20 januari 2018
Nieuws
Professor doctor Nico van Yperen is de eerste hoogleraar sportpsychologie in Nederland. Bij zijn eerste aanstelling als hoogleraar psychologie aan de Rijksuniversiteit van Groningen hield hij in 2004 al een oratie. Om zijn aanstelling als hoogleraar sportpsychologie aan diezelfde instelling luister bij te zetten houdt hij op dinsdag 30 oktober 2018 een academische rede. In een interview met Sport Knowhow XL bespreekt Van Yperen tal van onderwerpen die in zijn werk aan de orde komen. Van Yperen publiceert ook regelmatig blogs over sportpsychologie op zijn Sport Science blog.
door: Leo Aquina | 30 januari 2018
1. Je bent de eerste hoogleraar sportpsychologie in Nederland. Hoe is het mogelijk dat het zo lang geduurd heeft voordat deze leerstoel werd ingesteld? Hoe heb jij het voor elkaar gekregen?
“Het is inderdaad best opmerkelijk dat het zo lang heeft geduurd. Als er een keus moet worden gemaakt tussen de verschillende aandachtsvelden binnen de psychologie, staat sport nooit bovenaan. In het buitenland zie je wel dat de Olympische Spelen een belangrijke katalysator zijn voor de sport en alles wat daar mee te maken heeft, ook de wetenschap. De sportpsychologie in het Verenigd Koninkrijk staat mede dankzij Londen 2012 op een enorm hoog niveau. Amsterdam 1928 kwam voor de Nederlandse sportpsychologie net iets te vroeg.”
“Dat die leerstoel er nu wel is, volgt uit de ontwikkeling van het vakgebied aan de ene kant, maar deels heeft het ook te maken met toevallige omstandigheden. Zelf heb ik me al sinds mijn promotie beziggehouden met sportpsychologie. Begin jaren negentig deed ik al onderzoek bij Ajax. Hier in Groningen heb ik me er ook altijd sterk voor gemaakt. Ik was al hoogleraar organisatiepsychologie en aan de faculteit gedrags- en maatschappijwetenschappen hebben we een tenure track-systeem waarbij mensen doorgroeien. Daardoor kon ik gemist worden bij organisatiepsychologie. In Groningen ben ik van begin af aan - sinds 2010 - al nauw betrokken bij het Sport Science Institute, een sportnetwerk-organisatie waar alle wetenschappelijk onderzoek op sportgebied is gebundeld. Binnen de faculteit gedrags- en maatschappijwetenschappen zijn we in 2016 gestart met een Master-opleiding Talent Development & Creativity. Al die ontwikkelingen samen maakten het mogelijk om binnen het formatieplan vanuit eerste geldstroom deze leerstoel van de grond te krijgen.”
“Sport is een soort laboratoriumsituatie voor het leven. Veel onderwerpen waar je in de psychologie mee te maken krijgt, komen in compacte vorm terug in de sport. Het is een prachtig gebied om een heleboel dingen te bestuderen. Ik merk dat als ik zaken met collega’s bespreek. Er is altijd wel een voorbeeld uit de sport. Een mooi voorbeeld zijn studies naar carrièresucces in de organisatiepsychologie. Een arbeidsleven duurt al gauw veertig jaar. Het is moeilijk om over zo’n lange periode terug te kijken naar de initiële oorzaken van succes. Bij de meeste sporters weet je rond hun dertigste wel of een carrière succesvol was of niet. Dat maakt het makkelijker om met terugwerkende kracht te kijken naar determinanten van succes.”
2. Je bent zelf al sinds de jaren tachtig actief in de sportpsychologie. Zou je kort de ontwikkeling van het vakgebied kunnen schetsen?
“Eigenlijk is de sportpsychologie al zo oud als de sport zelf. Er werden eind negentiende eeuw al studies gedaan waaruit bijvoorbeeld bleek dat wielrenners in een directe wedstrijd in staat waren sneller te rijden dan in een tijdrit. Natuurlijk is er het nodige op die studies aan te merken, maar de mentale aspecten van sport werden vanaf het begin al onderkend. In Nederland is het altijd een klein vakgebied geweest, maar de afgelopen decennia is het wel volwassen geworden. Frank Bakker van de Vrije Universiteit in Amsterdam is een van de grondleggers. Eigenlijk had hij de eerste hoogleraar sportpsychologie van Nederland moeten worden. Ik weet niet waarom dat nooit is gebeurd. Hij was in de jaren tachtig van de vorige eeuw ook een van de grondleggers van de Vereniging voor SportPsychologie in Nederland, de VSPN.”
“Met de VSPN heeft het vakgebied in Nederland echt een flinke zet voorwaarts gekregen. Je zag dat er steeds meer mensen ook bezig waren in de praktiserende sportpsychologie. Het vakgebied werd ook toegankelijker. Mensen zien steeds meer dat het niet iets mystieks is, maar dat je op mentaal gebied in de sport heel concrete dingen kunt bereiken. Veel daarvan komt terug in mijn blog. Op welke manier kunnen ouders hun kinderen begeleiden bij sportprestaties bijvoorbeeld. Hoe ga je om met boosheid of negatieve gedachten. Je ziet de afgelopen jaren ook dat topatleten zeggen dat ze baat hebben bij mentale begeleiding. Terwijl daar vroeger vaak veel scepsis over bestond.”
“Internationaal gezien staan we als Nederland niet vooraan in de sportpsychologie, als je het vergelijkt met bijvoorbeeld de Verenigde Staten, Groot-Brittannië of Australië. Daar lopen op iedere universiteit sportpsychologen rond, terwijl het in Nederland toch meestal nog iets is wat wetenschappers er bij doen. De Nederlandse wetenschap staat internationaal in zijn algemeenheid wel op een hoog niveau, maar uiteindelijk is het ook gewoon een number game en in de landen die ik noemde wordt gewoon veel meer onderzoek gedaan in de sportpsychologie.”
3. Hoe ging je en ga je misschien nog steeds om met de scepsis ten opzichte van sportpsychologie?
“Als je mensen vraagt welke factoren van invloed zijn op een sportprestatie zal iedereen dezelfde vier aspecten noemen: fysiek, techniek, tactiek en mentaal. En als mensen vervolgens gaan trainen, richten zij zich op kracht en uithoudingsvermogen, ze schaven aan hun techniek en ze maken tactische plannen, maar ze denken nooit na over mentale training. Dat is natuurlijk vreemd. Natuurlijk zijn er topsporters er op allerlei manieren mee bezig, maar ze labelen het niet als training. Het wordt vaak gezien als ervaring. Maar ervaring kun je ook versnellen. Een mental coach kan ervoor zorgen dat een sporter zich technieken eigen maakt om met bepaalde situaties om te gaan.”
“Neem bijvoorbeeld Patrick Kluivert in het begin van zijn carrière. Hij had een auto-ongeluk veroorzaakt waarbij iemand was overleden. In WK-wedstrijd tegen België maakte de Belgische verdediger Lorenzo Staelens hem uit voor moordenaar. Kluivert werd boos en gaf een elleboogstoot, rode kaart. Als trainer had je Kluivert hierop kunnen voorbereiden. Je weet wat hem op het veld te wachten staat na alles wat er is gebeurt. Zorg dan dat je hem in de training in dezelfde situatie brengt. Instrueer medespelers op de training om hem op die manier te provoceren. Dan geeft hij die elleboogstoot op de training, en dan kun je met hem in gesprek. In de wedstrijd komt hij dan beslagen ten ijs.”
”Een ander voorbeeld: penalty’s in het voetbal. Ik heb in het verleden wel presentaties gehouden voor voetbalcoaches en dan riepen ze: 'loterij'. Ik zei: ‘Stel dat je twee teams hebt. Het ene team speelt een jaar lang iedere training een penaltyserie na, in twee groepen met de trainer als scheidsrechter, precies zoals het in een wedstrijd ook gaat. Het andere team doet dat niet. Aan het eind van het seizoen komen die twee teams elkaar tegen in een bekerwedstrijd en het draait uit op strafschoppen. Welke team denk je dat gaat winnen?’ Toen riepen ze allemaal: ‘Het team dat erop heeft getraind natuurlijk’. Dus ik zei: ‘Wat klets je dan, loterij?’ Eigenlijk vonden ze zelf ook al dat trainen hielp, alleen hadden ze daar de gedragsconsequentie nog nooit aan verbonden.”
4. In het persbericht over je benoeming als hoogleraar staan drie vragen vermeld die centraal staan in de nieuwe leerstoel. Kun je die kort toelichten?
“De eerste vraag: ‘Hoe kan talent en creativiteit herkend worden?’ is gerelateerd aan de Masteropleiding Talent & Creativity Development. We onderzoeken talentherkenning op diverse gebieden, waaronder werk, onderwijs, en sport. Vooralsnog zien we dat je talent het beste herkent door iemand in een testomgeving te brengen die de echte situatie goed nabootst. Een potentieel goede voetballer herken je het beste door hem in een voetbalsituatie te brengen en te zien of hij daarin excelleert. Een potentieel goede student herken je niet met een intelligentietest, maar door iemand te testen op de vaardigheden die een student nodig heeft: artikelen lezen, daar kritisch naar kijken en er een goede analyse van maken.
De tweede vraag heb ik zelf geadresseerd: ‘welke psychologische factoren en omstandigheden zijn van invloed op het optimaal kunnen presteren en plezier hebben in de sport'. Hier is onder topatleten maar weinig systematisch onderzoek naar gedaan. Dat is logisch want het is maar een kleine groep en het is lastig om dit goed te onderzoeken. Want je wil eigenlijk vlak voor en vlak na een wedstrijd vragen kunnen stellen, maar daar zijn topsporters op dat moment natuurlijk helemaal niet mee bezig. Dit soort zaken is moeilijk te ondervangen, maar het is een interessant terrein om onderzoek naar te doen. Het heeft ook te maken met concentratie en techniek. Er wordt tegenwoordig veel interessant onderzoek gedaan met eye-trackers. Waar kijken mensen naar? Daar zit een grote psychologische component in. Als je bij het darten naar de plek kijkt weer je de pijl in wil gooien, gaat het beter. Dat komt deels omdat je door bewust te kijken, niet meer bent afgeleid door allerlei andere zaken.”
De derde vraag bouwt voort op de tweede: ‘hoe kunnen de mentale aspecten van sport en presteren verder gestimuleerd worden?’ Dit moet je zien in het kader van het streven naar een bredere bekendheid voor de technieken die je aan de sportpsychologie kunt ontlenen. We moeten verder gaan dan de onderkenning dat mentale aspecten belangrijk zijn, we moeten er ook consequenties aan verbinden, net zoals je spieren traint om sterker te worden zijn er methoden om op mentaal vlak beter te worden.”
5. Tot slot, in welke takken van sport wordt al veel gebruik gemaakt aan sportpsychologische inzichten en in welke takken van sport valt op dit gebied nog veel winst te behalen?
“Het is lastig om daar iets over te zeggen, maar heel in het algemeen zou je kunnen stellen dat individuele sporten iets verder zijn als het gaat om de mentale aspecten dan teamsporten. Individuele sporters zijn zelf verantwoordelijk voor hun prestatie en daardoor zijn zij toch vaak net iets bewuster bezig met mogelijkheden om nog beter te worden. Het heeft er waarschijnlijk ook mee te maken dat er in teamsporten vaak veel interactie is, waardoor het allemaal minder voorspelbaar is. Bovendien heeft een teamspeler het eindresultaat maar zeer ten dele in eigen hand. Het verband tussen de mentale gesteldheid van de sporter en het uiteindelijke resultaat is dus gecompliceerder."
"Aan de andere kant kun je een team ook zien als een verzameling individuen, die allemaal op hun beurt ook een individuele prestatie leveren. Iemand kan heel goed spelen en zijn team kan toch verliezen. Je moet dus onderscheid maken tussen de individuele prestatie en teamuitkomst. In een teamsport komt daar ook het groepsproces nog bij, dus er valt daar nog enorm veel te winnen.”
“Voetbal is dan weer een mooi voorbeeld. Ik hoor commentatoren vaak zeggen: ‘Alle scenario’s kunnen de prullenbak in.’ Bijvoorbeeld als een ploeg in de eerste minuut een doelpunt tegen krijgt. Dan moet ik altijd een beetje lachen. Hoezo de prullenbak in? Zo’n scenario kun je van tevoren toch ook bedenken? Je kunt toch gewoon een plan maken wat je gaat doen als je vroeg op achterstand komt? Er wordt vaak gezegd dat een coach in de wedstrijd niets meer kan doen. Maar neem een volleybalcoach. Het heeft inderdaad geen zin om bij een time-out allerlei nieuwe dingen te gaan roepen. De opnamecapaciteit is op zo’n moment zeer beperkt. Maar een coach die het goed heeft voorbereid, kan wel daarop terugvallen. Dingen in herinnering roepen waarop is getraind. Een coach die zichzelf en zijn team goed heeft voorbereid, kan ook tijdens een wedstrijd veel betekenen.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.