4 december 2007
Nieuws
door: Peter Hopstaken | 4 december 2007
1. Krijgt de Krajicek-leerstoel een plek naast de leerstoel ‘Bestuur & Organisatie-wetenschap’ die jij als hoogleraar aan de Universiteit Utrecht vanaf 2003 bekleedt?
“Nee, het is anders. Mijn huidige leerstoel ‘Bestuur & Organisatiewetenschap’ zal de komende vijf jaar worden gesponsord – in vaktermen hebben we het dan over een ‘endowed chair’ - door de Richard Krajicek Foundation. Daarmee zal de opdracht van mijn leerstoel een nieuwe richting inslaan, namelijk onderzoek doen naar de maatschappelijke rol van sport bij jongeren in achterstandswijken. Het onderzoekswerk dat al is uitgezet onder de leerstoel onder de ‘oude’ naam gaat gewoon door. We werken hier met een heel team van wetenschappelijke medewerkers en onderzoeksassistenten.”
2. Hoe is het contact tussen jou en Richard Krajicek tot stand gekomen?
“Het idee is geboren toen ik vorig jaar in de jury zat van de Richard Krajicek Foundation Award. Dat is een jaarlijkse wedstrijd voor lokale educatieve sportprojecten voor jongeren. Medewerkers van de Foundation bedachten toen dat de specifieke kennis over sport en jongeren die ik door mijn onderzoekswerk in de loop der jaren heb ontwikkeld, nuttig zou kunnen zijn als bron voor specifiek onderzoek naar de rol van sport op de playgrounds die de Foundation her en der in Nederland heeft gerealiseerd.”
3. Wat is de kern van het onderzoekswerk dat je gaat doen voor de Krajicek Foundation?
“We bouwen voort op onderzoek dat ik eerder met Jan Janssens van het Mulier Instituut heb gedaan. De veronderstelling die aan dat onderzoek vooraf ging, was dat aparte allochtone sportverenigingen niet bevorderlijk zijn voor de integratie van de leden van dat type verenigingen. We hebben dat vraagstuk geoperationaliseerd door te onderzoeken of de leden van specifiek allochtone verenigingen meer of minder ‘sociaal kapitaal’ opbouwen als gevolg van hun lidmaatschap dan leden van autochtone verenigingen. Voor de definitie van het begrip ‘sociaal kapitaal’ hebben we ons laten inspireren door het werk van de wetenschapper Robert Putman. Wij verstaan – overigens wel in afwijking van de definitie van Putman - onder sociaal kapitaal de mate waarin mensen in staat zijn te begrijpen hoe de samenleving werkt en dat vervolgens toepassen. Onze conclusie was dat er niet veel verschil is tussen specifiek allochtone en autochtone verenigingen. Ofwel leden van beide soorten verenigingen bouwen in ongeveer dezelfde mate sociaal kapitaal op als gevolg van dat lidmaatschap.”
“We zijn benieuwd wat we in dit kader gaan tegenkomen op de sportveldjes - playgrounds genoemd - van Richard Krajicek. Want een belangrijke doelstelling van Krajicek is om jongeren – vooral in achterstandswijken - meer kansen te geven door ze meer te laten sporten. Bouwen de jongeren die sporten op de playgrounds sociaal kapitaal op? Hoe belangrijk is het daarbij dat de jongeren die sporten op de playgrounds begeleid worden? Hoe moeten ze dan begeleid worden? Leidt een goed georganiseerde playground tot een beter sociaal klimaat in de wijk, met meer sociale cohesie tussen de bewoners? Dat zijn de kernvragen van ons onderzoek.
4. Als je het effect wilt gaan onderzoeken van playgrounds op het sociale klimaat in een wijk, ga je dan ook onderzoek doen naar het sociale klimaat in wijken zonder playgrounds?
“Nee, we gaan géén vergelijkend onderzoek doen. We werken in de context zoals we die aantreffen, zoals dat heet. Ofwel, we gaan onderzoeken aan welke condities moet worden voldaan om de jongeren die op de playgrounds sporten zoveel mogelijk sociaal kapitaal te geven. Dat kan van stad tot stad en binnen steden zelfs van wijk tot wijk verschillen. De playgrounds zijn onderling moeilijk vergelijkbaar. Dat maakt de materie ook ingewikkelder en dus boeiender. We hebben besloten om interactief te werk te gaan. We gaan de komende vijf jaar niet een heleboel playgrounds onder de loep nemen en daar een dik rapport over schrijven. Nee, we blijven tijdens ons werk voortdurend in contact met de Richard Krajicek Foundation. Zij bedenken bijvoorbeeld iets nieuws voor een bepaalde playground, wij onderzoeken wat het effect daarvan is, vervolgens worden er naar aanleiding daarvan verbeterpunten aangebracht en dan gaan we de effecten dáárvan weer in kaart brengen. Deze manier van onderzoek doen vind ik heel spannend. Ik hoop dat we ook te weten gaan komen waarom bijvoorbeeld allochtone meisjes nog steeds achterblijven op het gebied van sportparticipatie. Uit onderzoek blijkt dat zij een enorme behoefte hebben om te gaan sporten, maar het komt er dus niet van. Wat zijn nu de condities voor allochtone meisjes om wél massaal te gaan sporten? Ik denk overigens, op grond van participerend onderzoek dat ik heb gedaan, dat kinderen zelf weinig aandacht schenken aan etniciteit. Ze beoordelen elkaar doorgaans niet op ras of afkomst, maar meer op leeftijd en of de ander ‘cool’ is. Ze vragen zich af ‘wie hoort erbij’ en ‘wie zijn de goede gasten’. Ze kijken niet als beleidsmakers die precies willen weten hoe in het bijzonder Kaapverdianen zich gedragen, en hoe weet ik wie allemaal nog meer.”
5. Wat is volgens jou in de komende vijf jaar in het algemeen de grootste kans voor de sport en wat de grootste bedreiging?
“De grootste kans is om nog meer mensen te laten zien hoe leuk sport eigenlijk is. Daarmee zou sport een nog groter maatschappelijk draagvlak krijgen. De grootste bedreiging vind ik dat sport voornamelijk beschouwd gaat worden als middel dat je inzet om maatschappelijke problemen op te lossen. Die relatie moet minder de nadruk krijgen, vind ik. We moeten er voor zorgen dat zoveel mogelijk mensen ervaren dat sport leuk is om te doen. Dan krijgt het automatisch een grote maatschappelijke functie.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.