wat is jullie criterium om over zoiets wel of niet over te schrijven?
“Het gerucht over Fledderus en NOC*NSF was bij ons ook bekend, maar wij hebben niet kunnen bevestigen dat dit voor honderd procent klopt. En vooral bij deze zaak – het zou toch tamelijk ernstig zijn als Fledderus inderdaad een gouden handdruk heeft gekregen – kun je niet volstaan met iets wat je tussen de coulissen is ingefluisterd. Ons criterium is dus simpel: zolang een gerucht niet door minimaal twee bronnen bron bevestigd kan worden, publiceren wij het niet. Zelfs niet in een column. Daarmee erken je namelijk je eigen zwakte. Kennelijk wil je er wel over schrijven, maar omdat je het gerucht niet hard kunt maken, doe je het maar in een column onder het motto ‘de vrijheid van de columnist’. Dat is toch flauw?”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.