door: Leo Aquina | 14 januari 2014
1. Je bent onlangs directeur geworden van de boksbond, naast oudgediende Paul Hartog, die nu directeur is van het bondsbureau. Wat is je achtergrond in de bokssport en wat ga je bij de bond doen?
“Ik ben nooit bij de boksbond betrokken geweest, maar ik heb wel het nodige in de bokssport gedaan. Uit hoofde van mijn functie als chef sport bij Ahoy heb ik tien jaar lang een licentie gehad als bokspromotor. In die tijd heb ik veel samengewerkt met Paul Hartog, die toen al op het bondsbureau zat. Toen ik onlangs werd gevraagd om te praten met het bestuur van de boksbond over een deeltijdfunctie, leek me dat erg leuk om te doen. Het is een weliswaar een betaalde functie, maar daar gaat het niet om. Ik wil wat voor de sport betekenen.”
“Een expliciete opdracht met bijvoorbeeld een richtbedrag om aan sponsorgeld binnen te halen heb ik niet meegekregen. We hebben gesproken over een aantal zaken die we voor elkaar willen krijgen. Er moet een nog betere structuur worden aangebracht in de bond en de relatie met NOC*NSF is belangrijk, want dat is toch de grootste geldschieter van de bond. In die relatie met NOC*NSF ligt onder meer een van mijn taken. Bokstechnische zaken maar ook bijvoorbeeld het op orde brengen van het ledenbestand vallen onder Paul. Dat laatste is een grote uitdaging. Op dit moment betalen alle clubs een vast bedrag, onafhankelijk van het aantal leden. Daarnaast zijn er veel recreatieve boksers die helemaal niets met de bond hebben. Wat kan de bond daarmee?
“Een ander urgent probleem is de situatie rond Nouchka Fontijn. Zij is in voorbereiding op de Olympische Spelen van Rio in 2016, maar dat loopt allemaal niet zoals zou moeten. Fontijn wil zich niet conformeren aan het topsportprogramma dat de bond en NOC*NSF voor haar hebben neergelegd, maar het is wel een van onze meest getalenteerde boksers dus daar moeten we als boksbond uit zien te komen. Technisch directeur Louis Wijdenbosch is daar nu mee bezig.”
2. Sponsors vinden is een uitdaging, zeker in tijden van economische crisis. Waar liggen de commerciële kansen van de boksbond?
“Ik heb in mijn kennissenkring wel mensen die positieve geluiden lieten horen, maar we moeten in feite helemaal op nul beginnen. Het begint met contact maken en op basis daarvan kijken of mensen het je gunnen om een goede start te maken. Volgende week zitten we om de tafel met bondsvoorzitter Boris van der Vorst om te kijken hoe we dat in gaan vullen. Op dit moment gebeurt er weinig op boksgebied in Nederland. Dat heeft met geld te maken en met het ontbreken van aansprekende namen. In het verleden waren die er wel. Met een EK-gevecht tussen Rudi Koopmans en Alex Blanchard verdiende Ahoy ooit - samen met twee andere partners - 135.000 euro. Later had je Regilio Tuur, Don Diego Poeder en Raymond Joval. Daarna is het een beetje opgedroogd. Er is best talent, maar er zijn te weinig evenementen. Misschien moet je als bond overwegen zelf evenementen te organiseren, maar dan kan alleen als externe financiers willen helpen.”
“In de bokswereld heb je altijd te maken met verdeeldheid. Internationaal zijn er verschillende bonden, ook in Nederland is dat het geval. De boksbond is er voor de amateurboksers en er is een aparte bond voor de profboksers. Ik zat in de adviesraad van de ‘Bep van Klaveren Memorial’ in Rotterdam en daar mocht Stephen Danyo niet boksen omdat hij prof is. Dan moesten eerst alle mensen naar buiten, er moest een nieuwe jurytafel komen. Dat is natuurlijk krankzinnig. We moeten als profs en amateurs meer samenwerken en het mooiste zou zijn als we er een geheel van kunnen maken.”
“We richten ons als boksbond op breedtesport. Dat is de basis en op die manier kunnen we ook verbindingen zoeken met de maatschappij. De boksschool van Jan Schildkamp - waar Regilio Tuur is opgegroeid - begon al heel vroeg met dit soort activiteiten. Hij deed veel voor de achterstandsjeugd in de wijk. Er is veel criminaliteit en boksscholen kunnen een grote maatschappelijke rol spelen als het bijvoorbeeld gaat om discipline en zelfbeheersing. Dat gebeurt in het voetbal ook al. Bij Sparta hadden we bijvoorbeeld een programma samen met het Vlietland Ziekenhuis, waarbij te dikke kinderen een contract afsloten met voetballers om iets te doen aan hun eetpatroon en conditie. Dat werkt echt.”
“Boksen kampt wel met een imagoprobleem. Het eerste wat mensen mij vroegen toen ik directeur werd van de boksbond was: hoe zit het nou met dat kickboksen? Veel mensen leggen toch dat verband, terwijl het een heel andere sport is met een andere bond. Het is doodzonde dat een man als Badr Hari de hele bokssport zo’n negatief imago bezorgt. Vroeger verdienden profboksers vaak bij als uitsmijters bij kroegen en dan was er ook vaak negatieve publiciteit als er ergens een opstootje was. Maar dat speelt tegenwoordig in het gewone boksen helemaal niet meer. Het is een heel gedisciplineerde sport. Kickboksen gaat fysiek ook veel verder. Dat is gewoon gevaarlijker. Wij mikken op een veilige en verantwoorde sport.”
3. We houden dit gesprek op dit moment in Ahoy, als toeschouwer van de Zesdaagse van Rotterdam. Jouw wortels in de sport liggen ook in het wielrennen. In hoeverre is wielrennen vergelijkbaar met boksen en in hoeverre kampen die twee sporten met dezelfde problemen?
“Boksen en wielrennen zijn in een aantal opzichten inderdaad wel vergelijkbaar. Het zijn allebei loodzware sporten, waarvoor je hard moet trainen en fysiek helemaal tot het gaatje moet gaan. In beide sporten speelt inzicht ook een grote rol. Wielrennen is een teamsport. Bij het boksen sta je alleen in de ring. Organisatorisch hebben beide sporten inderdaad vergelijkbare problemen als het gaat om de verdeeldheid. In het wielrennen had je vroeger allerlei verschillende organisatoren van wedstrijden en die wilden allemaal de beste renners en het selectiefste parcours. Renners als Joop Zoetemelk, Hennie Kuiper en Gerrie Knetemann reden het hele seizoen door alle wedstrijden. Dat kan tegenwoordig niet meer. Het is goed dat de UCI heeft geprobeerd al die verschillende koninkrijkjes van de organisatoren in een grotere structuur onder te brengen. Aan de andere kant moet je natuurlijk wel uitkijken dat er niet te veel macht op één plaats komt te liggen.”
“Of het terecht is dat Hein Verbruggen nu zo zwaar onder vuur ligt? Als je niet zelf aan tafel zit, is het moeilijk daar iets over te zeggen. Ik heb nooit gesprekken tussen hem en Lance Armstrong gehoord. Ik ken Hein als een integere bestuurder die ook veel heeft betekend voor het Nederlandse wielrennen. Ik ben er zelf bij geweest toen hij namens Nederland bij de UCI terecht kwam. Het ging tussen hem en Wim Roosenburg. Er waren zeven stemmen en bij 3-3 had ik de laatste stem. Toen heb ik voor Hein Verbruggen gestemd. Hein is een geweldige bestuurder en ik kan me niet voorstellen dat hij in zijn positie dopingcontroles onder tafel kon vegen. Uiteraard volg ik het vorige week aangekondigde interne onderzoek bij de UCI met veel belangstelling.”
“Of er in boksen en wielrennen sprake is van matchfixing? In het boksen heb ik nooit meegemaakt dat een wedstrijd gefixt was, maar ik heb wel gekke dingen gezien. Destijds was er een doorgewinterde promotor Henk Ruhling en de opkomende promotor Aad Westerlaken timmerde aan de weg. Westerlaken regelde vaak wedstrijden in het buitenland en daar kwamen zijn boksers altijd andere tegenstanders tegen dan contractueel was vastgelegd. Dat had Ruhling geregeld. Die tegenstanders waren meestal veel sterker en Westerlaken kwam meestal met verliezende boksers thuis. Maar in de ring zelf heb ik nooit afspraken gezien.”
“In de wielrennerij worden er best wel eens afspraken gemaakt, maar niet zoals de mensen soms denken. Een voorbeeld. Als wij met zijn tweeën op kop zitten, moeten we in eerste instantie zorgen dat we weg blijven als we willen winnen. Dan gaan we met elkaar praten. We spreken af dat we er samen alles aan doen om uit de greep van de achtervolgers te blijven en dat diegene die wint de ander een bedrag betaalt. Stel jij bent de betere sprinter, dan maak ik toch graag een deal want dan heb ik - als ik je niet kan verslaan - aan de streep nog iets om te verdelen onder mijn ploeggenoten. Dat vind ik lang niet altijd onlogisch. Het is ook niet het kopen van een wedstrijd. Ik ben ervan overtuigd dat je in het hedendaagse wielrennen geen wedstrijden kunt kopen. De belangen zijn te groot.”
4. Je bent ook acht jaar directeur van Sparta geweest. In goede en slechte tijden. Hoe kijk je daarop terug?
“Ik had altijd gevoel voor Sparta en toen ik in 2003 sportwethouder Nico Janssens tegen het lijf liep op het ABN AMRO wereldtennistoernooi in Ahoy, heb ik met hem gesproken over zijn oproep om Sparta te redden. Naar aanleiding daarvan heb ik - samen met anderen - in mijn netwerk mensen benaderd die voor drie jaar de eventuele exploitatietekorten wilden dekken. Het was niet mijn intentie om daar zelf in betrokken te worden, maar toen alles geregeld was, vroegen ze mij om directeur te worden. Dat was voor mij heel lastig want ik was ook zaakwaarnemer van een aantal voetballers zoals Robin van Persie en Mounir El Hamdaoui. Maar ik had die mensen er zelf bij gevraagd om te helpen dus ik vond dat ik eigenlijk geen nee kon zeggen. In goed overleg hebben de spelers en ik toen afscheid genomen van elkaar en ben ik als directeur aangesteld. In financieel opzicht was dat niet de beste beslissing van mijn leven, maar ik ben altijd heel loyaal geweest.”
“In eerste instantie zou ik het drie jaar doen, maar dat zijn er uiteindelijk acht geworden. In het laatste jaar zijn we gedegradeerd en toen zijn de commissarissen opgestapt. Ik vond dat ik de club niet in de steek kon laten. Het personeel moest met de helft worden teruggebracht en dat is geen leuke taak. Er kwam een nieuwe voorzitter van de Raad van Commissarissen - Willem Bröcker - met nauwelijks ervaring in de sport. Hij vertelde me dat hij continuïteit in de organisatie belangrijk vond en hij wilde met mij door. Een half jaar later vertelde hij me echter dat ze een andere kant op wilden, een vervelende situatie. Ik ben die strijd niet meer aangegaan en heb advocaat Eric Vilé gevraagd het verder voor mij op te lossen”.
“Sparta heeft het moeilijk in een stad met nog twee andere profclubs. Excelsior had natuurlijk een samenwerkingsverband met Feyenoord. Dat hadden wij ook kunnen doen, maar ik vind dat je als profclub altijd zelfstandig moet blijven. In Rotterdam riepen ze allemaal ‘Excelsior is de hoer van Rotterdam'. Dat moet je niet willen. Sparta is een mooie club met een goede jeugdopleiding. Als we het elftal waarmee we degradeerden bij elkaar hadden kunnen houden, hadden we nu subtop Eredivisie kunnen spelen: Nick Viergever, Erik Falkenburg, Kevin Strootman, Rydell Poepon, Lerin Duarte, Édouard Duplan… Sparta kan de spelers niet vasthouden en dat heeft te maken met geld. De televisiedeal met Fox maakt het verschil tussen rijk en arm alleen maar groter. Ik ben overigens ook geen voorstander van de nieuwe opzet van de Jupiler League. De ene week speel je tegen een veredeld jeugdelftal van Ajax en de volgende week doen er opeens vijf spelers uit het eerste elftal mee. Dat is competitievervalsing. Ik kan me voorstellen dat de Eredivisieclubs het leuk vinden, maar sportief is het een ramp.”
5. Je merkt op dat Willem Bröcken niet uit de sport afkomstig was. Wat maakt besturen in de sport zo speciaal? En wat zie je als sportmarketeer als belangrijke ontwikkelingen op dit moment?
“In de sport gelden andere wetten. Je hebt te maken met zaakwaarnemers en dat soort onderhandelingen verloopt anders dan in bijvoorbeeld de bankwereld. Ik ken een oud-voorzitter van Feyenoord die gepokt en gemazeld was als directeur van een groot bedrijf. Dat was echt een vakman, maar als hij bij Feyenoord zijn mond opendeed, begonnen ze allemaal te lachen en dachten ze: waar heeft hij het nou over? Sport is een andere wereld, je moet goed om kunnen gaan met het opportunisme. Er zijn in Nederland meer dan 700.000 bedrijven en die krijgen twee pagina’s economisch nieuws in
De Telegraaf. Er zijn achttien Eredivisieclubs en die krijgen een heel sportkatern. Het ligt onder een vergrootglas omdat mensen het nu eenmaal interessant vinden. Bij een voetbalclub wordt alles breed uitgemeten en als je pech hebt, komen er ook gewoon mensen voor je huis te staan. Zelf heb ik dat gelukkig nooit meegemaakt, maar ik ken collega’s bij wie dat wel is gebeurd. En het verloop is enorm groot. Toen ik vijf jaar directeur was bij Sparta, was ik de op-één-na langst zittende directeur bij dezelfde eredivisieclub. Alleen Hans Nijland van FC Groningen zat er langer. Een goede sportbestuurder moet met al dat soort zaken om kunnen gaan.”
“Wat betreft de ontwikkelingen op het gebied van sportmarketing, ik luister op dat vlak graag naar de jeugd. Bij ons bureau - WSM, Worldwide Sports Management - hebben we een mooie taakverdeling. Ik heb de contacten om ergens gemakkelijker binnen te komen en openingen te creëren, maar als het gaat om het maken van een modern marketingplan doe ik een beroep op onder anderen mijn zoon Dimitri die WSM op dit moment runt. Die spreekt de taal van dit moment, en de huidige beslissers binnen het bedrijfsleven zijn de leeftijdsgenoten van hem. Ik heb altijd gezegd dat je mensen moet laten doen waar ze goed in zijn. Dat heb ik van Peter Post geleerd. Post was ‘de’ vakman op zijn gebied. Wat hij nodig had waren een goede boekhouder en een goede organisator, met Jan Legrand had hij de beste mekanieker en met Ruud Bakker de beste soigneur. Op hun deelgebieden wisten die mensen veel meer dan Post zelf. Post had het overzicht en hij was niet bang zijn grip te verliezen, want dat wilden die mensen ook helemaal niet. Hij was het gezicht van de ploeg.”