Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan minke booij projectmanager sport en goede doelen bij de lotto

5 vragen aan Minke Booij, projectmanager sport en goede doelen bij De Lotto

11 oktober 2011

Nieuws


door: Leo Aquina | 11 oktober 2011

1. Voor je overstap naar De Lotto heb je de afgelopen tweeënhalf jaar als accountmanager sponsoring voor de hockeybond gewerkt. Wat hield die functie in?
“Mijn primaire taak was relatiebeheer, invulling geven aan gemaakte afspraken tussen de bond en de sponsors. Neem als voorbeeld de Rabobank en het Nederlands Elftal. Er staat natuurlijk ‘Rabobank’ op de shirts, maar er zijn ook evenementen zoals de Champions Trophy en het EK waarop Rabobank nog meer zichtbaar wil zijn. Daarnaast ondersteunden we bij de organisatie van clinics. Wij moesten er bijvoorbeeld voor zorgen dat de internationals daar aanwezig bij waren en dat allerlei andere zaken goed geregeld waren, van de reclameborden tot de hospitality.”

“De KNHB heeft in 2008 onder de verantwoordelijkheid van Marie-Louise Lemmen een compleet nieuw sponsormodel geïntroduceerd. Dat model gaat uit van een klein aantal grote partners, dus niet meer ‘hoe meer sponsors, hoe beter’. We wilden de band versterken met een paar heel grote partijen, die al jaren verbonden waren aan de hockeybond. Die band moet het sponsorschap van de bond overstijgen. Ze zijn niet alleen partner van de KNHB, maar partner van het hockey. Neem als voorbeeld adidas, dat was in het verleden geen hockeymerk. Ze deden alleen de kleding van het Nederlands Elftal, maar ze maakten bijvoorbeeld geen sticks. De bond is toen met adidas om de tafel gaan zitten om adidas te bewegen een echt hockeymerk te worden. Toen is adidas gaan investeren in het hockey met sticks, accessoires, kleding en een groter assortiment schoenen. Inmiddels zijn ze ook echt een hockeymerk. Dat is wat de bond voor ogen had. Andere partijen zijn Volvo, Rabobank, BDO, Heineken en Shell.”

2. Waarom heb je de overstap gemaakt naar De Lotto en wat ga je in je nieuwe functie doen?
“Mijn baan bij hockeybond was hartstikke leuk, maar ik liep er op een gegeven moment tegenaan dat overal waar ik kwam - in mijn privéleven en in mijn zakelijke leven - er een link was met hockey. Aan de ene kant is dat niet erg want hockey zit in mijn hart, maar ik kon er niet meer op een ontspannen manier van genieten. Mijn vriend was op dat moment hockeycoach en bijna al mijn vrienden komen uit de hockeywereld. Dat ging me tegenstaan dus er moest iets veranderen. Het werd tijd voor iets nieuws en in het maatschappelijke leven kon ik makkelijker een andere wereld in stappen dan privé. Van baan switchen is eenvoudiger dan je vrienden inruilen, wat ik natuurlijk ook niet zou willen.”

“Bij De Lotto zit ik op de afdeling sport en goede doelen, de afdeling die zich bezighoudt met de beneficianten, de goede doelen die geld krijgen van De Lotto. Dat zijn achttien goede doelen op het gebied van cultuur, welzijn en volksgezondheid en NOC*NSF en via NOC*NSF bijvoorbeeld weer alle sportbonden. Jaarlijks geeft De Lotto zo’n 60 miljoen euro aan de Nederlandse sport en dat willen we laten zien. Lotto wil zich sterker gaan profileren als dé loterij van de sport. Veel andere loterijen afficheren zich al met specifieke goede doelen en Lotto moet laten zien: ‘wij steunen de sport’.”

“Dat is nodig omdat de meeste mensen niet weten dat er zoveel geld van Lotto naar de sport gaat via NOC*NSF en de sportbonden. Voor de meeste mensen die zelf sporten of die op een zaterdagochtend langs het veld staan bij de kinderen is een sportbond erg ver weg. Daar merken ze hooguit iets van als ze een keer een gele kaart krijgen of zo. Ze weten niet wat de bond voor de sport doet en ze weten al helemaal niet wat Lotto voor de sport en de bonden betekent. Ik het zelf gemerkt toen ik bij De Lotto ging werken. Dan vroegen mensen: ‘Oh, ga je de balletjes trekken?’ Er liggen plannen op tafel om de zichtbaarheid van Lotto te vergroten en daar ga ik een bijdrage aan leveren. Over de invulling van die plannen kan ik je binnenkort meer vertellen, want vandaag is mijn eerste werkdag en ik moet mij nog inlezen. Het komt er in ieder geval op neer dat we de rol van Lotto onder andere zichtbaarder maken bij de sportconsument. Veel mensen realiseren zich niet dat hun contributie bijvoorbeeld veel hoger zou zijn zonder Lotto.”

3. Na het Olympisch goud met de Nederlandse ploeg in Beijing ben je gestopt met tophockey. Mis je de topsport en hockey je nog wel eens?
“Ik hockey helemaal niet meer. Ik ben nooit een recreatiesporter geweest. Mensen zeggen altijd dat we in Nederland zoveel recreatiesporters hebben en dat de topsporters daar vanzelf uit voortkomen, maar dat geloof ik niet helemaal. Ik denk dat sommige sporters beginnen als recreatiesporter en sommige als topsporter. Je hebt kinderen die gaan hockeyen omdat ze het leuk vinden en of ze winnen of verliezen maakt niet uit. Dat heb ik nooit gehad. Van kinds af aan wilde ik winnen en zo hoog mogelijke spelen. Ik wist op dat moment nog helemaal niet wat dat allemaal inhield, maar ik wilde de beste zijn.”

“Daarnaast wil ik op dit moment niet meer hockeyen omdat ik van de verplichting af wilde. Altijd op bepaalde tijden trainen, de verplichting van een wedstrijd. Dat heb je als recreatiesporter ook want het is een teamsport en die verantwoordelijkheid voel ik altijd. Ik geniet nu enorm van mijn vrije weekenden, doordeweeks heb ik het druk genoeg. Als het in mijn agenda uitkomt ga ik lekker kijken bij Dames 1 van Den Bosch, maar ik hoef zelf absoluut niet meer op het veld te staan. Er is eigenlijk niets aan het bestaan van een oud-topsporter dat ik mis. Het had zijn mooie maar ook zijn zware kanten, het verwachtingspatroon de mentale druk. Ik ben blij dat ik niet meer in die achtbaan van emoties zit.“

“Zelf heb ik absoluut geen last gehad van het gevreesde zwarte gat, maar ik kan me er wel iets bij voorstellen. Dat heeft met emotie te maken. Het missen van de drive, het missen van de groep. Ik heb bijvoorbeeld de afgelopen drie jaar nooit meer meegemaakt dat je elkaar schreeuwend en jankend om de hals vloog na een behaalde prestatie. In het hockey ben ik niet eigenlijk geen mensen tegengekomen die in het zwarte gat zijn gevallen. De meeste speelsters hebben gestudeerd en denken al tijdens hun topsportcarrière na over hun toekomst daarna, dat is erg belangrijk. Als je na de sport gaat werken en op een andere manier invulling geeft aan je leven, kom je verder. Je moet natuurlijk niet de hele dag op de bank gaan zitten, daar word je niet vrolijk van. Je moet een reden hebben om op te staan.”

4. Wat is de toegevoegde waarde van een topsportcarrière in je latere maatschappelijke loopbaan?
“In het algemeen brengen ex-topsporters vaak een aantal extra kwaliteiten mee die in iedere organisatie van pas kunnen komen. Topsporters jagen hun dromen na, zijn gedreven en vaak ook gedisciplineerd. Teamspelers hebben geleerd onder zware omstandigheden goed met elkaar samen te werken en elkaar te vertrouwen. Dat geldt trouwens ook voor individuele sporters, die verzamelen ook mensen om zich heen om ze te helpen beter te worden. De juiste mensen selecteren is ook een kwaliteit. Zelf ben ik bij de hockeybond natuurlijk specifiek in een sportorganisatie gaan werken en daar kwam mijn ervaring ook heel direct van pas. Want ik ken het leven van de topsporter goed. Als Rabobank dan met een plan voor het Nederlands Elftal kwam, ging ik altijd even op de stoel van de spelers of speelsters zitten. Je moet spelers en speelsters bijvoorbeeld niet lastigvallen voor de wedstrijd, dat verstoort de voorbereiding. Zoiets ga ik vanuit mijn eigen ervaring niet eens aan een coach vragen, dus hij heeft er ook geen last van. Daar komt bij dat een sponsor er sneller begrip voor heeft als hij het uit mijn mond hoort. Van een oud-speelster zullen ze zoiets makkelijkere accepteren.”

“Een ander voorbeeld is het huldigen. Daar is de hockeybond erg goed in en het is geweldig dat ze het doen. Er is altijd aandacht voor als een international een jubileuminterland speelt, dan is er een lunch en er wordt iets speciaals gedaan. De spelers klaagden er wel eens over en toen werd er vanuit de bond gezegd: ‘Moeten we dat eigenlijk nog wel doen?’ Toen heb ik gezegd: ‘Natuurlijk moet je daarmee doorgaan.’ De spelers mopperen er wel eens over, maar ze vinden het ook een eer en o wee als je het niet meer doet. Je moet wel voor alle spelers precies hetzelfde doen, anders krijg je scheve gezichten. Daar is toen binnen de bond ook naar geluisterd. Maar goed, je moet de waarde van die topsportachtergrond ook niet overdrijven. De tijden veranderen en op de ervaring kun je dus niet te lang teren.”

5. Je bent een van de leden van het Topsportteam 2028, een groep ex-topsporters die het Olympisch Plan 2028 promoten. Wat houdt dat concreet in?
“We hebben eens in de zoveel tijd een bijeenkomst en dan worden we ingelicht over de plannen van Olympisch Vuur. En we worden per email continu op de hoogte gehouden. Er is recent natuurlijk veel gebeurd. Er is een nieuwe voorzitter met Camiel Eurlings. Dat was echt heel hard nodig want directeur Eric Eijkelberg gaf tijdens een eerdere bijeenkomst van het Topsportteam 2028 al aan dat er echt stappen moeten worden gemaakt, anders dreigt het plan aan kracht te verliezen. Dat zou ontzettend zonde zijn, want ik sta er helemaal achter. Ik denk dat sport een middel is om de Nederlandse samenleving naar een hoger plan te tillen en de Olympische Spelen in 2028 zijn een prachtig middel. Maar het moet veel concreter worden in plaats van allemaal vage ambities waar niemand iets van begrijpt. Mensen moeten er een gevoel bij krijgen. De directeur en het bestuur zijn daar nu ook hard mee bezig.”

“Als oud-topsporters worden wij op de hoogte gehouden en af en toe worden we ingezet voor een mediaoptreden, zoals Bas van de Goor onlangs vanuit Londen op BNR. Binnenkort gaan we opnieuw om de tafel om de plannen voor komend jaar uit te rollen. Als topsporters roepen wij dat het veel concreter moet. Waaruit bestaat dat Olympisch Plan eigenlijk? Draagvlak creëren om mogelijk op termijn de Spelen te organiseren? Haal dat gedoe over draagvlak eraf en zeg gewoon wat je wilt: ‘wij willen in 2028 de Olympische Spelen organiseren’. Het is voor een sporter ontzettend moeilijk om niet te zeggen wat je doel is. Als je een sporter vraagt wat hij op de Olympische Spelen gaat doen, zegt hij ook niet: ‘Nou eerst ga ik trainen om te zien of het mogelijk is het beste uit mezelf te halen…’ Nee, een sporter zegt: ‘Ik ga voor goud en daar train ik me de blubber voor.’ Als er echt een plan is en er zijn concrete ideeën dan moeten wij dat als oud-sporters over het voetlicht zien te krijgen met aansprekende gezichten zoals Richard Krajicek, Leontien van Moorsel en anderen. We moeten kijken wie we op welke plekken in kunnen zetten. Als er concrete plannen zijn, help ik graag mee die te verwezenlijken.”

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.